+ Meer informatie

Pastoraat aan zeevarenden

14 minuten leestijd

Het doet misschien een beetje vreemd aan, dat de inmiddels „opgelegde” koopvaardij-predikant van onze kerken zijn zegje over bovenstaande doet, temeer daar het ernaar uitziet, dat onze kerken op dit gebied geen grote rol meer zullen spelen in de oude zin van het woord. Er is evenwel één doorslaggevend motief om over deze zaak toch nog na te denken: wij hebben várende broeders.

I. De vraag zou gesteld kunnen worden: hebben we eigenlijk wel een speciaal pastoraat voor zeevarenden nodig? Hoewel ik persoonlijk een tegenstander ben van het invoeren van allerlei deelpastoraten, omdat deze de gemeente opdelen in allerlei groepen, die naar het bijbelse gemeente-besef juist zouden moeten ophouden groep te zijn en met elkaar gemeente zouden moeten worden, wil ik de vraag naar de noodzaak van een pastoraat voor zeevarenden met een volmondig „ja” beantwoorden. Daarvoor zijn verschillende redenen: de eerste, belangrijkste en doorslaggevende is gelegen in de bijzondere werksituatie. De zeevarende van nu werkt in volcontinuebedrijf van hoge technische allure. Hij wordt voor een periode van vier à zes maanden in dat bedrijf opgesloten, werkt, eet en slaapt er en probeert er zich te ontspannen. Hij leeft in die periode volledig gescheiden van zijn gezin, familie, kerk, omgeving. Daarentegen is hij gedwongen 24 uur per etmaal te leven met collega’s die hij niet zelf uitzoekt, met wie hij soms niet al te goed overweg kan. Zo bezien is het een vierkant wonder, dat het niet constant op moord en doodslag uitdraait; meer nog, dat de kameraadschap op hoog peil staat en dat arbeidslust en arbeidsprestatie op een meer dan gezond niveau staan. Niettemin: deze mensen hebben in hun situatie meer dan anderen begrip, bemoediging en troost nodig. En daarvoor is een apart pastoraat geen overdaad. Een tweede reden van gelijk belang: wie zes maanden niet naar de kerk kan gaan, zal aan het niet-gaan wennen. Dit wordt helaas nog verergerd door het feit dat de gemeente waarin de zeevarende thuis hoort als regel geen enkele belangstelling voor hem aan de dag legt of hooguit negatieve, insinuerende belangstelling.

De derde reden is de seculiere pendant van de kerkelijke negativiteit. De zeeman wordt in onze van oudsher zeevarende natie niet voor vol aangezien. Bekend (onder zeevarenden) is het gefingeerde gesprek van twee vrouwen: „O, uw man vaart ? De mijne werkt”. Niet gefingeerd is de opmerking van één van mijn beste vrienden in Boskoop, toen ik naar Hamburg zou gaan: „Zou je daar kunnen wennen bij die zeelui ?” Toen ik antwoordde dat ik het bij die boomkwekers toch ook had kunnen uithouden, moest er toch even over nagedacht worden. De gemiddelde Nederlander denkt bij zeevarenden aan hoerenlopers en drinkebroers, waaronder „natuurlijk” ook uitzonderingen zijn. Dat de zeevarende, en zeker de nederlandse een meestal hooggekwalificeerde technische of nautische specialist is, dat onder zeevarenden nog werkelijk gezonde opvattingen bestaan over prestatie en beloning, dat daar nog werkelijk liefde voor het werk bestaat en dat de doorsnee zeeman bij het binnenlopen van de haven niet zijn eerste schreden naar de krocg of het bordeel richt, maar naar de telefooncel om voor veel geld en paar woorden met moeder de vrouw te kunnen spreken, is minder bekend. Onder deze groots opgezette zonde tegen het negende gebod lijdt de zeeman. Niet dat het met zoveel woorden gezegd wordt, maar het is wel duidelijk merkbaar.

Tenslotte: in de laatste jaren is de zeevarende in zijn bestaan bedreigd. De toenemende concurrentie o.a. van de landen uit de derde wereld dringen tot inkrimping van de nedcrlandse vloot. De enorme belastingdruk in Nederland doet verschillende reders uitwijken naar landen met goedkope vlag (40% van de nederlandse schepen is al onder vreemde vlag en 90% van de nieuwbouw gaat er heen). Op de overblijvende schepen hebben de automatisering en alarmering een vermindering van het aantal arbeidsplaatsen bewerkstelligd. Gevolg is, dat vele kapiteins het zwaard van Damocles boven het hoofd voelen, de normale promotie niet meer plaatsvindt, ja, dat verscheidene eerste officieren noodgedwongen na meerdere jaren als eerste gevaren te hebben nu weer als tweede varen. Al met al is er reden genoeg om de zeevarende — ook pastoraal — extra aandacht toe te kennen.

