+ Meer informatie

UIT DE PRAKTIJK

3 minuten leestijd

30

Er werd ons eens door de kerkeraad opgedragen om een lidmaat te gaan bezoeken, die al enige tijd de gewoonte had aangenomen om de eigen kerk voorbij te lopen en een andere kerk te bezoeken. Deze persoon vanaf onze jeugd wel kennende, zeiden wij: dat kan wat worden, want die kan zijn mond wel roeren, en hij is niet zo verlegen uitgevallen.

Nadat wij vriendelijk waren ontvangen, deelden wij het doel van onze komst mede. Hij had wel eerder bezoek verwacht, want van huis uit wel onderwezen zijnde, wist hij heel goed, dat zijn handelen niet naar de kerkelijke orde en overeenkomstig zijn belijdenis was. Op onze vraag wat de oorzaak was van dit zijn handelen, kwamen zijn bezwaren willig los. De voorstelling van de waarheid stond hem niet meer aan; als ik die andere predikant beluister, dan hoor ik heel iets anders, en daar ben ik het beter mee eens. Waarom moet er altijd in de preek zo gedrukt worden op de verloren staat des mensen? Als je daar goed naar luistert, dan is het onmogelijk om zalig te worden, dan is er geen doen aan, het schijnt maar voor een paar bijzondere mensen weggelegd te zijn. Neen, dan hoor ik bij die andere predikant wat anders; hij zegt ook, dat een mens een gevallen schepsel is, maar die ruimte, die hij preekt, daar krijg je nog eens adem bij, want het komt toch op het geloof aan, dat is toch de weg om zalig te worden, en dat het met een mens van nature niet goed staat, dat behoeft zo gedurig niet gezegd te worden. Er moet veel meer gunnend gepreekt worden, dan kan een mens nog eens meegaan en dan neem je wat mee naar huis. En omdat ik dat graag hoor, ga ik naar die andere kerk en kan het bij jullie niet meer vinden.

Dus kregen wij hier heel wat te horen waarop we terdege moesten ingaan. Wel vriend, wij kennen elkander al langer dan vandaag. U bent opgevoed onder een leer waar u nu onder uit loopt; uw ouders hebben u voorgehouden dat een mens, zal het wel met hem zijn. in dit leven tot God moet bekeerd worden, daar wij allen liggen onder de vloek en toorn van God, doordat wij in Adam tegen onze Schepper hebben gezondigd en Zijn geboden niet hebben geacht. Hier moet een mens wat van beleven, de verstandelijke kennis hiervan maakt ons niet zalig, want dan zou de hele gemeente bekeerd zijn, hoewel het ook weer niet buiten het verstand omgaat; maar zich te bevinden zulk een mens te zijn, die doodschuldig is voor het hoogste Wezen, en zich daarom leert verfoeien in het verborgen voor God, en hierin zijn schuld leert kennen en bewenen en zo geen bestaan meer heeft, die in de nood van zijn ziel wordt uitgedreven en leert roepen tot een God, waarvan hij wel gehoord heeft, maar Hem niet kent; wat dunkt u, zou er voor zo iemand nog een mogelijkheid zijn om gered te worden buiten God?

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.