+ Meer informatie

KERKELIJK WERKER IN DE PRAKTIJK

8 minuten leestijd

Met schroom voldoe ik hierbij aan het verzoek van de redactie om iets te verteilen over de praktijk van kerkelijk werker zijn. Aangezien ik in de achterliggende jaren het luisteren naar anderen als belangrijkste element van mijn werk gezien heb, is het schrijven daarover niet mijn sterkste kant.

Eind 1986, begin 1987, gaf ds. M.C. Tanis aan dat het werk in de gemeente hem boven het hoofd ging groeien en dat er ondanks zijn gestructureerde manier van werken zaken bleven liggen, vooral op het pastorale vlak. De gemeente, toen Sliedrecht-C en inmiddels Sliedrecht Beth-El, telde op dat moment rond de 1900 leden. Ds. Tanis diende de gemeente sinds augustus 1969, en de gemeente was in de periode tot 1986 met ruim 350 leden gegroeid. Het kerkgebouw was daarop aangepast door twee verbouwingen, maar de mankracht was gelijk gebleven. Hoe verder?

In juni 1987 stelde de kerkenraad aan de gemeente voor om naast ds. Tanis een pastorale werker te benoemen. Gegeven het feit dat het kerkgebouw groot genoeg was en er daardoor maar één preekplaats beschikbaar was, gaf de kerkenraad unaniem aan het pastoraat de prioriteit. Binnen die kerkenraad had ik vanaf maart 1973 een plaats gekregen. Eerst een aantal jaren als diaken, later als ouderling. Vanaf de avond dat op de kerkenraadsvergadering het besluit genomen was om geen tweede predikant te beroepen maar naar een pastorale werker uit te zien, werd de noodzaak van dat werk mij zo op het hart gebonden dat het mij duidelijk werd dat de Here mij daar persoonlijk toe riep. Mijn eerste reactie was schrik en verzet. Ik achtte mijzelf niet bekwaam om dat werk te kunnen doen en daarbij ontstond een groeiende weerstand tegen het opgeven van mijn maatschappelijke functie. De financiële consequentie speelde daarbij een belangrijke rol. Na een aantal weken krampachtig zwijgen, kwam op een avond, nadat ik met een ambtsbroeder een gesprek met een belijdeniscatechisant gehad had, de doorbraak en heb ik mij uitgesproken over de roeping die mij bezighield. Er volgden gesprekken met mijn vrouw, met ds. Tanis en de kerkenraad. In die volgorde! Mijn vrouw was degene die mijn zorg over de financiën wegnam. De andere gesprekken verliepen positief. Het gevolg was het bovengenoemde voorstel aan de gemeente in juni 1987. De gemeente nam het voorstel aan en ik werd diezelfde avond op voordracht van de kerkenraad door de gemeente benoemd.

Vanaf 15 september 1987 mocht ik het werk beginnen. Aan mijn werk in de techniek was een eind gekomen. Ik had daar de leiding over de tekenkamer scheepsbouw en de staffunctie op een middelgrote scheepswerf aan een collega mogen overdragen. Een grote overgang, in meer dan één opzicht. Na jaren leidinggeven aan een team, nu naast een ervaren predikant die al 34 jaar gewend was om alleen het werk in de gemeenten te doen. Hoe zou dat gaan? De werkopdracht was heel breed. Ds. Tanis gaf het zo aan: Alleen preken mag je niet, maar verder delen we het werk samen.’ Onder preken werd ook het leiden van begrafenissen verstaan. Zonder dat er sprake was van een wijkindeling overlegden we wie wat deed in pastoraat en catechese. Tot de komst van ds. J.P. Boiten in juni 1995 heb ik dus samen met ds. Tanis op genoemde manier mogen werken. Ik denk aan die periode met veel genoegen terug. Het leeftijdsverschil van 10 jaar was te klein om hem als vader te zien; zijn directe, soms kortaf reageren in bepaalde omstandigheden, zorgde ervoor dat ik hem niet op een voetstuk plaatste. Maar wat heb ik veel mogen opdoen onder zijn prediking. En ik deed nooit tevergeefs een beroep op hem als ervaren collega om advies in probleemsituaties.

Een overgang ook van een keiharde maatschappelijke zondige samenleving naar het werken in de beschermde ‘refo’-omgeving van Sliedrecht-C. Jawel, maar tegelijk een zondige gemeente, waarin dezelfde problemen voorkwamen. Ik heb ervaren dat mijn functioneren in militaire dienst en in de techniek daarin ook vormend geweest zijn voor het pastoraat dat ik nu mocht gaan doen.

Een overgang ook van teamwork naar veelal solistisch bezig zijn in gesprekken. De uren catechisatie met groepen jongeren vormden daar weer een compensatie voor.

Bij dit alles kwam ook het oppakken van de studie. Zoals ik jaren gewend was toen ik techniek leerde, overdag werken en ‘s avonds en zaterdag naar school, moest ik nu op 47-jarige leeftijd opnieuw in dat patroon. Vijf jaar studie godsdienstleraar-II gecombineerd met de pastorale variant aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Bond. Het feit dat ik de achterliggende jaren veel gelezen had en met weinig slaap toe kan, maakte die studie niet al te zwaar. Tegelijk is het totale pakket van studie, als man en vader van een gezin met zeven kinderen, ouderling en een dagtaak in het pastorale werk, best complex. De sociale contacten in familie- en privésfeer werden in die tijd door mijn vrouw en de kinderen onderhouden.