II. Wat is in dit alles de taak van de koopvaardij-predikant ? Naar mijn mening dezelfde als die van iedere andere predikant: bediening van het Woord, de gebeden en de sacramenten. Op dit punt denken de nederlandse en ook de Scandinavische collega’s gelijk. In de angelsaksische wereld schijnt de zaak wel anders te liggen. Eén van mijn collega’s vertelde mij dat er verschillende engelse collega’s zijn, die eigenlijk hun evangelische roeping volbracht menen te hebben, als ze de witte boord om hebben en hun mensen dan „in the name of the Lord” een kop thee aanbieden. Dit is waarschijnlijk iets overdreven. Maar dit gevaar is levensgroot aanwezig. Pastoraat aan zeevarenden betekent misschien voor 10% zorg aan kerkleden, maar voor 90% evangelisatie. Dat houdt in dat aan boord van de schepen en in de zeemanshuizen een levensgroot taboe doorbroken moet worden. Men spreekt nl. niet over zijn eigen politieke en religieuze overtuiging om het zes maanden continue samenleven niet onmogelijk te maken. Daarom is de verkondiging sinds jaar en dag ingebed in het aanbieden van een pakket voorzieningen op het sociaal-culturele vlak met name in de zeemanstehuizen. Daar is op zichzelf genomen geen enkel bezwaar tegen, mits de verhouding woord en daad principieel juist gezien wordt. Onze opvatting kan geen andere zijn dat in dit alles de woordverkondiging elementair moet zijn. Niet zo, dat de voorzieningen in het zeemanshuis er alleen maar zijn om mensen bij de woordbediening te betrekken. Dat zou m.i. een vorm van geestelijke chantage zijn. Wel zo, dat het zwaartepunt van het werk van de koopvaardij-predikant ligt in de verkondigende sfeer.

III. Het is op dit principiele punt, dat de moeilijkheden in Hamburg begonnen te spelen en niet uitsluitend en niet in de eerste plaats op het punt van de financiën, zoals in de berichtgeving werd gesuggereerd. Dat laatste was een coïncidentie, die met het eerste samenhangt. Mijn functie was die van koopvaardijpredikant/directeur zeemanshuis. Ik heb dit zelf altijd als een eenheid willen zien, waarbij de leiding van het zeemanshuis een mogelijkheid was om mijn predikantschap waar te maken. Naar nu blijkt hebben anderen dit als een dubbel-functie opgevat, waarbij in feite het predikantschap en de leiding in het huis eikaars concurrenten dreigden te worden.

De bovengenoemde combinatie zou goed mogelijk zijn als onze huizen georganiseerd zouden zijn als die van de scandinaviërs. Zij hebben zeemanskerken, o.l.v. een predikant. Deze huizen hebben een uitgebreide schaar van medewerkers: mensen die de werkzaamheden in het huis verrichten, daarnaast scheepsbezoekers die de mensen op de schepen met het huis bekend moeten maken en organiseren wat te organiseren valt. Voor de predikant blijft dan alleen het leiding geven over, terwijl hij het overgrote deel van zijn tijd aan werkelijk pastorale arbeid geven kan.

Bij de Hollanders is het zeemanshuis — er zijn er nog maar drie buiten Nederland — een weerspiegeling van de geringe, laatdunkende belangstelling van de Nederlander voor zijn zeevarende. Geen van alle zijn ze als zeemanshuis gebouwd. In Hamburg is het een winkelpand, dat voor gebruik als zeemanshuis is omgebouwd. Belangrijker is de personele bezetting. Ik had daar slechts één personeelslid ter beschikking, een weduwe met uitstekende kwaliteiten voor het ontvangen van onze gasten. Naast haar werk in de avonduren en wat administratieve werkzaamheden, kon zij ook niet veel meer. Gevolg was, dat ik persoonlijk ook allerlei zaken moest opknappen, die feitelijk niet tot het leidinggeven behoorden, o.a. het klaarmaken van folders e.d. Dan bleef voor mij over de combinatie van scheepsbezoeker/pastor. De scheepsbezoeker moet overdag zijn werk doen om de mensen ’s avonds in het zeemanshuis te kunnen hebben. Mijn pastorale werk bestond dan feitelijk in de gesprekken met diegenen, die overdag in een haven vrij van wacht hebben; en dat zijn er niet zo heel veel. Daarnaast kwam eventueel ziekenbezoek plus de kerkdiensten en hun voorbereiding. Dat laatste kwam dan weer in mindering op het scheepsbezoek.

