+ Meer informatie

Boekbespreking

5 minuten leestijd

Jodocus van Lodenstein, Overdenkingen. Dagelijkse meditaties over het gehele jaar 1659. Uitgegeven door dr. J. H. van de Bank. Uitg. Den Hertog BV Houten 1991. Prijs ƒ 65, —.

Eén van de bekendste Nadere Reformatoren uit de zeventiende eeuw was Jodocus van Lodenstein (1620-1677). Hoewel hij afkomstig was uit een regentengeslacht ging hij in Utrecht theologie studeren onder de leiding van met name Gisbertus Voetius. Voetius kreeg een grote invloed op Van Lodenstein en deze laatste heeft zijn leven lang veel waardering voor zijn leermeester gehouden. Van Lodenstein werd eerst predikant te Zoetermeer (1644), later in Sluis (1650) en tenslotte in Utrecht (1653). Dit laatste tot genoegen van Voetius, die zijn invloed had aangewend om zijn voormalige leerling in zijn woonplaats beroepen te krijgen.

In Utrecht heeft Van Lodenstein in allerlei actuele situaties zijn standpunt moeten bepalen. Zo moest hij zich rond 1658 uitspreken over de verhouding tussen de stadsregering en de kerk inzake het gebruik van de zogenaamde kerkelijke goederen. De ruzie daarover liep in 1660 zo hoog op dat het twee ambtgenoten van Van Lodenstein, namelijk Abraham van de Velde en Johannes Teellinck op verbanning kwam te staan. Naar het schijnt ontliep Van Lodenstein een dergelijk lot vanwege zijn grote populariteit.

Bewogen voor hem was ook 1672 toen de Fransen Utrecht veroverden en bij hun terugtocht Van Lodenstein met een aantal andere voorname burgers als gijzelaars meevoerden. Na het betalen van een losgeld werden ze weer losgelaten.

Jodocus van Lodenstein overleed in 1677. Zijn laatste woorden waren: "Ik ben zeer vol •van gedachten”.

Enige tijd geleden kreeg dr. Van de Bank een manuscript onder ogen met overdenkingen van Van Lodenstein uit het jaar 1659, het jaar dus van het conflict met de overheid. Het is dit manuscript, dat onlangs in een fraai boek uitgegeven werd. De uitgever omschreef zijn werkwijze daarbij volgens het Woord vooraf aldus:

"Gepoogd is enerzijds een wetenschappelijk-verantwoorde uitgave te presenteren, anderzijds beoogt de bewerker diegenen, die de auteurs van de Nadere Reformatie plegen te lezen en te bestuderen een tot dusver onbekend deel van Van Lodensteins schrijversarbeidte ontsluiten". Wat hij daaronder verstond, vertelde dr. Van de Bank tijdens de presentatie vorig jaar december.

Hij had het handschrift niet willen hertalen, omdat "dat theologisch gevaarlijk is (er kan èen verkeerde gedachte ingebracht worden), en omdat zo geen recht wordt gedaan aan de scribent". Daarom was de oud-Nederlandse taal voorzien van verklarende kanttekeningen. 'ifyf^M:

Mijns inziens is de uitgever in zijn opzet geslaagd. Maar dat neemt niet weg dat het toch echt geen eenvoudige kost is, die men krijgt opgediend. Ik kan me voorstellen, dat de "gewone" lezer met deze uitgave wel wat moeite zal hebben. Van Lodenstein formuleerde namelijk moeilijk en de oude spelling, die in het boek gehandhaafd bleef, laat zich ook niet echt vlot lezen. Lezers van de Overdenkingen zullen zich moeite moeten getroosten om zich het werk eigen te kunnen maken. Dat is overigens geen bezwaar tegen deze uitgave, in het geheel niet, het is een vaststelling, waaraan toegevoegd moet worden dat men voor de genomen moeite rijkelijk beloond wordt met de inhoud van het werk.

Wat de inhoud zelf betreft, merkt de uitgever op dat een systematische ordening niet is aan te brengen. Soms mediteerde Van Lodenstein een aantal dagen over één bepaald onderwerp, zoals van 7 februari tot en met 2 april over de lijdensgeschiedenis, van 6 juni tot en met 18 augustus over de kerkelijke macht en van 25 oktober tot en met 21 november over de gezelschappen, soms ook omvatte een meditatie één dag.

Eén van de kortere meditaties voeg ik aan deze bespreking toe, zodat de lezer voor zichzelf enigszins een oordeel kan vormen. Van Lodenstein schreef deze overdenking op 1 februari, nadat hij gecatechiseerd had.

Achter een paar van de moeilijke woorden is de verklaring geplaatst, die in het werk zelf in de kantlijn te vinden is.

1 febrewari 1659

Als ick heden enige lieden onderwees in de belydenis en handelde van des menschen elendigheyt, wiert ick levendig gewaer dat de Geest Godts inwendig leren moet tot regte kennis. Want sprekende van de erfsonden en die beschryvende te syn sodanig eene totale verdurventheyt en boosheyt des menschen, soo dagt ick: dat kan ick ulieden wel leeren.

Maer dien gruwel te sien en in syn hert te sien dat gecriel van adderen en serpenten der boser sonden, dat is eerst de kennisse en dat en kan ick niet leeren. Dat oock veel te seggen dat het daerin bestaet, mag niet syn om de siele daerna te doen verlangen en bidden. Dog sulcks te wercken is onmoogelyck en heeft syn perykel (gevaar) dat de mensche dat leeren en soo naseggen sal, verklarende in syn herte sulcks eengesigte te hebben, etc.

Nu ditselve heeft ontwyfelyck plaets in alle pointen der waerheyt en soude door serieuse meditatie en opscherpinge van gevoelen etc. uytgevonden cunnen werden.

Og, myn siele, weest dog in een gedurige beweginge daerhenen, agt die wetenschap niet welcks indruck of erkentenis gy alsoo niet en gevoelt. Bid daerom geduriglyck en let verstandelyck op de bewegingen der cleynen christenen die dit sonder bemantelinge van geleerde speculatien (bespiegelingen) geleert wert en gevoelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.