+ Meer informatie

Vrije Presbyteriaanse Kerk van Ulster bestaat een kwart eeuw

Moderator Paisley geen echte Calvinist meer?

9 minuten leestijd

Dit jaar was het vijfentwintig jaar geleden, dat door de bekende strijdbare Noordierse ds. lan R. K. Paisley te Belfast een nieuwe kerkgemeenschap werd gesticht, waarvan hij thans nog altijd de moderator is: de Vrije Presbyteriaanse Kerk van Ulster. Van het officiële orgaan dezer kerk, „The Revivalist", dat eveneens door Paisley wordt uitgegeven, verscheen een rijk geïllustreerd themanummer, waaraan wij voor dit verhaal het een en ander ontlenen.

Het is allemaal een kwart eeuw geleden begonnen, toen de plm. 25-jarige ds. Paisley nog predikant was van de Ravenhill Evangelische kerk te Belfast. Op St. Patricks dag van dat jaar (genoemd naar de beschermheilige van Ierland) institueerde Paisley in het toenmalige eenvoudige kerkgebouwtje aan de Killyleagh Street te Crossgar in de graafschap Down de eerste gemeente van de Vrije Presbyteriaanse kerk in Noord-Ierland.

Als tijdelijk predikant werd ds. George Stears hier bevestigd. Stears was in 1935 door de classis van Rio Grande del Norte toegelaten tot het predikambt in de Presbyteriaanse Kerk van Zuid-Amerika. Vijf ouderlingen van de Lissara Presbyteriaanse Kerk — waarvan de kerk van Crossgar zich afscheidde — werden eveneens (opnieuw) in het ambt bevestigd.

Ierse Presbyterianen

De Presbyteriaanse Kerk duldde niet langer het Evangelie binnen de kerkmuren en zette getrouwe ambtsdragers, die opkwamen voor de rechten van het kerkvolk, af, zo merkte Paisley op in zijn eerste preek voor de nieuwe gemeente van Crossgar. Zelf, zei Paisley, ben ik predikant van de kerk te Ravenhill (Belfast), die al veertien jaar eerder had gebroken met de Ierse Presbyteriaanse Kerk, waarvan ik nooit predikant ben geweest en waarmee ik me niet wil vereenzelvigen, omdat die kerk het Woord Gods verzaakte.

Hij ging toen ook in op de kritiek omtrent de nieuwe predikant van Crossgar wiens verleden nogal duister — in de zin van onbekend, niet van oneervol — was. Paisley had het volste vertrouwen in ds. Stears en hij merkte ook op, dat de kerkscheuring niet in strijd was met de kerkrechtelijke bepalingen. Hij vergeleek deze vrije kerk met de Free Church in Schotland, die ook los kwam te staan van de band met de staat, zoals dat bij de Kerk van Schotland nog wel het geval is.

Groei

Na 25 jaar komt Paisley nog eens op de breuk van toen terug: leerverschillen, de afzetting van twee getrouwe ouderlingen door de classis Down, ondanks het verzet hiertegen van de kerkeraad. De blauwe banier van een Vrije, onafhankelijke Presbyteriaanse kerk werd geheven, maar de tegenstanders voorspelden ons geen langer leven dan van een paar maanden, zegt hij.

Als moderator van deze kerk, die inmiddels flink gegroeid is en thans ongeveer 37 gemeenten in een zestal classes (presbyteries) omvat, kwam Paisley tweemaal voor de rechtbank en achter de tralies. Éénmaal veroorzaakte hij een rel in Donaghadee, toen men hem het preken tegen de afvallige Ierse Presbyteriaanse Kerk wilde beletten en een andere keer viel hij ene Donald Soper in Ballymena aan, omdat die de maagdelijke geboorte van Christus loochende.

De kerk, die als wapen kennelijk een variant op het brandende braambos voert, met de slagzin „ardens, sed virens" (brandend, maar krachtig), bezit nu tal van (voor een deel nieuw gebouwde) kerkgebouwen en heeft een eigen theologische school, waaraan moderator Paisley kerkgeschiedenis doceert, ds. John Douglas ,,English Bible" (bijbelkennis?); ds. Bert Cooke de homiletiek of predikkunde en ds. Alan Cairns de theologie, waarmee hier blijkbaar de dogmatiek bedoeld wordt.

