+ Meer informatie

ENKELE OPMERKINGEN OVER DE KERKELIJKE TUCHT

6 minuten leestijd

Kerkeraden en ambtsdragers komen van tijd tot tijd in aanraking met wat in de titel van dit artikel genoemd is de kerkelijke tucht. Onze kerkorde spreekt „van de censuur en kerkelijke vermaning”. Dat is een onderwerp met veel voetangels en klemmen.

Want de oefening van de kerkelijke tucht is geen gemakkelijke zaak. In de eerste plaats is het bijzonder verdrietig dat het soms nodig is om de kerkelijke tucht metterdaad te oefenen. In de tweede plaats is er soms een neiging zich zo enigszins mogelijk van de tucht te onthouden. Men mag niet generaliseren maar een ervaring van vele jaren heeft mij wel geleerd dat men in het algemeen niet haastig de kerkelijke tucht ter hand neemt. Op zichzelf is dat een goede zaak. Toch mag niet vergeten worden dat dit geen uiting van slapheid mag zijn.

Artikel 29 van de geloofsbelijdenis zegt dat één van de merktekenen om de ware kerk te kennen is „zo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen”. En de belijdenis zegt dat natuurlijk niet zomaar. Achtergrond van dit belijden is wat de Heilige Schrift in dezen zegt en van ons vraagt. Toegegeven moet worden dat de praktijk niet altijd eenvoudig is. Wie over de kerkelijke tucht nadenkt, moet voor zichzelf tal van vragen beantwoorden. We noemen er enkele.

Wat bedoelt de kerkelijke tucht? Waarom passen we haar toe? Wat is de aanleiding tot het oefenen van de tucht? Zijn we eerlijk als we bepaalde zonden direct tuchtwaardig achten maar andere, zoals b.v. zonden tegen het vierde gebod in de praktijk anders be-naderen dan bepaalde zonden tegen de tweede tafel van de wet des Heren?

Uit artikel 71 van de kerkorde is zonder meer duidelijk dat de kerkelijke tucht niet dient om een zondaar zonder meer uit de gemeente te bannen maar om hem met de kerk en zijn naaste te verzoenen. We lezen immers in dit artikel: „Gelijk de christelijke tucht geestelijk van aard is en niemand van de burgerlijke rechtspraak en de straf van de overheid bevrijdt, zo is naast de burgerlijke straf ook de kerkelijke tucht nodig om de zondaar met de kerk en zijn naaste te verzoenen en de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen”.

De kerken voortgekomen uit de Reformatie hebben in het voetspoor van Calvijn steeds gesteld dat de kerkelijke tucht drie doeleinden heeft. En wel: ten eerste de eer Gods; ten tweede het heil der gemeente; en ten derde de behoudenis van een zondaar.

De diepste drijfveer moet derhalve altijd zijn de eer van God. Het mag nimmer gaan om zondaren te treffen maar om God, de Here in Zijn heilige eisen te eren. Door de zonde wordt de eer van God aangetast en daarom mag de zondaar niet ongestraft blijven.

Nauw daaraan verbonden is de heil der gemeente. Als de zonde niet wordt tegengegaan, woekert zij voort en wordt de indruk gewekt dat de zonde eigenlijk geen kwaad is.

Bovendien komt de gemeente door het verwaarlozen van de tucht onder het oordeel Gods. Als de kerk openbare zondaren toelaat tot het Heilig Avondmaal wordt het ver-bond Gods ontheiligd en komt Zijn toorn over heel de gemeente.

Nimmer mag ook vergeten worden dat de tucht medisch van aard dient te zijn. Dat wil zeggen dat het doel altijd moet zijn om de zondaar af te brengen van de zonde en hem te bekeren en te genezen. Vaak wordt in dezen onderscheid gemaakt tussen de zondaar en de zonde. Om de bedoeling van de tucht te verduidelijken kan deze onderscheiding gemaakt worden, al kan men er terecht bezwaar tegen maken want de zonde staat nooit los van de zondaar. De wereldlijke rechter is geroepen om de wrekende gerechtigheid te handhaven maar in de kerk zal de liefde van Christus betracht moeten worden. Zal altijd gezegd moeten worden dat er vergeving is bij de Here God in Christus Jezus. Met andere woorden: de liefde zal mede drijfveer moeten zijn bij de tuchtoefening.

