+ Meer informatie

GEBED EN PASTORAAT

11 minuten leestijd

Er zijn weinig dingen waaraan in deze tijd dringender behoefte bestaat dan aan gebed en pastoraat; een pastoraat dat door gebed gedragen wordt en waarin het gebed dan ook metterdaad een plaats, een ereplaats heeft. Is er wel pastoraat mogelijk zonder gebed? We zullen het wel eens zijn, dat gebed en pastoraat bijeen behoren. Toch dienen allerlei praktische vragen zich aan, waarvoor de ambtsdrager zich gesteld ziet: moet er altijd en overal, in alle omstandigheden gebeden worden? Graag wil ik op deze vraag wat nader ingaan.

Dan dienen we allereerst te zien wat het gebed eigenlijk is: een vertrouwelijk spreken met de hoge en heilige en barm-hartige God. Calvijn noemt het: de voornaamste oefening van het geloof (Inst. III. 20, opschrift) en karakteriseert het als

„een zekere samenspreking der mensen met God, waardoor zij, het heiligdom des hemels binnengegaan zijnde, Hem over Zijn beloften in eigen persoon aanspreken” (III.20.2).

Dat kan alleen recht geschieden in ware ootmoed en nederigheid, pleitend op het werk van de Middelaar. Zo mag er hoop zijn op verhoring. Het voert te ver om Calvijn hier in den brede te citeren, al zou het de moeite waard zijn. Neem en lees zelf!

De echo van deze „stem uit Genève” beluisteren we in Heid. Cat. zondag 45, met name vr. en a. 117.

De kracht en waarde van het gebed kan moeilijk overschat worden. De Schotse prediker Ralph Erskine schrijft in zijn verhandeling over Rom. 12: 12 (maar liefst veertien preken over „Volhardt in het gebed”): Door het gebed

„wordt genade vermeerderd, het geloof versterkt, de liefde ontvonkt, de hoop verlevendigd en de lijdzaamheid volmaakt; hierdoor worden de zonden onderworpen, de verdorvenheden gedood, de verzoeking verdreven en strikken vermeden. Het is nu nog even waar als ooit, dat het krachtig gebed des rechtvaardigen veel vermag” (a.w. p. 113).

We dienen ons vervolgens ook te realiseren wat het pastoraat is en niet is. Pastorale zorg is meer dan sociaal of maatschappelijk werk, is anders dan het spiegelen van de nood van de ander, vanuit een mensbeschouwing die op Freudiaanse leest geschoeid is. In de pastorale zorg gaat het om het als onderherder gestalte geven van de speciale aandacht die de Opperherder der schapen heeft voor elk van de Zijnen. Bijbels pastoraat - daaraan is behoefte in deze tijd met zijn eenzaamheid, zijn relatieproblemen, zijn zelfmoordcijfers, met zijn prestatiedwang en frustraties, met zijn ongebreideld optimisme ten aanzien van menselijk kennen en kunnen èn met als donkere keerzijde daarvan het doemdenken. In deze tijd, in deze wereld staat de kerk, en leven de gemeenteleden. De pastor leeft met hen mee, in hun verschillende levensomstandigheden. U mag blij zijn met de blijden, bij huwelijk, gezinsuitbreiding, jubilea enz. U bent bedroefd met de bedroefden in het meeleven met de zieken, de bejaarden, de eenzamen; daar is de stervensbegeleiding, het leiden van begrafenissen en het pastoraat daarna. Of als er fricties zijn, spanningen, ruzies; zelfs kunt u - zoals ik hoorde van een collega - uitgenodigd worden aanwezig te zijn bij de verdeling van een erfenis

Kortom, in allerlei verschillende omstandigheden komt de pastor. Waarmee? Met zichzelf? Neen, dat is duidelijk. Ook al zegt men tegenwoordig graag, dat men al pastoraat bedreven heeft door er alleen maar te zijn, toch zegt u echt te weinig als u niets zegt. U komt namens de Heere, met het Woord van de Heere, spreekt met hen over de Heere; zoudt u dan ook niet met hen tot de Heere spreken, in het gebed?

Een collega zei eens tegen mij, dat hij vond dat hij zijn werk onder een bepaalde druk moest uitoefenen, als hij zich verplicht moest voelen elk pastoraal gesprek met gebed te beëindigen.

Hij bedoelde daarmee geenszins te zeggen dat hij liever niet bad of de waarde van het gebed niet zag, maar hij had er eenvoudig geen regel van gemaakt en klaarblijkelijk werd er alleen in bijzondere gevallen een gebed uitgesproken. De vraag moet dan echter meteen gesteld worden: wanneer is de situatie waarin uw gemeentelid zich bevindt, bijzonder genoeg om uw pastoraal bezoek met gebed te beëindigen? Daar zal geen maatstaf voor bestaan dan alleen een puur subjectieve en naar deze maatstaf wordt geoordeeld dat het gewone niet bijzonder genoeg is om ervoor te bidden of te danken.