Geloofsartikelen

In „The Revivalist" — dat in dit nummer o.a. het motto „Christus voor Ulster" bevat — staan de acht geloofsartikelen van deze Noordierse kerk afgedrukt. Wij vatten ze samen. Er wordt in beleden de absolute autoriteit en goddelijke inspiratie der Schrift als Gods Woord, de volstrekte Drieëenheid van de Godheid, die nochtans één levende en waarachtige God is, de maagdelijke geboorte en het eeuwige Zoonschap en de Godheid van Christus en heiligmaking en het vervuld worden van de gelovige door de Geest om een getuige voor Christus te zijn.

Ook het plaatsbekledend lijden, de opstanding en de enige weg ter verlossing van Christus worden voluit beleden, evenals de beide sacramenten.

Bij de Doop tekent men echter aan, dat het Lichaam van Christus bitter verdeeld is over de wijze, waarop zij wordt toegepast. Omdat dit als een poging van de duivel moet worden beschouwd om dit éne Lichaam te scheuren, wordt uitgesproken dat ieder volwaardig lid van de Vrije Presbyteriaanse Kerk van Ulster de vrijheid zal hebben, zelf te beslissen, welke dooppraktijk (kinder- of volwassendoop) hij voor zichzelf wil aanvaarden. Maar ieder is ook gehouden, in liefde de inzichten van de broeders, die er anders over denken, te eerbiedigen.

Voor wat het H. Avondmaal betreft: het is, zo luidt artikel 6b, ingesteld ter gedachtenis aan 's-Heeren verlossingswerk.

Het doel ervan is, Gods kinderen te versterken en een zichtbaar onderscheid aan te brengen tussen de verloste mensen (redeemed) en de nog onwedergeborenen. Het H. Avondmaal wordt één maal per maand in elke gemeente gevierd, of— wanneer de plaatselijke gemeente hiertoe zal besluiten — heeft de viering nog vaker plaats (bijv. elke zondag, v. As).

De beide laatste artikelen belijden de zichtbare en persoonlijke wederkomst van Jezus Christus en er wordt bepaald, dat deze acht artikelen, samen met de Grote en KleineiCatechismus en de geloofsbelijdenis van Westminster, de kerkenordening en belijdenis (subordinate standards) van de Vrije Presbyteriaanse Kerk van Ulster uitmaken.

Manifest

In het Vrije Presbyteriaanse Manifest, dat in 1951 de scheuring met de (Ierse) Presbyteriaanse Kerk aankondigde en toelichtte, wordt na een uiteenzetting van de directe aanleiding tot de splitsing ook nader ingegaan op de theologische achtergronden van de nieuwe denominatie. Het blijkt dan, dat men zich keerde tegen de leeringen van prof. Davey — de rector — en diverse andere hoogleraren van de kerkelijke hogeschool, omdat deze o.a. de oude belijdenissen verzaken, de Godheid van Christus loochenen en de Schrift niet voor het onfeilbare Woord Gods houden.

In 1927 is wel in de Presbyteriaanse Kerk een leertuchtprocedure tegen ketterse opvattingen gevoerd, maar dat leidde niet tot een werkelijke ommekeer ten goede. Bovendien werd het erfgoed der Hervorming verloochend door het uitsteken van de vriendenhand naar de Roomsen, terwijl ook Unitarische predikanten (die de Drieëenheid ontkennen) werden toegelaten op Presbyteriaanse kansels. Het manifest roept de kerkleden op, uit te treden en te redden, wat waard is behouden te blijven. Laat de rest, als Sodom en Gomorrah, over aan de vlammen van Gods toorn en oordeel, zo heet het.

Welnu, aan die oproep is door heel wat kerkmensen gehoor gegeven en de kerk groeide. Zij is naar haar structuur en belijdenissen een kerk van de Gereformeerde hervorming, uiteindelijk teruggaand op Calvijns werk te Genève.

