+ Meer informatie

„Een soort nieuw licht en leven”

10 minuten leestijd

De Rotterdamse predikant Wilhelmus à Brakel wilde christenen die in aanraking kwamen met „nieuw licht en leven geestelijk leidinggeven. Daarvoor nam hij contact op met de Duitse lutheraan August Hermann Francke.

Op 25 april 1702 stuurt de Rotterdamse gereformeerde predikant Wilhelmus à Brakel een Latijnse brief aan een –nota bene– lutherse predikant uit het Duitse Halle an der Saale, August Hermann Francke. Deze en nog een andere brief heb ik enkele jaren geleden in het archief van de Franckesche Stiftungen in Halle gevonden. Met hulp van studenten van het vak Reformatiegeschiedenis dat ik aan het Hersteld Hervormd Seminarie geef, heb ik de brieven en andere relevante bronnen geanalyseerd.

Francke stond in Duitsland bekend als „piëtist.” Deze spotnaam had hij ontvangen doordat hij in Leipzig gezelschappen voor vromen had georganiseerd. Later zette hij in Halle een onderwijs- en weeshuiscomplex op waar kinderen werden onderwezen in de Bijbel en de dienst van de Heere.

Aanloop

In zijn brief neemt A Brakel een aanloop voordat hij bij de kern uitkomt. Hij prijst Francke voor diens ijver en wijsheid bij het opzetten van het schoolcomplex in Halle.

Vervolgens schrijft A Brakel dat hij erg blij is dat Francke zozeer zijn eigen opvattingen deelt. A Brakel heeft namelijk begrepen dat Francke instemt met de Marburgse artikelen die na afloop van het godsdienstgesprek in de genoemde Duitse stad in 1529 waren opgesteld. A Brakel noemt in het bijzonder artikel 3 (over de leer over Christus), artikel 9 (over de doop) en artikel 14 en het onderscheid daarin. Omdat er in artikel 14 geen onderscheiding voorkomt en in artikel 15 wel, zal A Brakel het laatste artikel hebben bedoeld.

In artikel 15 gaat het over de avondmaalsleer, het belangrijkste strijdpunt tijdens het godsdienstgesprek. Tijdens de bijeenkomst zou Maarten Luther namelijk voor de ogen van Huldrych Zwingli op tafel hebben geschreven: „Dit is Mijn lichaam.” Met andere woorden: Christus is lichamelijk in de elementen van brood en wijn aanwezig! Zwingli en zijn medestanders waren echter van mening dat Christus niet lichamelijk in het avondmaal aanwezig is, maar dat het avondmaal alleen ter gedachtenis aan Christus plaatsvindt.

In deze discussie speelden allerlei aspecten een rol. Voor Luther was God immanent, dat wil zeggen: Hij is in de kerk, het Woord en de sacramenten opgenomen. Voor Luther was het een troost dat Christus tijdens het avondmaal zo nabij was dat hij Hem met zijn tong kon proeven. Voor Zwingli daarentegen oversteeg God het materiële. Achter deze visies zit een verschil in filosofisch-theologische denkrichting. De reformator Martin Bucer nam een middenpositie in tussen Luther en Zwingli. Hij stelde dat Christus werkelijk aanwezig is in het sacrament, maar „op de manier van de Heilige Geest.”

Trappen van leven

Terug naar A Brakels brief. Het vervolg daarvan laat vermoeden dat hij op de volgende zinsnede uit het Marburgse artikel 15 doelt: „dass auch das Sakrament des Altars sei ein Sakrament des wahren Leibs und Pluts Jesu Christi, und die geistliche Niessung desselbigen Leibs und Pluts einem jeden Christen furnehmblich von notten” (dat het sacrament van het altaar een sacrament van het ware lichaam en bloed van Jezus Christus is en dat het op geestelijke wijze nuttigen ervan voor ieder christen voor alle dingen nodig is). Daarmee wordt zowel aan Luther als aan Zwingli en Bucer recht gedaan: met de eerste uitspraak –brood en wijn als sacrament van het ware lichaam en bloed van Christus– aan Luther en Bucer, met de tweede –over het geestelijke gebruik– aan Zwingli en Bucer.

A Brakel komt in zijn brief aan Francke in de buurt van Bucer. Hij schrijft dat het hem veel deugd doet om te weten dat Francke „met de broeders van Marburg” (cum Fratribus Marpurgensibus) stelt dat het belangrijkste in het avondmaal het eten van Christus’ lichaam is, namelijk het aanvaarden van Christus en Zijn verdiensten door het geloof en met vertrouwen.

