+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

6 minuten leestijd

Calvijns rechtvaardigingsleer.

In deze leer gaat Calvijn zakelijk met cle lutherse leer akkoord, in welke die leer het „cor confessionis" (= het hart der belijdenis) is; al zijn er enkele verschillen, die echter het wezen der zaak niet raken.

Men bedenke in alles, dat Calvijn na Luther begon te werken en dat er ook subjectief tussen beide hervormers onderscheid was. Men lette alleen maar eens op cle gang van beider bekering: bij Luther door een diepe weg, bij Calvijn door een „plotselinge bekering." Maar bij beiden „sola fide."

Verder moet men Luther wel onderscheiden van zijn latere volgelingen, bij wie wel het „sola fide" (door het geloof alleen, d.i. niet door cle werken — niet door werken en geloof samen, n.1. gerechtvaardigd) bleef bestaan, maar clie praktisch terecht kwamen in een versteende rechtzinnigheid. Tegenover Rome handhaafde ook Calvijn in de rechtvaardiging de gerechtigheid des geloofs (= het rechtvaardig zijn door het geloof in Jezus Christus en niet uit de werken). Het juridisch karakter der rechtvaardiging komt ook bij hem scherp naar voren.

„Zo moeten wij eerst bedenken, " schrijft hij; „dat wij niet voor hebben te handelen van een zodanige rechtvaardigheid, clie voor een menselijke, maar van één, die voor de hemelse vierschaar bestaan kan. Voor het aanschijn Gods moetende verschijnen, is het om geen kluchtige woordenstrijd te doen, overmits daar cle zaak met ernst wordt behandeld."

„Derwaarts, derwaarts, moeten wij ons verstand wenden, als wij aangaande de ware gerechtigheid met vrucht willen onderzoek doen: hoe wij namelijk de hemelse Rechter zullen antwoorden, als Hij ons zal roepen om rekenschap te geven. Stellen wij ons die Rechter voor, niet zoals onze verstanden Hem gaarne afbeelden, maar zoals Hij ons in cle Schrift wordt afgeschilderd, door Wiens glans namelijk de sterren worden verduisterd, door Wiens kracht de bergen smelten, door Wiens gramschap de aarde wordt geschud, door Wiens wijsheid cle voorzichtigen in hun arglistigheid worden gevangen. Voor Wiens zuiverheid alle dingen onrein worden, Wiens gerechtigheid zelfs de engelen niet kunnen dragen.

Die de schuldige niet onschuldig houdt, Wiens wraak, wanneer zij is ontstoken, doordringt tot het diepst der hel.

Laat Hij, zeg ik, zitten om de handelingen der mensen te onderzoeken. Wie zal zich gerust voor Zijn troon stellen? Wie zal wonen bij een verterend vuur? zegt cle profeet (Jes. 33 : 14); wie zal verkeren bij een eeuwige gloed? Die in gerechtigheid wandelt en waarheid spreekt, enz. Maar laat een zodanige, wie hij zij, voor cle dag komen!

Ja, het antwoord op die vraag maakt, dat niemand verschijnt. Want daarentegen klinkt ons die schrikkelijke stem in de oren (Ps. 130 : 3): o Gij Heere! cle ongerechtigheid wilt gadeslaan, Pleere! wie zal bestaan. Inst. III 12-1. v.v.

Hier snijdt Calvijn alle werkgerechtig-

heid, alle eigengerechtigheid tot zaligheid bij de wortel af.

Maar — zonder gerechtigheid onzerzijds kunnen wij voor God niet bestaan; is er geen rechtvaardiging van Gods zijde mogelijk; ook zullen onze conscientiën nooit tot rust komen, noch God ons een Vader worden, die wij aanroepen in onze nood niet klein.

Dus kan de grond van onze rechtvaardiging niet liggen in ons, maar alleen in een Ander, in Jezus Christus, in Zijn verdiensten, die de onze moeten worden.

En deze worden de onze door toerekening van Gods zijde en aanneming door het rechtvaardigend geloof.

Rechtvaardiging betekent dan vergeving der zonden, een vrijspreken van schuld en straf, in genade opnemen en rechtvaardig verklaren door God de Rechter, een recht geven ten eeuwigen leven; niet op grond van onze verdiensten, maar op grond van die van Christus' verworven in Zijn passieve en actieve (Zijn lijdelijke en dadelijke) gehoorzaamheid; aangenomen door het geloof, dat geen verdienend werk is, maar een geschonken instrument, N.G.B. art. 22 en Heid. Gat. 60 en 61.

Alle roem is hier voor de mens uitgesloten. Of het moest zijn de roem in Christus Jezus onze Heere.

Tot staving van deze leer haalt hij natuurlijk telkens weer de Heilige Schrift aan. Maar ook gulden woorden van de kerkvader Bernardus. Hier volgt een gedeelte:

„En inderdaad, waar is voor de zwakken een veilige en vaste rust en vrede, dan alleen in de wonden van de Zaligmaker? Hoe groter vermogen Hij heeft, om zalig te maken, des te geinster woon ik daar. De wereld grimt, het lichaam perst, de duivel legt lagen; ik bezwijk niet, omdat ik gevestigd ben op een vaste steenrots; ik heb een zware zonde gezondigd, mijn geweten wordt ontroerd; maar het zal niet ontroerd blijven, want ik zal gedenken aan de wonden des Heeren."

Bernardus besluit hier uit: „Zo is dan de ontferming des Heeren mijn verdienste, zolang Hij niet zonder ontfermingen is en zo de barmhartigheden des Heeren vele zijn, zo ben ook ik dan veel in verdiensten.

Zal ik mijn gerechtigheden roemen? Heere, ik zal gedenken aan Uw gerechtigheid alleen, want zij is ook de mijne immers. Hij is mij Gode tot gerechtigheid geworden."

En verder: „U blijve de ere ongeschonden; mij gaat het wel, als ik de vrede bezitten mag. Ik wijs de eer geheel af, opdat ik, zo ik tot mij trek hetgeen het mijne niet is, ook het mij voorgestelde niet verlies.'

„Waartoe zou de kerk zich bekommeren om de verdienste? Daar zij een meer vaste en zekere reden heeft om te roemen in het voornemen Gods? Zo behoeft gij niet te vragen op grond van welke verdiensten wij het goede verwachten, vooral naardien gij bij de profeet (Ez. 36 : 22-32) hoort: k zal het niet doen om Uwentwil, maar om Mijnentwil, spreekt de Heere" Inst. III 12. 3. Ik gaf maar enkele hoofdlijnen van Calvijn's rechtvaardigingsleer. Men zal deze terug vinden in alle gereformeerde belijdenisschriften; dus ook in de onze.

Calvijns predestinatieleer.

Ook hierover nog een enkel woord. Het is ons bekend, dat wie Calvijn noemt, allicht denkt aan genoemd leerstuk: het leerstuk van de verkiezing en verwerping.

Men heeft deze leer wel eens genoemd de „centraalleer" van Calvijn. Dit is echter niet juist.

Wel moet erkend worden, dat deze leer voor hem van de grootste waarde was, waarom hij aantasting er van steeds heftig bestreed. Het was geen scholastieke vond. Het was voor hem de Heilige Schrift, die hem dit leerstuk onderwees aan de hand van Augustinus.

Vóór alles bleef hij ook hierin praktisch!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.