Ouderling, dat was ik gebleven. Sinds 1988 staat daarom in het Jaarboek bij de gegevens van Sliedrecht-C: ouderling voor bijstand pastoraal werk P. de Jong. Daar hoorde ook het periodieke aftreden en herverkiezen bij. Ik heb dat nooit als een be-dreiging ervaren, mijn roeping was zo duidelijk geweest, dat ik ervan overtuigd was en ben dat het de continuïteit van het werk niet in gevaar bracht. Alle keren ben ik bij acclamatie herkozen. Of het arbeidsrechtelijk correct is, is een andere zaak.

Vooruitdenkend aan het komende emeritaat van ds. Tanis werd in 1995 ds. Boiten beroepen en ontstond er met zijn komst een nieuwe werksituatie. De gemeente, die verdeeld is in tien huisbezoekwijken, kreeg een hoofdverdeling van Oost- en Westwijk resp. ds. Tanis en ds. Boiten. En als onderverdeling van het pastoraat 30% per predikant en 40% voor de pastorale werker. Vanaf dat moment had ik dus een afgebakend werkveld, deels in de Oost- en deels in de Westwijk. De catechese deelden we. Een nieuwe situatie, ook in de overlegsfeer met twee predikanten.

Nadat ds. Tanis in februari 1999 met emeritaat ging, kwam er opnieuw een wijziging. De verdeling van het pastoraat werd, zolang de gemeente een vacature kende, voor de Westwijk ds. Boiten en voor de Oostwijk de pastorale werker. De catechisa-ties werden door beiden gegeven. Dit was wat het totale pakket betreft vergelijkbaar met de jaren met ds. Tanis, alleen nu met een duidelijke wijkverdeling. Deze situatie heeft bestaan tot de komst van ds. Van der Zwan in november 2002.

We gingen toen terug naar de eerdere werkverdeling met twee predikanten. Ds. Boiten kreeg nu de Oostwijk, ds. Van der Zwan de Westwijk. Pastorale verdeling 2× 30%, l× 40%. De catechese werd verdeeld door beide predikanten. Het ziekenhuisbezoek werd door de drie pastores per week afwisselend gedaan over alle gemeenteleden. Tot mijn 65e verjaardag (24 oktober 2004) hebben we zo gewerkt. Daarna heb ik nog twee dagen per week pastoraal werk gedaan, verdeeld over beide wijken.

Als ik terugkijk op deze jaren flitsen er enkele gedachten door mijn hoofd. Mag ik ze, misschien wat willekeurig, op papier zetten?

Voor kerkelijk werk als dagtaak in een reguliere gemeente is van belang:

- een duidelijke roeping van de Here is nodig. Dat is weliswaar een andere roeping dan die voor predikant. Het moet daarom ook onderscheiden blijven ten opzichte van scholing en ervaring. Het is geen automatische tussenstap naar het predikantschap;

- het staan in het ambt is vereist, zeker als het pastoraal werk betreft. Het behoren bij een gemeente en het kennen van de gemeente, geeft daardoor een laagdrempeligheid die het kenbaar maken van problemen en het vragen om hulp vergemakkelijkt;

- er moet bij voorkeur gedacht worden aan wat oudere, ervaren ambtsdragers.

- zeker in een grotere gemeente is een taakverlichting voor de predikant(en) gewenst;

- de morele en praktische steun van de echtgenote is van groot belang

- de bereidheid tot samenwerken is een vereiste.

Over de arbeidsrechtelijke kant van het kerkelijke werk zal verder nagedacht moeten worden.

Kerkelijk werk mag niet alleen maar maatschappelijk werk binnen de kerk zijn.

Bij het terugzien overheerst dankbaarheid. In alle gebrek is het werk gedaan, maar tegelijk in de wetenschap dat er verschillende gemeenteleden geholpen mochten worden. Daarin niet in de eerste plaats denkend aan de uitwendige hulp, maar vooral in de diepe pastorale zin … wijzen naar de grote Pastor, de Goede Herder, de Here Jezus Christus, als de Zaligmaker, die gekomen is om zondaren te redden van een eeuwige ondergang. Om juist in uitzichtloze zorgen en problemen samen biddend daarop te mogen pleiten. Om bij zieken samen te zoeken in het Woord van God naar woorden die aansluiten bij de situatie van het moment. Om verdriet te ervaren met anderen, te delen en in het gebed voor de Here ook uit te spreken. Om bij verstoorde relaties te zoeken naar de lichtpuntjes om het contact weer op gang te krijgen. Om bij langdurige therapie er op regelmatige momenten te zijn … om te luisteren … om soms alleen maar ja of nee te knikken en voorzichtig blij te zijn bij een stap vooruit. En om er ook weer te zijn bij twee stappen achteruit … samen bedelen om vastgehouden te worden … strijd te strijden. Dan waren er heel moeilijke omstandigheden waarin de hulp van de Here ervaren mocht worden. Dat maakt je klein!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.