+ Meer informatie

Diakonaal werk en maatschappelijk werk

8 minuten leestijd

Uiteengegroeid.

Het is in de huidige situatie een uitzondering, wanneer er nog kontakten bestaan tussen onze diakenen en de organen voor maatschappelijk werk of de maatschappelijke werkers zelf. Bestonden er enige jaren geleden nog wel hechte relaties tussen beide, ze zijn langzamerhand bijna alle weggevallen. Men kan dat positief of negatief waarderen, ik begin hier om dit als een werkelijk feit en als een bestaande situatie te konstateren.

Dit is het geval zowel op het regionale als op het plaatselijk vlak. Er bestonden in het verleden soms goede kontakten vanuit de classicale vergaderingen en classicale diakonale commissies onzer kerken met instellingen voor sociale dienstverlening op provinciaal of regionaal niveau. Dit is haast geheel verdwenen. Vele relaties, participaties, zijn verbroken. Waar nog kontakten zijn, verlopen ze zeer stroef en vinden ze in een negatief-kritisch kader plaats. Soms is er nog de dunne draad van een waarnemerschap.

Plaatselijk of stedelijk zijn de kontakten nog miniemer. Bij uitzondering zijn diakonieën nog aangesloten bij de zeer weinige levensbeschouwelijke stichtingen voor maatschappelijk werk. Maar dat is op één hand te teilen. Wel zitten nog hier en daar leden van onze kerken in de zgn. algemene stichtingen voor sociale dienstverlening.

Oorzaken.

Het lijkt mij goed te letten op de oorzaken van deze veranderde situatie. Want van den beginne is het alzo niet geweest. In Nederland staat het diakonaat aan de wieg van het maatschappelijk werk. Vele stichtingen voor maatschappelijk werk zijn door diakonieën in het leven geroepen. Meestal gebeurde dat in interkerkelijk verband en vanuit het initiatief van samenwerkende diakenen. Dat zijn dan ook kerkelijke of christelijke organen geweest voor de maatschappelijke dienstverlening. In de regel eerst voor gezinszorg en bejaardenzorg, later uitgebreid tot ook het maatschappelijk werk, de jeugdzorg en/of het buurtwerk. Tot ongeveer 1970 is dit de situatie gebleven.

Toen is er verandering opgetreden. Vanuit verschillende motieven, en vooral vanuit de werksoort van het maatschappelijk werk.

Als eerste oorzaak kan worden aangewezen de toenemende professionaliteit van het werk. De werkers of funktionarissen werden al meer geschoold en tot hoge deskundigheid gevormd, soms ook zeer gespecialiseerd, zodat hun werk de capaciteiten van de besturen te boven ging. De bestuurders, dat waren de diakenen, werden de leken die het gekompliceerde en gespecialiseerde werk niet meer konden volgen, laat staan begeleiden, bijsturen, kritisch doorlichten en instrueren, én de maatschappelijke werkers werden de deskundigen die eigenlijk de dienst uitmaakten en de regels bepaalden. Zo groeiden de diakenen weg van het direkte werk. Door deze toegenomen professionaliteit annex gespecialiceerdheid ontstond de noodzaak van kwaliteitsverbreding of -verbetering van het werk. De noodsituaties en de knelproblemen der kliënten, waarmee de maatschappelijke werkers te maken kregen, werden al meer gekompliceerd. Wilde een stichting al de zich bij haar meldende kliënten een verantwoorde hulp verlenen, dan moesten meer specialisten worden aangetrokken en de kwaliteit van het werk en de dienstverleningen verbreed en verhoogd worden. Deze ontwikkeling konden de niet-geschoolde diakenen vaak niet bijhouden en zo werd de kloof al groter en dieper.

De vermelde noodzaak van kwaliteitsverbreding riep om schaalvergroting van de bestaande organen en teams van maatschappelijke werkers. Mede door de latente tendens binnen het subsidiebeleid van de overheid voor de sociale dienstverlening werd op de meeste plaatsen overgegaan tot het in het leven roepen van algemene instellingen, d.w.z. grotere teams van gespecialiseerde maatschappelijke werkers ter kwaliteitsverhoging van de te leveren dienstverlening. Dit zijn instellingen geworden, waarin niet meer de kerken participeren binnen een gereformeerde of christelijke levensovertuiging, maar waarin verschillende groeperingen van de bevolking vertegenwoordigd zijn binnen een zeer algemene doelstelling. Soms werd het een gevulde algemeenheid, zodat er nog prijs op gesteld werd als de verschillende levensbeschouwingen een bijdrage leverden in de bezinning op en uitwerking van de sociale dienstverlening, maar waarbij elke aanspraak op alleen-geldigheid van een bepaalde levensovertuiging duidelijk werd afgewezen. Hierdoor zagen onze diakonieën zich over het algemeen genoodzaakt hun medewerking aan deze instellingen op te zeggen. Soms bleven de in-de-vorige-besturen-zitting-hebbende gemeenteleden gehandhaafd.

