+ Meer informatie

Boterberg wordt alsmaar groter

Dalend binnenlands verbruik

5 minuten leestijd

In de Gemeenschap is het verbruik van boter met ongeveer 5% gedaald in 1976 tot 1.620.000 ton. Weliswaar neemt de export van boter en boterolie toe met 40.000 ton tot ongeveer 130.000 ton, maar dat kon niet verhinderen dat het gat tussen produktie en consumptie verder is toegenomen, aldus het Jaarververslag 1976 van de Bond van Coöperatieve Zuivelverkoop Verenigingen.

De interventievoorraden die aan het eind van 1974 nog „slechts" 140.000 ton bedroegen zijn via 160.000 ton eind 1975 gestegen tot 180.000 ton aan het eind van 1976, toen bovendien in particuliere opslag nog 80.000 ton aanwezig was.

Als oorzaken van deze toenemende onevenwichtigheid noemt het verslag de stijgende melkaanvoer gedurende het Ie halfjaar van 1976, die leidden tot een stijging van de iwterproduktie met 15%. Voorts het groter wordende prijsverschil tussen boter en margarine en de verminderde importbehoefte in Engeland.

Voortzetting

Gevreesd moet worden, aldus het verslag, dat deze ontwikkeling zich in 1977 zéd voortzetten. Van de toenemende melkproduktie in de Gemeenschap zal wederom een aanzienlijk deel worden aangewend voor de produkttie van boter, waardoor de stijging in 1977 zeker weer gelijk zal zijn . aan die in 1976. Indien geen ingrijpende maatregelen genomen worden, moet worden gevreesd dat de Gemeenschap binnen zeer afzienbare tijd weer met aanzienlijke overschotten zal worden geconfronteerd. Vooral dient de activiteit zich te richten op het handhaven van het verbruik binnen de Gemeenschap.

Wereldsituatie

De wereldproduktie van boter steeg in 1976 met 2%, de landen van het z.g. Oostblok buiten beschouwing gelaten. In de Gemeenschap bedroeg de toeneming zelfs 4%. Behalve in de Gemeenschap daalde ook in de Ver. Staten en Australië het boterverbruik aanzienlijk. De voorraden in de Gemeenschap, Noord Amerika, Australië en Nieuw Zeeland bedroegen per ultimo 1976 ongeveer 550.000 ton of 10% meer dan een jaar daarvoor.

Kaas

Nadat in 1975 de kaasproduktie in Nederland voor het eerst in een periode van 7 jaar iets gedaald was, steeg de produktie in 1976 met ongeveer 8000 ton tot 374.087 ton fabriekskaas. Er kon in 1976 op de binnenlandse makrt meer worden afgezet, terwijl ook de export groter was, waardoor aan het eind van het jaar de voorraden met ongeveer 52.000 ton een 60.000 ton kleiner was dan een jaar tevoren.

In de Gemeenschap en ook in Nederland steeg de consumptie, terwijl ook de smeltkaasindustrie meer kaas opnam, en bovendien de export naar landen rond de Middellandse Zee en Iran zich gunstig ontwikkelde. Niettemin bestond voor een groot gedeelte van het jaar de afspraak inzake een zekere beheersing van de produktie. Vooral door de hete zomer daalde de produktie.

In Nederland kwam in 1976 uit eigen produktie, inclusief kunstmelkpoeder rechtstreeks uit ondermelk bereid ongeveer 189.627 ton mager melkpoeder beschikbaar. Daarnaast werd ongeveer 197.000 ton ingevoerd aan ondermelk en karnemelkpoeder. Beschikbaar was dus ongeveer 390.000 ton.

In de sektor kalvermelk werd 229.000 ton afgezet, dat is 35.000 ton meer dan in 1975. Uitgevoerd werd 140.000 ton, inbegrepen een 85.000 ton die bij het Duitse interventiebureau werd ingeleverd. In het kader van de cautieregeling werd ongeveer 96.000 ton afgebet. De totale afzet bedroeg ongeveer 490.000 ton, dat is 100.000; ton meer dan uit produktie en invoer beschikbaar kwam. Daardoor daalden de voorraden tot 74.000 ton aan het eind van 1976. Daarvan lag ongeveer 47.000 ton bij het interventiebureau.

Kunstkalvermelk

In 1976 werd 414.000 ton kunstkalvermelk geproduceerd, dat is 7000 ton minder dan in 1975. De export steeg met 8000 tontot ongeveer 135.000 ton. De binnenlandse afzet daalde tot 268.000 ton, of ongveer 10% beneden de afzet in 1975. Daarbij moet rekening gehouden worden.dat er ook een produkt op de markt wordt gebracht dat niet onder de subsidieregeling valt. Dit produkt, voornamelijk bestaande uit weipoeder wordt gemengd met kunstkalvermelk met een verplicht gehalte aan mager poeder van 50%. Hiervan werd in 1976 naar raming ongeveer 50.000 ton geproduceerd, in !977 zal dat zeker het dubbele zijn. Dat gaat ten nadelb van de afzet van mager melkpoeder. Voorts dient men rekening te houden met een toenemende afzet aan kunstmelkproduktie, die in het geheel geen zuivel bevatten.

Gemeenschap

In de Gemeenschap is het verbuik van mager melkpoeder met 40% geste^gen van 1.248.000 ton tot 1.755.000 ton, dit vooral door EEG-maatregelen, als de cautieregeling. Overigens was er in 1976 zeker nog geen sprake van een herstel van het evenwicht op de markt voor mager melkpoeder. Als maatregel om daargoe te komen wil de Europese Commissie de teruglevering van natte ondermelk, voor de varkenshouderij, stimuleren, en daarmee niet gelijke mogelijkheden te scheppen voor mager poeder.

Voorgesteld is de interventiemogelijkheden voor mager poeder te beperken tot hen die geen jaarcontracten met varkensmesters afsluiten voor levering van vtoeibare ondermelk. Dat betekent een tomen aan de interventiemogelijkheden en daarmee aan de gemeenschappelijke marktordening voor Zuivel. Slechts dan wanneer de prijs van mager melkpoeder kan concurreren met die van soja en andere eiwithoudende grondstoffen, zullen de voorraden in de wereld tot een meer normaal peil teruggebracht kunnen worden. Pas daarna is een herstel op de wereldmarkt van de handel in en de prijzen van mager melkpoeder mogelijk. In 1976 bedroeg het aandeel de deelgenoten van de Bond 78,6% de landelijke produktie. Bij kaas is van van dat 68,5% van de nationale produktie en 57,3% van de produktie van melkpoeder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.