De kerkdiensten hadden eer. minimaal bezoek van de zeevarenden. En mijn conclusie na enig experimenteren was dan ook: wil ik aan het wezenlijke van mijn opdracht voldoen, dan moet het anders.

IV. Het alternatief, dat mij voor ogen stond en waarover ik met het bestuur van het zeemanshuis te Hamburg in gesprek was. toen de definitieve beslissing van mijn terugkeer naar Nederland viel, was gebaseerd op de praktijk speciaal in Hamburg. Deze haven wordt door de steeds hogere prijzen in de amusementssector, de steeds kortere ligtijden der schepen en de steeds betere accommodatie voor de bemanning op de schepen steeds minder interessant om de wal op te gaan. Heel veel mensen bleven dan ’s avonds ook aan boord van hun schepen. M.i. zou de koopvaardijpredikant daar losgemaakt moeten worden van het zeemanshuis (wat goede samenwerking niet zou uitsluiten). Overdag zou deze dan een enkel schip moeten bezoeken (niet alle, zoals voor een scheepsbezoeker van een zeemanshuis wenselijk is), met het speciale doel mensen te interesseren voor een lezing met discussie op de avond. Daarvoor zou zeker belangstelling bestaan, zoals ik al bij meerdere gesprekken gemerkt heb. Er bestaat nl. bij meerdere zeevarenden de vrees dat ze door de aard van hun werk en leven zouden afstompen. Een dergelijke wijze van werken door een predikant zou, alleen al omdat die de mensen uit hun sleur haalt, welkom zijn. De onderwerpen zouden dan zo gekozen moeten worden, dat ze in de algemene interessesfeer liggen, maar uiteraard behandeld moeten worden van positief christelijk standpunt uit. In dat geval wordt het veel eenvoudiger de taboe’s aangaande de godsdienst te doorbreken. De gesprekken krijgen dan veel soepeler de wending naar de verkondiging en de nagesprekken zullen veel dieper doordringen naar de kern van ons bestaan, dat is: mens zijn voor het aangezicht van God.

Indien dit verwezenlijkt had kunnen worden, dan zou ik tot op zekere hoogte een concurrentie voor het zeemanshuis geweest zijn. Niemand voelde dat evenwel als een al te ernstig bezwaar, daar ik in dat geval toch maar één schip per avond zou „bezetten”. Het losmaken van het zeemanshuis zou in dat geval alleen al een praktische noodzaak geweest zijn i.v.m. de grondige studie die één en ander regelmatig zou vergen. Daarnaast zou dan ook tijd vrijkomen voor een speciale begeleiding van onze eigen christelijke gereformeerde zeevarenden, waarover straks.

Dit alternatief zou evenwel betekend hebben, dat de koopvaardij-predikant niet meer voor een deel subsidiabel zou zijn voor de Stichting Zeemanswelzijn Nederland, zoals nu het geval was. Onze kerken zijn niet bij machte een eigen koopvaardij-predikant volledig voor eigen rekening te nemen. En een andere financiële combinatie, bijvoorbeeld met de heel kleine Nederlandse Gemeente in Hamburg moest al spoedig naar het rijk der utopieën worden verwezen, i.v.m. de te kleine levensvatbaarheid van deze gemeente.

Geheel los daarvan kwam ongeveer gelijktijdig het bericht van de Stichting Zeemanswelzijn Nederland, dat deze door een steeds slechter wordende financiële situatie (o.a. door het uitvlaggen van Nederlandse schepen naar zg. goedkope landen), niet instaat zou zijn datgene te subsidiëren, wat noodzakelijk was voor het voortbestaan van het zeemanshuis in zijn huidige vorm.

Eén en ander betekende het eind van mijn aanwezigheid in Hamburg en waarschijnlijk ook het eind van het zeemanshuis aldaar. T.a.v. het laatste moet het definitieve besluit nog genomen worden.

V. Het onder I genoemde duidt er al op, dat ik een speciaal pastoraat voor zeevarenden nog steeds, eigenlijk steeds meer noodzakelijk acht. De financiële onmogelijkheid een eigen koopvaardijpredikant te bekostigen leidt ertoe, dat we ons zullen moeten beperken tot onze eigen varende leden. Maar dat zal dan ook zeker moeten gebeuren, willen we het weiden van deze schapen niet tot een farce maken. Het is nl. ontstellend, als je bij bezoeken aan de schepen moet bemerken dat zo’n hoog percentage mensen randkerkelijk of inmiddels buitenkerkelijk is geworden, ondanks de oorspronkelijk christelijke opvoeding. Even ontstellend is, dat deze mensen van de eigen gemeente uit praktisch nooit enige begeleiding of belangstelling genieten, dikwijls nog een schop na krijgen omdat ze op zee varen. Dit is een interkerkelijk fenomeen, waarop onze kerken helaas geen uitzondering vormen.