Ik ben zo vrij hierover een andere mening te hebben.

Natuurlijk kunnen we ons allen voorstellen, dat er situaties zijn en gesprekken gevoerd worden die niet met gebed worden besloten.

Als u hier of daar even binnenwipt om te informeren hoe het afgelopen is met het examen dat Kees moest afleggen, of hoe het gaat met schoonmoeder die gisteren geopereerd is, dan is daar een vluchtig, informatief contact, dat wel een pastorale setting heeft maar toch minder duidelijk te rubriceren is onder enige vorm van gericht pastoraat en dat ook niet als een officieel pastoraal bezoek bedoeld is: u laat even blijken dat u in bepaalde omstandigheden meeleeft. Ik herinner me dat onze hoogleraar in de ambtelijke vakken ons op college destijds vertelde, dat hij voor zichzelf het onderscheid hanteerde tussen pastorale praatjes en pastorale gesprekken; hoe subtiel ook, toch is dit onderscheid duidelijk.

Ik heb er voor mijzelf wel van meetaf aan een gewoonte van gemaakt om pastorale bezoeken en gesprekken met gebed te beëindigen, en ik moet zeggen, dat ik dat ook niet als een geestelijke druk of belasting ervaar. Wel is er het gevaar, dat het gebed formeel of altijd volgens een vast patroon wordt uitgesproken. Als bijv. op een morgen aan vijf bejaarden een bezoek gebracht wordt, hebt u ook vijf keer gebeden; aan het eind van een catechisatieavond met vijf groepen is er tien keer gebeden. Alle tien keer even innig? Steeds met een even sterk besef dat we naderen tot de heilige God?

De vraag stellen is haar beantwoorden, en de pastor mag dan ook wel waken over zijn eigen gebedsleven.

Het is uiteraard niet mijn bedoeling om regels te stellen aan anderen, maar misschien mag ik wel iets doorgeven van datgene wat ik in mijn nog korte ambtelijke praktijk als waardevol heb ervaren.

Bij kennismakingsbezoeken, huis- en ziekenbezoeken, rouw- en kraambezoeken, be- jaardenbezoeken, gesprekken ter voorbereiding op een kerkelijke huwelijksbevestiging enz. heb ik de regel, dat ze met gebed worden beëindigd. Waarom? Omdat het goed is met die mensen over de Heere te spreken, maar nog beter om met hen tot de Heere te spreken. Wat kan een ambtsdrager nu beter doen dan de gemeenteleden - wat hun omstandigheden ook zijn - op te dragen aan Hem Die de noden kent, Die het hart doorgrondt, Die de levensweg bestuurt en Die alleen helpen kan? Wat wordt het soms haast aan den lijve ervaren, de onmacht om werkelijk te helpen in situaties van ernstige ziekte, intense rouw, schrijnende huwelijksproblemen. Wij weten zelfs niet wat we bidden zullen gelijk het behoort; maar dan mag er gebed zijn - in stilte - om gebed, om wijsheid en woorden, die de Heere dan ook metterdaad geven wil.

Het gebed zou ik een vitaal deel willen noemen van het pastoraat. Een slagader. Snij deze slagader door en uw pastoraat sterft af, bloedt dood. Zonder gebed is er geen goed pastoraat mogelijk.

Maar hoe moet het dan bij bezoek in een ziekenhuis of verpleeghuis of bij bezoek aan dementen en verstandelijk gehandicapten? Is ook dan het uitspreken van een gebed gewenst en nodig? Opnieuw zou ik hier willen zeggen: in principe, ja. Soms is een bepaalde aanpassing aan de omstandigheden van het moment vereist. Het kan voorkomen dat er geen plaats of geen rust gevonden wordt om in gebed te gaan. Laat uw gemeentelid dan op zijn minst merken dat u aan hem of haar in uw persoonlijke voorbede zult denken. Er zijn helaas ziekenhuizen, waarin de pastor geen gewenste en geen geziene gast is; er zijn gelukkig ook andere voorbeelden, waar men wel tijd en gelegenheid geeft om met de gemeenteleden te spreken en te bidden.

Dient er dan met die broeder of zuster alleen gebeden te worden of voor heel de zaal? Ook dat zal dunkt mij, ingevuld worden al naar gelang de omstandigheden zijn. Het kan ongepast zijn om de specifieke noden van zuster of broeder te vertolken in een voor heel de zaal hoorbaar gebed. Mijn ervaring is echter wel dat het doorgaans op prijs gesteld wordt wanneer u de anderen op die ziekenzaal in uw voorbede en aandacht niet vergeet. Er liggen ook kansen om te evangeliseren. Meer dan eens vernam ik van andere patiënten op een zaal een reactie: „Mijn dominee is vanmorgen ook geweest, maar hij zei eigenlijk alleen maar „houd er de moed maar in” en toen ging hij weer……”.

