+ Meer informatie

'Maastricht' een stap(je) naar één Europa

6 minuten leestijd

De Europese eenwording kenmerkt zich niet door sprongen vooruit. Het is een proces van kleine stappen. Daarover konden liet Franse staatshoofd en de elf regeringsleiders het na de top van Maastricht ongetwijfeld met elkaar eens zijn.

Ieder kon het resultaat van het overleg in een voor hemzelf succesvolle zin interpreteren. Voor de voorvechters van snelle eenwording, met Commissievoorzitter Delors voorop, zijn het weliswaar kleine, maar toch duidelijke stappen vooruit. De Britse premier Major, en mogelijk anderen met hem, zullen wel willen spreken van stappen vooruit, maar dan wel heel kleine.

Al met al kan niet worden ontkend dat in Maastricht koers gezet is naar verdere Europese eenwording. Ook de formulering in de teksten over „het tot stand brengen van een steeds hechtere unie tussen de volkeren van Europa", die in de plaats is gekomen van een „Unie met een federale structuur", wijst nog in deze richting. Dat wil overigens niet zeggen dat het schrappen van het woord „federaal" onder druk van Londen geen betekenis heeft. Integendeel, dat is duidelijk winst. Een federatie is een staatkundige structuur met een staatshoofd, een buitenlands beleid en zo voort en is daarmee principieel onderscheiden van een „Unie tussen volkeren".

EMU

De grote buit die in Maastricht is binnengehaald, is ongetwijfeld de Economische en Monetaire Unie (EMU). Tot grote tevredenheid van alle landen, behalve GrootBrittannië. De EMU is nu een bindend onderdeel van de verdragen en als een onomkeerbare doelstelling van economische en monetaire eenwording vastgelegd. Voor Frankrijk is daarmee een hoog doel bereikt. Het ziet ernaar uit dat men zich niet langer hoeft te voegen naar het Duitse monetaire beleid, maar dat men hierin medezeggenschap krijgt via de centrale Europese Bank. Vanaf 1 januari 1999 kan deze instelling, voor de landen die aan de gestelde eisen voldoen, van start gaan.

Voor de regeringsleiders gaf deze beslissing de minste problemen. Het was in hun ogen een logische verdieping van de economische samenwerking die in het oorspronkelijke verdrag al de centrale doelstelling was. En voor veel burgers is de invoering van één munt wellicht een voor de hand liggende maatregel in een markt die na 1992 geen economische grenzen meer kent.

Maar men moet niet gering denken over de machtsconcentratie die hiermee tot stand wordt gebracht. Het is niet alleen de vraag of het project binnen het overeengekomen tijdschema haalbaar is, gezien de financiële en economische toestand waarin de meeste lidstaten zich bevinden. Ook niet of de voorwaarden van toetreding uiteindelijk niet zó aangepast zullen worden, dat harde munten als de D-mark en de gulden kwaliteit gaan inleveren tegenover een zachte ecu.

Het belangrijkste is dat een EMU een stuwende kracht in het proces van verdere integratie zal worden, zoals dat nu het geval is met de interne markt. Zo'n financieel-economisch centrum zal zijn invloed ook naar andere beleidsterreinen uitbreiden.

EPU

Met het tot stand brengen van meer politieke eenwording is het Foto EPA heel wat moeizamer gegaan. Dat hoeft niet te verwonderen. Het is heel wat gemakkelijker om op het gebied van handel, economie en financiën tot samenwerking te komen dan op het terrein van de buitenlandse politiek. Hier hebben de lidstaten immers sterk uiteenlopende belangen. Ondanks druk van vooral Franse zijde om tot een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te komen, blijft het op deze terreinen ten principale bij de zogenaamde intergouvernementele samenwerking. Dat is vooral aan de Britse invloed te danken.

Toch gaat er in dit opzicht wel wat veranderen. Men blijft wel samenwerken op basis van gelijkwaardigheid en met unanimiteit beslissen, maar hierbij wordt er wel naar gestreefd vast te stellen over welke zaken met meerderheid kan worden beslist. De samenwerking wordt dus wel versterkt.