Dit wil natuurlijk niet zeggen dat gezien vanuit de liefde de hand gelicht mag worden met de ernst van de zonde. Het betekent wel dat we een zondaar christelijk hebben te benaderen zoals de Here Jezus dat heeft gedaan. Jezus ging nimmer over de zonde heen maar in de benadering van de zondaar brandde Zijn liefde om de zondaar te redden. Wij zullen goed doen dit alles te bedenken en in praktijk te brengen.

Wie de kerkorde goed leest voelt ook iets van het betrachten van de genoemde drie be-doelingen van de tucht. Vandaar enerzijds b.v. bij de censuur over de leden van de ge-meente het duidelijk stellen van de strafwaardigheid van de zonde en anderzijds het geduld dat betracht dient te worden om een zondaar terug te brengen en te bekeren. Vandaar ook dat er niet alleen een artikel is dat spreekt over de ban maar ook een over de wederopneming in de gemeente.

Wel lijkt het dat in de kerkorde de ambtsdragers een veel kwetsbaarder positie hebben dan de gemeenteleden die geen bijzonder ambt hebben. Het kan ook niet ontkend worden dat dat metterdaad zo is. Want bij openbare grove zonden treft hen niet alleen de censuur die elk gemeentelid treft die een dergelijke zonde begaat, maar hun ambt komt onmiddellijk in het geding. Het wordt hun ontnomen al zijn er bepaalde zekeringen ge-maakt dat er niet lichtvaardig gehandeld wordt. Dat laatste is een goede zaak maar het neemt niet weg dat zij veel dieper getroffen worden dan een gemeentelid dat voorwerp is van kerkelijke tucht. Dat zal samenhangen met hun positie als ambtsdragers. Zij hebben naar de Schrift voorbeelden te zijn van de gemeente en zij dragen daarom een gro-te verantwoordelijkheid. De Koning der kerk mag om hunnentwil niet gesmaad en ge-lasterd worden.

Van hieruit is het ook te begrijpen dat men uitermate voorzichtig is geweest wanneer het er om gaat een dienaar des Woords in het ambt te herstellen. In onze kerkorde is daarover geen artikel. Wel worden na de tekst van artikel 80 enkele synodebesluiten vermeld. Zowel in 1885 als in 1947 is gezegd dat herstelling in het ambt van afgezette predikanten niet dan met de grootste omzichtigheid en met voorkennis en goedkeuring van de particuliere synode mag geschieden.

Wanneer men dan nagaat welke maatstaven de kerkelijke vergaderingen hebben aan te leggen stuit men steeds weer op de uitspraak dat herstel alleen kan geschieden zonder dat er schade door ontstaat voor de zaak des Heren. Nu is dit een bijzonder brede uitspraak waaronder heel veel kan worden samengevat.

We laten dat rusten, maar wijzen er wel op dat de kerken der Reformatie in hun uit-spraken in dezen grote voorzichtigheid en omzichtigheid betracht hebben. Zij hebben nimmer gezegd herstelling in het ambt is onmogelijk (hoewel bepaalde kerken in het buitenland een dergelijke uitspraak wel eens gedaan hebben) maar zij hebben daarbij wel bedacht en dat ook uitgesproken dat de eer des Heren hierbij in geding is.

Aan een zaak als deze zitten vele facetten die één voor één overwogen moeten worden. Men zal met de ernst van de zonde rekening moeten houden. Men mag met de eisen des Heren niet lichtvaardig omgaan.

Anderzijds hebben de kerken de mogelijkheid van herstel opengehouden maar dan on-der zeer, zeer bepaalde voorwaarden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.