Wellicht ziet u met mij na zo’n reactie te meer reden om niet te vertragen in het gebed, ook in zieken- of verzorgingshuis.

Iets dergelijks zouden we kunnen opmerken ten aanzien van dementen, verstandelijk gehandicapten of comateuse patiënten. Denk niet te gauw: ze begrijpen er toch niets meer van. Of dacht u soms dat het nieuwe leven ook dement wordt? Dat er juist in het gebed niet een moment van herkenning kan zijn? Dacht u dat verstandelijk gehandicapten geen geestelijk leven kunnen kennen? Kan een patiënt in coma u niet horen?

Als u de mensen niet of niet goed meer kunt bereiken, weet dan dat God ze wel kan bereiken, en daar mag u om vragen!

Vele gegevens uit de Heilige Schrift zouden voor het voetlicht gehaald kunnen worden om te laten zien dat de zaak waar het hier om gaat een door en door Schriftuurlijke is. Wat het Oude Testament betreft mag ik verwijzen naar Ez. 34 en voorts naar de voorbede die de hogepriester deed. Hij droeg op zijn schouders de naam van heel het volk en op de borstlap de namen van de twaalf stammen afzonderlijk. Volk en enkeling droeg hij op aan God. Mogen we dat niet een voorbeeld noemen van een pastorale attitude?

Gaan we naar het Nieuwe Testament, dan treft ons de grote plaats die het gebed heeft ingenomen in het leven van de Heere Jezus. Om bezig te zijn in de dingen van Zijn Vader, was er ook veel biddend contact nodig met Zijn Vader; daarvan legt het Nieuwe Testament op vele plaatsen indrukwekkend getuigenis af. Zie bijv. Luk. 3; 21, Matth. 14: 22, 23, Mark. 6: 46, Luk. 6: 12.

Prof. Versteeg wijst er in zijn boekje „Het gebed volgens het Nieuwe Testament” op, dat de Heere Jezus Zich heeft aangesloten bij de toenmalige gewoonte van het morgen-, middag- en avondgebed; het opvallende is alleen, dat Zijn gebeden zo’n grote plaats innamen, dat Zijn avondgebed de gehele nacht kon duren, Luk. 6 : 12.

In Markus 1 vinden we een voorbeeld van het morgengebed van de Heere Jezus. Eerst wordt ons een hele dag uit Zijn leven beschreven. Na de roeping van de eerste discipelen komen ze in Kapernäum en op de sabbat leerde Hij in hun synagoge. Hij geneest daar een man met een onreine geest. Daarna komen ze in het huis van de schoonmoeder van Petrus, die Hij geneest van de koorts.

De gehele stad loopt uit en dromt samen en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren en van de duivel bezeten waren. Zie vers 32-34. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat is de Heere Jezus werkzaam in Zijn omvangrijke pastorale arbeid; na zo’n lange en intensieve dag van preken en vele ziekenbezoeken is het toch alleszins gewettigd dat de Pastor geniet van Zijn welverdiende nachtrust. Niettemin lezen we in vers 35.

„En des morgens vroeg, als het nog diep in de nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit en ging heen in een woeste plaats en bad aldaar”.

Jezus Zelf is een biddende Pastor geweest als geen ander!

Zo hebben ook de dienaren van Christus in het Nieuwe Testament gearbeid. Ze zochten de mensen thuis op (Hand. 5: 41,42; 20; 20,21).

Waar zou de kracht van bijv. Epafras in gelegen hebben anders dan in hetgeen Paulus van hem getuigt in Col. 4 : 12, nl. dat hij te allen tijd voor de Colossenzen strijdt in de gebeden?

Paulus doet voorbede voor de gemeente van Filippi (Fil. 1 : 4), Colosse (Col. 1 : 3, 9 en 10) enz. maar vraagt ook om de voorbede van de gemeente (Rom. 15:30, Ef. 6, 19). Daar is dus wederzijdse voorbede. De Schrift geeft voorbeelden van voorbede voor personen, bijv. bij ziekte (Jac. 5: 14) of zonde (1 Joh. 5: 16). Dit zou met vele andere voorbeelden kunnen worden uitgebreid. Ik hoop er iets van gezegd te hebben, waardoor we zien dat de Schrift zelf ons de noodzaak van gebed en pastoraat op het hart bindt.

Tenslotte: van Luther is het woord: Bene orasse, bene studuisse. Goed gebeden te hebben is goed gestudeerd te hebben. Met een variant hierop zouden we kunnen zeggen: Goed gebeden te hebben is goed pastoraat bedreven te hebben. Een biddende kerk is de sterkste kerk. Een biddende pastor…… neen, is niet de beste, want die bestaat niet in Gods Kerk. De slechtste kon wel eens de beste zijn, en de beste is niet meer dan een onnutte dienstknecht; maar wel mag een biddende pastor iets uitstralen van Hem, die de Grote Herder der schapen is, die uit de doden is wedergebracht, die leeft en meeleeft met Zijn volk, daar Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.