+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

7

Nu komt er een heel belangrijk gedeelte van het boek van prof. Oosterhoff. Het handelt over de paradijsrivieren.

In Eden ontsprong een rivier om de hof te bevochtigen. De rivier ontsprong blijkbaar ergens op een van de bergen van Eden en stroomde vandaar de hele hof door om haar te bevochtigen. Buiten de hof gekomen splitste zich de rivier in vier armen. De vier afsplitsingen van de ene grote paradijsrivier heten de Pison, de Gihon, de Tigris en de Eufraat. Aldus wat prof. Oosterhoff schrijft samengevat. Hij vraagt of het voor ons mogelijk is deze rivieren thuis te brengen. Voor de Tigris en de Eufraat is dat niet moeilijk.

Prof. Oosterhoff wijst er op, dat de bijbelschrijver niet de situatie uit de paradijstijd beschrijft want toen bestond Assur nog niet. De mededeling moet dateren uit de tijd tussen 3000 en 1400 voor Chr. „Evenmin” zo gaat hij verder „wordt bedoeld, dat de rivieren en de landstreken, waar zij doorheen stroomden, in de paradijstijd al die namen droegen waarmee ze later genoemd worden. De rivieren en landstreken worden genoemd met de namen waarmee ze later algemeen bekend waren. Het betekent ook niet, dat de produkten, die genoemd worden, al in de tijd van het paradijs aanwezig waren, maar het zijn produkten, waardoor de landstreken in later tijd bekend stonden. De schrijver tekent de situatie in zijn tijd. Daar wijzen in het Hebreeuws ook de participia „uitgaande”, „omheen gaande” en „gaande” op.’

Even verder lezen we: „Maar welke rivieren met de Pison en de Gihon zijn bedoeld is een vraag, die niet zo gemakkelijk te beantwoorden is. Er wordt dan ook niet eenstemmig over gedacht.’

Prof. Oosterhoff meent, dat onder de Pison het water moet worden verstaan, dat gevormd wordt door de Rode Zee en de Perzische Golf en heel Arabië omsluit. „Misschien is het voor ons wat vreemd om dat een rivier te noemen. Maar we moeten daarbij bedenken, dat men in de oudheid nog niet die exacte kennis van rivieren en zeeën had als wij later. En aardrijkskunde wordt ons in Gen. 2 niet geopenbaard. Calvijn zegt terecht, dat niet in de taal van de geleerden, maar van het gewone volk wordt gesproken, Gen. 2 sluit zich aan bij de voorstelling, die men in die tijd van de aarde had. En vervolgens kan het hebreeuwse woord „rivier” iets breder genomen worden dan bij ons. De waterstroom (de zee), waar Jona in terecht kwam wordt ook een „rivier” (nahar) genoemd (Jona 2 : 4 (3). Zo kan ook de Rode Zee met de Perzische Golf als een grote „rivier” gezien zijn.”

Verder zegt de schrijver: „Ik weet geen betere oplossing dan dat naast de Eufraat en de Tigris de Nijl en de Rode Zee met de Perzische Golf zijn bedoeld. Havila en Kusj zijn dan Arabië en Ethiopië, waar waarschijnlijk Egypte bij genomen kan worden.

De moeilijkheid is echter dat deze rivieren en wateren geen zijrivieren of aftakkingen van één grote rivier zijn geweest, zoals daarvan in Gen. 2 sprake is. Dat zijn de Eufraat en de Tigris trouwens ook niet. Dat zijn twee verschillende rivieren elk met een eigen heel verschillend bronnengebied. Wel vloeien ze vóór de Perzische Golf ineen, maar dat is juist het tegenovergestelde van uit één ontstaan. De gedachte van Calvijn, dat de Eufraat en Tigris als twee takken van één rivier kunnen worden beschouwd, omdat ze in één rivier uitmonden, is natuurlijk vreemd. In Gen. 2 zijn de Eufraat en de Tigris aftakkingen van één rivier, niet twee rivieren, die tot één worden. Bovendien schijnen in de tijd van Alexander de Grote de beide rivieren nog gescheiden in de Perzische Golf te zijn uitgemond.

Daarom hebben sommigen hun toevlucht gezocht in de zondvloed. Daardoor zou het gelaat van de aarde zozeer zijn veranderd, dat zelfs rivieren een andere loop kregen. Het is echter moeilijk aan te nemen, dat daardoor de Eufraat en de Tigris van twee takken van éénzelfde rivier tot twee verschillende rivieren zijn geworden elk met een eigen bronnengebied, terwijl de oorspronkelijke rivier geheel verdwenen is. Dit is een opvatting waar ook Calvijn zich niet mee verenigen kon en daarom als alleszins onaannemelijk afwijst. Trouwens de bijbelschrijver tekent ook niet de situatie vóór de zondvloed, maar daarna, in zijn tijd. Assur (vs. 14) bestond vóór de zondvloed nog niet. Het is geografisch onmogelijk om de Eufraat en de Tigris te zien als zijarmen van één rivier. Het zijn twee verschillende rivieren. Maar de bijbelschrijver geeft ook geen nauwkeurige geografische beschrijving van de ligging van het paradijs en van zijn rivieren. We krijgen geen stukje oude geografie of les in aardrijkskunde. We moeten daarom ook ophouden vier rivieren in de oude wereld te zoeken, die aftakkingen zijn van één grote, oorspronkelijke rivier. De bijbelschrijver tekent op symbolische wijze, dat alle grote wereldrivieren uit het paradijs ontspringen. Het getal vier wijst op de hele wereld, zoals in Zach. 2 : 18 de vier horens de wereldmachten symboliseren. Het getal vier is het getal van de vier windrichtingen en daarom van de hele wereld van zijn tijd. De wereld daarbuiten was nog niet bekend. Maar de grote wereldrivieren moeten worden gezien als ontspringend in het paradijs.” Tot zover prof. Oosterhoff. In het volgende artikel komen we hierop terug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.