A Brakel geeft een vrije omschrijving van het genoemde artikel 15. De zinsnede over het sacrament van het ware lichaam en bloed van Christus werkt hij om tot „het eten van Christus’ lichaam” –dit klinkt bijna luthers!– maar vervolgens legt hij dit uit. Hij noemt niet alleen Christus –dat zou Luther doen– maar ook Zijn verdiensten en de manier waarop die aanvaard woorden – door het geloof en met vertrouwen. Daarmee komt A Brakel in de buurt van Bucer. Hij hoopt dat Franckes lutherse collega-predikanten hem in zijn opvatting over de avondmaalsleer zullen volgen: „Kwamen al de uwen maar zover!”

Naast de overeenkomst in de leer is er nog een tweede punt dat A Brakel tot grote vreugde stemt: Francke laat zijn kennis gepaard gaan met een bijzondere godsvrucht. Dat is in deze tijd een zeldzaam verschijnsel onder geleerden en professoren, aldus A Brakel. Van deze godsvreze getuigen Franckes geschriften, alsook „de verzameling van verscheidene praktikale schrijvers”, zo schrijft de Rotterdamse pastor.

Deze collectie is uit andere talen vertaald. A Brakel heeft dat van Friedrich Breckling, een afgezette lutherse predikant die op dat moment in Den Haag woonde, vernomen. Deze deelde hem ook mee dat zich in deze verzameling ”De trappen des geestelijken levens” van wijlen zijn vader Theodorus à Brakel bevindt.

Uit ons onderzoek blijkt dat A Brakel met deze verzameling van „praktikale schrijvers” het boek ”Das Leben der Gläubigen” (1701) van de Duitse lutherse predikant Gottfried Arnold bedoelt. Het verscheen in 1701 te Halle in de tot Franckes weeshuis behorende uitgeverij. In het werk zijn bekeringsgeschiedenissen van vromen van de middeleeuwen tot en met de zeventiende eeuw opgenomen. De personen waarvan Arnold in zijn boek een levensbeschrijving gaf, waren voor hem de „stillen in den lande” (Ps. 35:20). Deze zette hij af tegen het instituut van de kerk, dat in zijn ogen in verval was. Arnolds boek bevat bijvoorbeeld een levensbeschrijving van de Italiaanse franciscaanse non Angela de Foligno (1248-1309). Zij zou via allerlei visioenen en via de trappen van reiniging en verlichting tot eenwording met God zijn opgeklommen. In Arnolds werk is echter ook de beschrijving van Theodorus à Brakels –de vader van Wilhelmus– omgang met God door het gebed en het overdenken (mediteren) van de Bijbel, met name van het verzoenend werk van Christus, opgenomen. Via gebed en meditatie kwam A Brakel sr. in de loop van zijn leven tot een innigere geestelijke band met de Heere. Hij noemde dit de trappen van het geestelijke leven.

Kern

A Brakel is inmiddels bij de kern aangekomen. Als lezer voel je al aan dat er voor een rechtzinnige gereformeerde predikant als A Brakel ten aanzien van ”Das Leben der Gläubigen” iets wringt. Een ervaring die gebaseerd is op visioenen en mystiek en een ervaring die gebaseerd is op het Woord – hoe kan dit samengaan? Dit is precies de vraag die A Brakel aan Francke stelt. Kennelijk houdt hij Francke verantwoordelijk voor de uitgave van Arnolds boek. A Brakel verbaast zich erover dat in de verzameling van levensbeschrijvingen ketterse met rechtzinnige personen vermengd worden. „Wat heeft het licht met de duisternis gemeen?” zo vraagt hij.

A Brakel vervolgt dat er enkele jaren geleden, met name in Duitsland, „een soort nieuw licht en leven” is ontstaan „onder de naam van piëtisten en mystieken.” Aanvankelijk verheugde hij zich daarover, omdat hij de vreze des Heeren hoogacht. Hij heeft onderzocht wat de inhoud van dit nieuwe licht was en wat voor soort mensen er zich bij aansloten.

Het resultaat van zijn onderzoek was vrij negatief: „Het kwade [was] vermengd […] met het goede en het goede met het kwade, en daarom keur ik niet alles af, maar ik keur ook niet alles goed.” Er zijn ketters, zo schrijft de Rotterdamse pastor, en scheurmakers onder, mensen die geen kennis hebben van de waarheid van het Evangelie en die de liefde tot de waarheid hebben laten varen, maar ook ware vromen. „Hoe verhevener de indruk is die hun religie maakt, des te meer wijkt ze af van de eenvoud die in Christus Jezus is, en komt zij in de buurt van een natuurlijke vroomheid, waarin ook sommige heidenen uitblinkers geweest zijn.” Zelf heeft A Brakel lang geleden ook wel mystieke schrijvers gelezen, maar –zo bekent hij– tot zijn schade. Hij dankt God dat Hij hem uit die strikken heeft verlost.