Dwars door dit alles heen werd nog een andere ontdekking gedaan en ontwikkeling duidelijk. Van de zijde van de kerken en diakenen werd tot nu toe gedacht, dat we werkelijk bezig waren met christelijk maatschappelijk werk en christelijke sociale dienstverlening. Want we hadden toch christelijke instellingen met als grondslag de Heilige Schriften als Gods onfeilbaar Woord en als norm voor al ons leven en handelen, eventueel aangevuld met de binding aan de gereformeerde belijdenis. We zorgden toch ook voor echte christelijke werkers. We begonnen onze bestuursvergaderingen met Bijbel en gebed. Wat wil je meer! Ons werk is christelijk werk. Doch op den duur kreeg men het hier en daar door, dat dit christelijke louter een formele kwestie was, een kategorie op het bestuurlijk vlak of een uiterst subjektieve faktor, afhankelijk van de christelijkheid van de werker en funktionaris, maar dat men geenszins kon spreken van het maatschappelijk werk als christelijk werk in zijn struktuur, opbouw en realisering. Wat was namelijk de situatie? Het maatschappelijk werk is na de oorlog vooral vanuit Amerika hier binnengehaald en als geprofessionaliseerd werk overgenomen. Daarmee werden zijn humanistische uitgangspunten en methodieken, basic values en codes, overgenomen. Die werden in de meest gunstige gevallen wat christelijk bijgeschaafd of met een christelijk vernisje overtrokken. Maar daarmee was het nog geen christelijk maatschappelijk werk geworden. De humanistische onderbouw en methodiek bleken op den duur sterker te zijn dan het christelijke vernisje en hierdoorheen te breken, zowel in de opleidingen aan de sociale academies alsook in het werkveld van de funktionarissen. Vandaag beginnen zelfs neo-marxisten hun claim te leggen op de strukturen en methodieken van de sociale dienstverlening, zodat van het christelijke als we niet oppassen niets zal overblijven. Verschillende diakenen voelden deze situatie, al konden ze die niet geheel analyseren, aan en begonnen zich dan ook van het zogeheten maatschappelijk werk te distantiëren omdat ze het als al onchristelijker begonnen te onderkennen.

Opdrachten.

Mijns inziens is het meer dan tijd en direkt noodzakelijk tot gezamenlijk beraad te komen ten aanzien van de relatie diakonaal werk en maatschappelijk werk en van de verhouding diakenen en maatschappelijke werkers. Het lijkt mij onjuist dit gehele terrein van de sociale dienstverlening te laten schieten. Wat dan nodig is?

Voor zover ik kan zien — maar wellicht weten anderen nog meer zaken te noemen! — de volgende zaken:

1. een stuk bezinning. We moeten onverwijld bezig gaan en doorzettend bezig blijven met de vraag: Is er christelijk maatschappelijk werk en wat is verantwoord maatschappelijk werk naar zijn struktuur, methodiek en praktische uitvoering? Hier ligt werk voor de christelijke en gereformeerde academies in ons vaderland, voor hun docenten en studenten, maar niet minder voor kerkeraden, diakenen, theologen en christelijke psychologen en sociologen enz. en voor de werkers in de verschillende takken van de sociale dienstverlening.

2. een stuk heroriëntatie. Daarmee bedoel ik, dat we ons moeten afvragen, hoe het verder moet met onze deelname in de (gevulde) algemene stichtingen voor maatschappelijk werk, met de noodzaak van een toch weer eigen levensbeschouwelijke organisatie voor deze dienstverlening en met onze verantwoordelijkheid op het terrein van de sociale noden onder de gemeenteleden en in onze samenleving. Hier en daar is er weer een initiatief tot het in het leven roepen van een strikt eigen kerkelijke instelling of orgaan voor de dienstverlening, desnoods zonder overheidssubsidie en met een aantal vrijwilligers in dienst tijdens de aanloopperiode.

3. een stuk inzet. We behoren ons bewust te zijn van de opdracht tot daadwerkelijke hulpverlening in de gezindheid van Jezus Christus onderling en aan onze medemensen. De diakenen hebben de gemeenteleden tot deze dienst te stimuleren. Want bij alle initiatief om eventueeel weer te komen tot een eigen orgaan voor sociale hulpverlening en bij alle uitoefening van deze dienstverlening. hetzij binnen het kader van de vrijwilligersinzet hetzij binnen de verbanden van de professionale hulp, behoort het levendig kontakt met de gemeente bewaard te blijven en behoort er een hechte verbondenheid te zijn tussen het kerkelijk ambtswerk en het maatschappelijk dienstwerk.

Evaluatie.

De bedoeling van dit artikel is enig inzicht te geven in de gegroeide situatie met betrekking tot het maatschappelijk werk. Vervolgens om elkaar op te wekken ons af te vragen. wat ons nu te doen staat. In de derde plaats te prikkelen tot het slaan van de hand aan de ploeg en vooruit te zien hoe er verder gewerkt zal moeten worden en slechts achterom te blikken om te onderkennen hoe het niet (meer) moet.

Een bijdrage van mijn kant is te vinden in een binnenkort te verschijnen publikatie van W. Huizer en mij onder de titel: Heroriëntatie in het christelijk maatschappelijk werk. Inhoud en organisatie in een nieuwe fase! (Kok, Kampen), waarin ook naar nadere literatuur wordt verwezen. Ook wil ik hier noemen het rapport van deputaten ADMA: Dienst vanuit Christus, 1977.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.