Wie zich dat realiseert, kan niet goed verklaren, hoe moderator Paisley dan toch kan belanden in het gezelschap van dr. Bob Jones II en een hele reeks Baptisten van allerlei slag en naam, inclusief Vrije Wil-Baptisten. In onze verslaggeving over het fundamentalistencongres in Edinburgh wezen wij meermalen op deze merkwaardige inconsequentie. Het is immers niet te loochenen, dat er heel wat kloven gapen tussen rechtzinnige Presbyterianen of Gereformeerden en de lieden, die Bob Jones rond zich vergaderd had.

Ook als wij erin verdisconteren, dat de Noordierse Vrije Presbyterianen blijkbaar geen dogmatische scherpslijpers zijn — zie hun opvatting over de dooppraktijken — en niet zoveel gemeen hebben met hun Schotse naamgenoten, dan nog zien wij niet duidelijk, dat Paisley en tal van zijn collega's zich onder de paraplu van Jones zo goed kunnen thuisvoelen als zij vele malen zeiden te doen.

Sterk versimpeld uitgedrukt: wie weet, hoeveel moeite men in de Chr. Geref. Kerken in Nederland binnen de diverse „vleugels" heeft met het ICCC-lidmaatschap, kan enigszins aanvoelen, dat zelfs de Noordierse Vrije Presbyterianen niet geheel „passen" in bedoeld fundamentalistisch kader.

Natuurlijk, er zijn raakvlakken, en de politicus Paisley heeft voor zijn Unionistische strijd in Ulster de ruggesteun van dit ,,wereldcongres" nodig, maar theologisch sluit het allemaal niet als een bus. De demonstraties van ds. Jack Glass uit Glasgow en zijn „Soevereine Genade"-Baptisten tegen wat hij ,,het verraad van Paisley" noemde bij het congres in Edinburgh, zijn mogelijk niet alleen maar slagen in de lucht.

In zijn „Scottish Protestant Vieuw" ging Glass fors tekeer tegen Paisley:

„Laat u niet door P. misleiden", heette het openingsartikel. Met veel documentatie toont Glass aan, dat Bob Jones en de zijnen niets moeten hebben van het Calvinisme, dat zij als een bedreiging zien voor het fundamentalisme. De kerkhistoricus George W. Dollar van de Bob Jones Universiteit keert zich vrij scherp tegen de ,,Vijf Punten" van het Calvinisme: de totale doodsstaat van de mens, de onvoorwaardelijke uitverkiezing, de „beperkte" verzoening van Christus, de onwederstandelijke genade en de volharding der heiligen. De meerderheid der fundamentalisten zou, aldus prof. Dollar, twee of drie punten ervan (over de verzoening, de onweerstaanbare genade en de uitverkiezing) zeker niet aanvaarden.

De citaten, die Glass ook geeft van Bob Jones II spreken hun eigen duidelijke taal: men komt hier toch gevaarlijk dicht in de buurt van de vrije wil-aanhangers. Uit Paisley's geschriften toont Glass aan, dat deze predikant „zijn eigen woorden opeet" en zich juist compromitteert met degenen, tegen wie hij in zijn boeken van leer is getrokken. In 1965 nog stelden Paisley, Brian Green en Jack Glass hun gezamenlijke Calvinistische Verklaring op, waarin onomwonden stelling werd genomen voor de grondregels der Geneefse hervorming. Paisley verzaakte zijn beginselen, zegt Glass, die in 1968 brak met de predikant uit Belfast.

Hij betoogt verder, dat diens nodiging ten Avondmaal opvallend Arminiaans is (geworden), dat de prachtige nieuwe kerk ter gedachtenis aan de mnrtelaren 'Paisley's kerk in Belfast) door Bob Jones is ingewijd, ddt Paisley ondanks zijn vroegere weigeringen om toe te treden tot de Oranje Orde of de Leerjongens van Derry — omdat daarvan ook onbekeerden lid zijn — nu toch een Leerjongen van Derry is en dat Paisley de voorname gast en huldigingsprediker was van de Amerikaanse theoloog John R. Rice, een verklaard tegenstander van het Calvinisme.

Op geen enkele wijze was Paisley in Edinburgh bereid, op deze kritiek in te gaan. Is ze dan toch zo terecht en onweerlegbaar?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.