Bedacht moet worden dat officieren beginnen met varen op een leeftijd tussen 18 en 20 jaar. Voor scheepsgezellen ligt deze leeftijd nog lager. Ze werken en wonen van jeugdige leeftijd af tussen andersdenkenden, krijgen én in de vreemde havens én met de buitenlanders aan boord te maken met niet-christelijke godsdiensten, hebben het niet eenvoudig de zedelijke normen van thuis op een eigen wijze te beleven. Je moet dan al stevig in je geloofsschoenen staan om niet te vallen of op zijn minst in twijfel te geraken.

De eerste verantwoordelijke is in dit opzicht de kerkeraad uit wiens kudde mensen ter zee varen. Heel mooi zou het zijn — en zo moeilijk is het nu ook weer niet — als één van de kerkeraadsleden deze mensen speciaal voor zijn rekening zou nemen. Ideaal zou zijn als de predikant dat zelf zou doen, of anders een ouderling, die weet wat er in de wereld te koop is in het algemeen, en zo mogelijk ook in die van de zeevarende in het bijzonder. Deze zou in geval van een gehuwde zeevarende zijn gezin moeten begeleiden. Heeft de moeder voldoende oppas voor haar kinderen om aan kerkelijke en andere activiteiten te kunnen deelnemen ? Kan ze de problemen van de opvoeding aan ? enz. Een bezoek aan de zeevarende tijdens diens verlof, liefst niet de eerste avond na thuiskomst. En schrikt u niet direct als de betreffende dingen beweert die u uit een christelijke gereformeerde mond niet verwacht: zijn wereld is ongetwijfeld wijder dan de uwe. Of die wereld beter is of niet, kunt u later altijd nog bezien en als de verhouding, puur menselijk bezien, goed is, nog bepraten ook. Als u in uw hart maar het geringste vermoeden koestert, dat de zeevarende, omdat hij op zee vaart een probleem-geval is, bent u al gestruikeld voordat u begonnen bent. In de eerste plaats blameert u hiermee zichzelf, want ook de zeevarende heeft een goddelijk beroep en onder alle beroepen die er zijn ongetwijfeld één van de mooiste, een beroep dat veel vergt, en een beroep waar de meeste zeevarenden meer van houden dan ze ooit hardop zullen zeggen. In de tweede plaats is de zeevarende bijzonder gevoelig voor de wijze waarop een ander hem taxeert. Valt dat niet goed, dan zult u de deur geestelijk gezien voor altijd gesloten vinden; u bent dan immers de zoveelste die niet weet waarover hij spreekt, maar de wijsheid niet opbrengt het spreken na te laten.

De tweede verantwoordelijke voor onze zeevarenden is, het deputaatschap voor de geestelijke verzorging van zeevarenden, ingesteld door onze generale synode. Dit zal zich opnieuw moeten bezinnen over de mogelijkheden. Wat ik hieronder voorstel moet nog helemaal op zijn financiële mogelijkheden en op kwesties van taakverdeling bekeken worden en is voor zover ik weet alleen nog maar in mijn eigen hoofd aan de orde geweest. Mijn gedachten gaan uit naar een bij voorkeur maandelijks te versturen brief op luchtpostpapier, die naar het huisadres van de zeevarende wordt verzonden en door diens familie doorgestuurd naar de man in kwestie. Deze brief zou de schakel moeten worden tussen de leden van de christelijke gereformeerde zeevarende gemeente. De inhoud zou dan kunnen bestaan uit een meditatie, afgestemd op de positie van de zeevarende, een bespreking van uit de varende gemeente opkomende problemen en wat zoal meer te sprake kan komen. Daarnaast zouden leden van het deputaatschap aangewezen kunnen worden voor het behandelen van brieven van zeevarenden die eens van hart tot hart willen spreken, zodat ze weten een eigen adres te hebben, dat ook werkelijk functioneert.

Een en ander is nu op papier gekomen niet alleen opdat wij geïnformeerd zouden zijn daarover, hoewel dat zijn nut heeft, maar vooral opdat we eenmaal de Grote Ambtsdrager onder ogen zullen kunnen komen en niet zullen moeten horen een deel van zijn kudde stelselmatig verwaarloosd te hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.