+ Meer informatie

Verdorven door de zonde

DE VIJANDEN GODS

4 minuten leestijd

(11)

De mens, in vijandschap zich tegen God verheffend, is bij God in de schuld komen te staan. Hij heeft het recht Gods overtreden, en als zodanig zich de straf van de Rechter op de hals gehaald. Maar niet alleen is door de zonde zijn rechtsverhouding tot God gekrenkt geworden, — de mens heeft ook innerlijk een verandering ondergaan, waardoor hij tot in zijn diepste wezen verdorven is.

Die verdorvenheid des mensen betreft zowel zijn ziel als zijn lichaam. Om bij het laatste te beginnen: Het is door de zonde, dat de lichamelijke kracht en schoonheid van de mens zo broos en zwak is. Reeds op betrekkelijk jeugdige leeftijd doen zich de sporen der lichamelijke verzwakking bij hem zien. Haar en gebit verslechteren en vallen uit. Rimpels en veroudering tekenen zich op het gelaat af. Wie veertig jaar oud is, kan zich al niet meer zo vlug en lenig bewegen, als toen hij twintig was. En wie de vijftig te boven gaat, voelt aan den lijve de voortdurende aftakeling van het lichaam, waarvan Paulus zegt: „dat zijn uitwendige mens verdorven wordt."

En dit zijn nu nog maar de normale gevolgen van de zonde in het lichaam. Maar wat is er verder ook een schare mensen, die nooit of nimmer, van de geboorte af aan, gezond zijn geweest! Er zijn er, die steeds met een zwak gestel rondlopen; die zich nooit eens fris en gezond gevoelen. Er zijn anderen, die een hinderlijk lichaamsgebrek hebben: die kreupel, of doof, of blind of nog erger zijn. En nu moge ook hier het woord van Jezus op zijn plaats zijn, als Hij zegt: „Dit is geschied, opdat de grote werken Gods in dezulken openbaar zouden worden, " niettegenstaande dat, is de diepste oorzaak van al die lichamelijke ellende toch de Paradijszonde; want waren er geen zonden, er waren ook geen wonden. Lijden en gebrek en zwakheid zijn de mens niet ingeschapen; hij was, bij zijn schepping, óók naar het lichaam „goed en zonder gebrek". Toen God de geschapen mens aanzag, heette het: „En zie, al wat Hij gemaakt had, was zeer goed!"

Van welk een ingrijpende aard is dan toch de zonde, dat ze haar stempel zo sprekend en duidelijk zet op het lichaam van de mens! En voeg daar dan nog bij, hoe dat stempel der zonde al dieper ingedrukt wordt, naarmate de mens zich meer en meer aan de zonde overgeeft. Elke dronkaard, die de duidelijke tekenen daarvan draagt op zijn gelaat en in zijn wankele gang, is een bewijs van de waarheid, dat de verdorvenheid der zonde in het menselijk lichaam invreet, en toont ten duidelijkste, dat er tussen zonde en bederf een onlosmakelijk verband bestaat. En wat zijn er verder ook niet een zonden en misdrijven, die niet nalaten hun dodelijke tekenen op het lichaam af te drukken! Wij behoeven hier de zonden niet alle bij haar namen te noemen, om u ervan te doordringen, dat „de zonde de dood baart", en dat het vernielingswerk der zonden steeds voortgaat in de mens, die de zedelijke wetten Gods veracht en overtreedt.

En nu zijn er wel mensen, die bij de verdorvenheid door de zonde teweeggebracht alleen denken aan de geestelijke ellende van de mens, maar dat is een verkeerde stelling. O ja, wij weten het wel, en hopen dat in het volgend artikel ook aan te tonen, dat de geestelijke gevolgen der zonde nog schrikkelijker zijn dan de lichamelijke; maar dat doet niets af van het droeve feit, dat het lichaam van de mens ook aan de zonde en haar gevolgen onderworpen is, en dat die lichamelijke verdorvenheid de mens ook als een schuldenaar tegenover God stelt. Is het niet de apostel Paulus, die zo waarschuwt tegen de onreinigheid des lichaams? En die daarbij deze drangreden gebruikt: „Weet gijlieden niet, dat uw lichaam een tempel Gods is, en dat zo wie deze tempel schendt, door God zelf in het lichaam zal geschonden worden? "

Er is dan ook een nauw verband tussen ziel en lichaam. Het lichaam is niet — zoals het wel eens genoemd wordt — een kooi, waarin een vogel huist, maar het lichaam is een wezenlijk bestanddeel van de mens, zó wezenlijk zelfs, dat de gezaligden in de hemel de dag verbeiden met verlangen, dat hun ziel weer met hun lichaam zal verenigd worden, omdat ze dan eerst op volkomen volmaakte wijze, als mens Gods hun Heere en Heiland zullen kunnen dienen.

Uw verzwakte lichaam, o mens, is het bewijs van uw zondestaat tegenover God!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.