+ Meer informatie

Uit de praktijk

6 minuten leestijd

29.

Op een avond in 1940 zouden wij twee gezinnen gaan bezoeken. Op weg daarheen informeerde mijn ambtsbroeder of ik deze mensen al meer ontmoet had en of ik hen een weinig kende. Ik antwoordde daarop: Ik ken die mensen wel van aanzien, maar ik weet niet of die mensen van binnen zijn zoals zij van buiten schijnen; het zijn trouwe kerkgangers en onbesproken van wandel. We zullen maar proberen om ze aan het spreken te krijgen, misschien valt het nog wel mee.

Aangekomen bij de woning van het eerste gezin viel het ons op, dat we zeer koel werden ontvangen. Men kan het soms zo gauw merken of het bezoek gewenst is of niet; het beste is dan maar te doen of men niets merkt. Mijn ambtsbroeder begon een gesprek over de tijdelijke omstandigheden, waarin deze mensen verkeerden, en informeerde heel minzaam naar de onderlinge verhoudingen in het gezin.

Maar het scheen of deze mensen een verbond gemaakt hadden om in alle delen te zwijgen, er werd niet anders geantwoord dan met ja of neen, zodat mijn vriend al gauw de moed begon op te geven, waarop wij het woord overnamen. Maar wat wij ook bespraken over tijdelijke of geestelijke zaken, of wij de ernst des levens, de noodzakelijkheid der bekering, of het groot geluk van Gods volk naar voren brachten, we kregen niets los, men bleef zwijgen van alle kanten, zodat ten laatste, na aangedrongen te hebben om het ene nodige voor tijd en eeuwigheid te zoeken, onze vriend voorstelde om met gebed te eindigen en dan te vertrekken.

Op weg naar ons tweede bezoek gevoelden wij beiden behoefte om over het afgelegde bezoek van gedachten te wisselen. Zo heb ik het nog nooit beleefd, zei mijn kollega, het was of je tegen de muren zat te praten. Noch het één, noch het ander gaf enige merkbare indruk. Probeer zulke geesten maar eens te peilen. Ik hoop, dat we het straks wat beter mogen treffen. Nu waarde broeder, ik vrees, dat het daar ook niet zo goed zal gaan. Ik heb van buitenaf wel eens gehoord, dat die vrouw ook niet zo makkelijk is, maar laten we het maar afwachten hoe het is.

Aangekomen aan de woning werden wij zeer vriendelijk ontvangen door de vader van het gezin, en al spoedig konden we met elkaar spreken over de noodzakelijke dingen, die gekend moeten worden, zal het wel zijn. Wij vonden hier wel een open oor als het ging over dood en leven en over de verloren staat van de mens. Wij hoorden deze man verhalen van uitreddingen uit tijdelijke noden, en dat is op zichzelf al groot, maar toen wij op die dingen een weinig ingingen, moest hij eerlijk bekennen, dat deze dingen hem niet als een verbrokene van hart onder God hadden gebracht. Op ’s mans uitwendig leven was niets te zeggen. Hij was ijverig voor zijn gezin en werk en een zeer getrouw kerkganger, maar hoewel hij verstandelijk moest zeggen, dat al deze dingen tekort zijn voor de eeuwigheid en wel overtuigd was van de noodzakelijkheid van bekering, miste hij toch voor zichzelf alles wat nodig is gekend te worden. Deze man was openhartig tegenover ons, hij werkte niet met vergoelijkingen, wat men ook wel eens kan opmerken. Om het eenvoudig te zeggen: Hij zag het goed liggen, maar miste het noodzakelijkste.

Terwijl wij zo met de man spraken, zat zijn vrouw wel te luisteren, maar wij konden geen tekenen van instemming waarnemen, dus begonnen wij ook haar in een persoonlijk gesprek te betrekken, en hebben haar gevraagd hoe zij aangaande deze dingen stond, daar het toch voor ieder persoonlijk er op aan komt hoe onze verhouding tegenover de Heere is, want hoewel de verhouding in een huwelijk zeer goed en teer kan zijn, zo komt er toch eens een tijd van scheiden, en zullen wij elkander moeten loslaten, daar we alleen komen te staan voor onze Schepper. En zal het dan goed met ons gesteld zijn? Heeft er in ons leven een omkeer plaats gehad, dat we als verloren schepselen onze Schepper te voet zijn gevallen, want die dat ondervonden heeft, weet daar van. Wat denkt u er van? Dat vertel ik u niet, dat houd ik voor mezelf, was haar antwoord. Zo vrouw, u zei zoëven: Dat staat wel goed, maar als er nu eens een Goddelijk werk in u geopenbaard en er voor u een mogelijkheid om zalig te worden was geopend, zou u dan kunnen zwijgen van de goeddadigheid des Heeren? Zouden dan de stenen niet gaan spreken?

Man, houd maar op, want ik zeg niks. Daar heeft een ander niet mee te maken. Het is bij de mensen toch nooit goed. Ho even, vrouw, het gaat er eerst niet om wat de mensen ervan zeggen, maar wat zegt de Heere ervan, en weet Hij ervan? Laat me toe om op te merken, dat wij hier niet anders gesproken hebben dan de Heere ons in Zijn Woord voorschrijft, en wanneer de Heere een goed werk begonnen is in een zondaarshart, zou dat dan maar altijd verborgen kunnen blijven? O als een ziel in zijn ellende een oog krijgt buiten zichzelf, dat er voor zulk één nog redding mogelijk is, zal hij dan te allen tijde zwijgen? Daar dit zo wonderlijk groot is, dat ervoor hem nog zaligheid mogelijk is, dan kan naar zijn gedachte wel heel de wereld zalig worden. Vrouw, we zijn hier niet gekomen om te kritiseren, maar wel om te vragen en te luisteren of er zegen mag rusten op de bediening van het Woord, of dat Woord door de Heilige Geest kracht doet op de harten en of daar de vruchten van ondervonden worden. Hetgeen wij vanavond besproken hebben over het diep verderf, waarin wij verkeren, dat wij zo diep schuldig staan voor de Heere, daar moet toch wat van gekend worden. Kennen wij daar niets van en we menen op God te hopen, dan is onze hoop ijdel. Allerwegen in het Woord worden wij gewezen op onze rampzalige staat van nature, en derhalve lezen wij, dat wij zullen weten uit welk een staat wij verlost zijn, daarom is het zo noodzakelijk, dat we leren kennen onze verloren staat voor de eeuwigheid en hoe wij daaruit verlost worden, opdat wij onszelf niet bedriegen. Daarom, vrouw, na hetgeen u gezegd hebt, geven wij graag in overweging om toch te onderzoeken of het van binnen recht ligt tussen de Heere en uw ziel. Wij mensen zien maar tegen de buitenkant aan, maar de Heere ziet het hart aan.

Wij hebben na veel spreken dit gezin verlaten. Op weg naar huis zeiden we tot elkander: Wat is het toch een moeilijke avond geweest, en wat is het erg als een mens vastgelopen is op een klip van eigenwaan en inbeelding, en meent het bij het rechte eind te hebben, en dat zonder grond, dewijl het geen dageraad zal hebben als het niet is naar het Woord.

Als je zulke bezoeken meemaakt, zou je er een punt achter zetten, zei mijn kollega, maar eer we gingen scheiden, hebben we toch maar weer een afspraak gemaakt voor de volgende keer, zo de Heere wilde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.