Ook op terreinen als justitie, het asielbeleid, de strijd tegen de drugs en internationale fraude blijft het bij nauwere samenwerking. Hierbij dient overigens te worden bedacht dat deze vorm van intergouvernementele samenwerking tussen de twaalf lidstaten gemakkelijk een voorportaal kan zijn van supranationale samenwerking. Te meer daar ook de Commissie en het Europese Parlement erbij worden betrokken. Het is dan ook niet zonder betekenis dat met betrekking tot het buitenlands en veiligheidsbeleid is overeengekomen de vorderingen en ervaringen in 1996 te „evalueren". Wellicht om dan alsnog een stap verder te gaan.

Verscheidenheid

Opmerkelijk is de betrekkelijk ruime aandacht die in de Verdragswijzigingen is besteed aan de culturele en regionale verscheidenheid. Met betrekking tot cultuurbeleid, onderwijs, welzijn en dergelijke had de EG tot nu toe nauwelijks bevoegdheden. Vanuit de oorspronkelijke doelstelling van het verdrag, namelijk economische samenwerking, is dat begrijpelijk. Met het voortschrijden van de interne markt blijkt echter steeds meer dat de welzijnssectoren, ten gevolge van de eenzijdige concentratie op de economie, gemakkelijk in de verdrukkingkomen.

In Maastricht is nu besloten om in de Verdragen ook een cultuuren onderwijsparagraaf op te nemen. Op zichzelf is het positief dat de eigen betekenis van deze en aanverwante beleidssectoren wordt erkend en dat de EG rekening moet houden met de gevolgen van haar beleid. De vraag is wel of de EG hiermee tegelijkertijd niet te veel invloed krijgt. Voor wat het onderwijs betreft, is bepaald dat de EG bijdraagt aan de ontwikkeling hiervan. Weliswaar moet ze dat doen „met eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs. de opzet van het onderwijsstelsel en de culturele en staatkundige verscheidenheid". Maar dat neemt niet weg dat de invloed van Brussel op deze sector is uitgebreid.

Hetzelfde geldt voor het cultuurbeleid en de volksgezondheid. Als het aan ons had gelegen, was expliciet bepaald dat bij het cultuurbeleid, het onderwijs, het mediabeleid en dergelijke niet alleen de nationale beleidsruimte wordt gerespecteerd, maar de nationale autonomie behouden blijft. Dat geeft een betere bescherming. Nu is het begrip subsidiariteit in het verdrag opgenomen. Dat betekent dat de EG slechts handelend kan optreden als de lidstaten daartoe onvoldoende in staat zijn. Dat heeft tot dusver tegen de bemoeienissen van de Commissie weinig bescherming geboden. Wij zijn er daarom niet gerust op dat, de beperkende formuleringen ten spijt, de Commissie zich toch niet in het nationaal eigene gaat begeven. De praktijk van de afgelopen jaren stemt bepaald niet optimistisch.

Meer snelheden

Opmerkelijk is het verschijnsel dat na 1992 een Europese eenwording met verschillende snelheden wordt geaccepteerd. Op sociaal gebied gaan elf lidstaten verder zonder Groot-Brittannië. Met de EMU zullen in 1999 waarschijnlijk alleen de meer welvarende noordelijke lidstaten mee kunnen doen. Voor de Middeneuropese staten kan dat een positieve ontwikkeling zijn. Zij kunnen in een Europa met meer snelheden wellicht eerder meedoen, zij het in een lagere versnelling.

Al met al heeft Maastricht een aanzet tot verdere Europese eenwording gegeven. De stappen zijn klein, de tegenkrachten worden ook sterker getuige de diverse terreinen die intergouvernementeel geregeld zijn. Maar de richting is ons duidelijk. Wat ons betreft geen aantrekkelijk perspectief. De auteur heeft zitting in liet Europees Parlement namens de fracties van SGP, GPV en RPF

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.