+ Meer informatie

Kamer hield zich Oostindisch doof

Sociale partners maakten kroonleden in SER en SVr machteloos

4 minuten leestijd

DEN HAAG - De laatste verhoren door de parlementaire enquêtecommissie hebben een nieuwe beklaagde aan het rijtje toegevoegd: de Tweede Kamer. De Fol van de Kamer komt in een later stadium van de verhoren nog uitgebreid aan de orde, maar nu is al wel duidelijk dat de Kamer zich doof heeft gehouden voor de alarmsignalen dat het fout ging met de wao.

Afgelopen woensdag legde prof. dr. C. K. F. Nieuwenbuig aan de enquêtecommissie uit dat hij nul op het rekest kreeg bij vooraanstaande kamerleden als Rietkerk en De Koning. In de wandelgangen sprak hij hen aan over de wao die uit de hand dreigde te lopen, maar dat heeft nooit effect gehad, bij voorbeeld in de vorm van vragen aan de minister. Zijn collega prof. dr. D. J. Wolfson zei dezelfde ervaring te hebben. Volgens hem sprak iedereen over de ontwikkelingen in de wao, ook politici, maar geen enkel kamerlid ondernam enige actie.

Nieuwenburg, die zelf kroonlid was van de Sociaal-Economische Raad (SER) en van de Sociale Verzekeringsraad (SVr), kreeg van zijn collega-raadsleden evenmin enige medewerking. Beide organen bestaan voor twee derde uit werkgevers en werknemers en deze hielden elk initiatief op het gebied van de sociale verzekeringen tegen. Wolfson, al sinds 1982 kroonlid van de SER, kon deze praktijk bevestigen. Volgens hem is de star afwijzende houding van de sociale partners grotendeels te verklaren uit de „enorme belangen" die voor hen op het spel stonden. Het was een tijd van toenemende werkloosheid en de sociale partners wilden daarom hoe dan ook hun vaste greep op de uitvoering van WW, wao en Ziektewet behouden.

Machtspositie

Hoe groot de machtspositie van werkgevers en werknemers in de wereld van de sociale verzekeringen is, blijkt onder meer uit het feit dat de SVr in 1976 vrijwillig zijn coördinerende taak heeft afgestaan aan de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV), die geheel in handen van werkgevers en werknemers is. De afspraak was dat de FBV de coördinatie zou doen -nota bene een wettelijke taak van de SVr- en dat de SVr alleen zou ingrijpen bij „gebleken discoördinatie". Nieuwenhuis ontkende overigens dat de SVr de macht had om daadwerkelijk in te grijpen. „Zo eenvoudig lag dat niet. Je kon alleen door praten wat recht proberen te trekken". Bij problemen tussen de Bedrijfsverenigingen en de SVr stonden de kroonleden van de SVr machteloos. In de Bedrijfsverenigingen zaten dezelfde werkgevers en werknemers als in de raad, zodat de zaken helemaal voorgekookt konden worden in informeel overleg, waar de kroonleden buiten stonden. Bij concrete problemen zeiden de sociale partners in de SVr al snel: ,X)at zullen wij wel even opnemen met onze mensen. Dat gaat beter, want zij spreken onze taal". Daarop kwam dan een rapport, maar volgens Nieuwenhuis kon geen enkel kroonlid van de SVr beoordelen of de inhoud wel juist was en of er niets vras achtergehouden. Hijzelf had in elk geval wel vaak „het gevoel" dat er zaken geheim werden gehouden voor de kroonleden.

Onafhankelijk

De pretenties van sociale partners in de SVr strekte zich zo ver uit dat Nieuwenhuis wel telefoontjes ontving hoe hij de volgende dag zou moeten stemmen. Dat deden zowel werkge, vers als vakbondsmensen. Zij brachten ' hem dan subtiel nog eens onder ogen hoe fout de zaken zouden lopen als hij zus of zo zou stemmen. Nieuwenhuis: „Dat was niet ongebruikelijk. Mijn reactie was altijd heel formeel. Zij hebben mij nooit overtuigd".

De praktijk bij de SER was al niet veel beter, zo blijkt uit de verhoren van Wolfson en Nieuwenbuig. Al in 1981 had staatssecretaris De Graaf van sociale zaken advies gevraagd over de uitvoering van de sociale verzekeringen. Toen dat advies in 1984 gereed was, zat daar geen onafhankelijk toezicht in, want dat wilden de sociale partners absoluut niet. Wolfson heeft toen geprobeerd het advies te veranderen, in die zin, dat er wel een onafhankelijk toezicht moest komen. Er waren echter nauwelijks medestanders in de SER en zo werd Wolfson in feite door de sociale partners tot de aftocht gedwongen.

In de sector van de sociale verzekeringen worden de kroonleden veelal niet eens bij de feitelijke besluitvorming betrokken. Het vooroverleg tussen werkgevers en werknemers vindt dan plaats in de Stichting van de Arbeid, waar geen derden bij aanwezig zijn. Gewapend met een akkoord komen de sociale partners dan vervolgens naar de vergadering van de SER, en de kroonleden hebben het nakijken. Noodgedwongen leggen zij zich daar bij neer. „Als werkgevers en werknemers elkaar geheel gevonden hebben, dan is de animo om met een eigen standpunt te komen in het algemeen gering", aldus Wolfson.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.