Dan volgt een zin waaruit de diepste motieven van A Brakel blijken: „Ik ben van oordeel dat er iets gedaan moet worden om de vromen op de rechte weg te houden en te leiden.” Om die reden zou A Brakel van Francke heel graag meer informatie over het „nieuwe licht” willen verkrijgen. Met dat verzoek sluit hij zijn brief af.

Ongeveer een halfjaar later, op
3 oktober 1702, krijgt Francke een herinnering. Niet van A Brakel, maar van zijn oud-leerling Johann Hieronymus Liebenroth. Deze verblijft op dat moment in Rotterdam en schrijft Francke over het geestelijke leven in die stad.

Van Liebenroths verblijf aldaar zijn geen sporen overgebleven. Wel moet hij met A Brakel in contact hebben gestaan. In de brief aan Francke schrijft hij namelijk dat A Brakel uitziet naar een antwoord op zijn brief. Liebenroth denkt dat dit een reden heeft:
de gereformeerde predikant wil een boek schrijven waarin hij de dwalingen van piëtisten wil bestrijden. Verder schrijft hij dat A Brakel door de vromen in Rotterdam en omstreken als „einen algemeinen Vatter” wordt gezien en dat hij een man is die liefde
tot het goede heeft. Met zijn beoogde boek zou hij volgens Liebenroth zowel schade kunnen teweegbrengen als van nut kunnen zijn. Liebenroth wenst zijn leermeester daarom de wijsheid van God toe bij het beantwoorden van de brief.

Of Francke daartoe gekomen is, weten we niet. Het antwoord is althans nog nooit gevonden. De publicatie van A Brakel wel: ”Waerschouwende bestieringe tegen de piëtisten, quiëtisten en dergelyke”. Deze is enkele jaren na A Brakels brief voor het eerst verschenen, namelijk in 1707 als onderdeel van de derde druk van A Brakels bekende dogmatiek voor het gewone gemeentelid: ”Logikè latreia, dat is redelyke godts-dienst, in welke de goddelijke waarheden des genaden-verbondts worden verklaart, tegen partyen beschermt, en tot de practyke aangedrongen”. Onderzoekers hebben ook wel 1683 als jaar van eerste uitgave genoemd, maar deze drukken zijn niet bekend.

In ”Waerschouwende bestieringe” waarschuwt A Brakel tegen allerlei stromingen, zoals piëtisten, quiëtisten, mystici en quakers, en auteurs zoals Jacob Böhme, Miguel de Molinos en François de Salignac de la Mothe-Fénelon. Bij deze ketters komt hij de volgende dwalingen tegen: het zich mooi voordoen zonder liefde te hebben tot de waarheid, het verachten van de kerk en van de Heilige Schrift, de opvatting dat je met je natuurlijke vermogens tot geestelijke gedachten en daden kunt komen en de voorstelling dat je Christus niet nodig hebt om tot God te kunnen naderen.

A Brakel waarschuwt hiertegen. Tegelijk blijkt uit deze waarschuwingen voor wat voor soort vroomheid A Brakel wil staan: een die is gebonden aan de waarheid, de kerk, de Schrift, een vroom-
heid die van boven komt en waarbij Christus in het middelpunt staat.

Geestelijke leiding

De brief van A Brakel aan Francke laat zien dat hij christenen die in aanraking kwamen met „nieuw licht en leven” op religieus gebied geestelijk leiding wilde geven. Daarvoor nam hij contact op met Francke. Deze benaderde hij –hoewel van een andere confessie– op een welwillende manier: hij loofde zijn ijver, kennis en vroomheid, maar tegelijkertijd beoordeelde hij de lutheraan op grond van de Bijbelse leer.

Wat betreft de avondmaalsleer kwam Francke er goed af. En wat betreft de verzameling van levensbeschrijvingen had A Brakel ernstige bedenkingen. Vermoedelijk niet alleen omdat hij dergelijk leesvoer voor de vromen ongezond vond, maar ook omdat hij de reputatie van zijn vader wilde redden. Van A Brakel kunnen we leren dat we vroomheid altijd moeten beoordelen aan de hand van de volgende criteria: is deze gegrond op de Bijbel en staat Christus centraal?


Met dank aan dr. C.A. de Niet, die A Brakels brief uit het Latijn in het Nederlands vertaalde. Het artikel kwam tot stand met medewerking van Johan van Asselt, Danny van den Brink, Eimert Haakmeester, Paul van den Herik, Suzanne de Jong, Steven Middelkoop, August Moens en Arjan Speksnijder.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.