+ Meer informatie

Op het randje van de kerk

6 minuten leestijd

Wat moeiten we aan met leden van de kerk, die nooit meer de diensten willen bijwonen en die het verder ook in alle opzichten latent afweten?

Een vraag die teicens weer op het agendum van de kerkeraad voorkomt of die bij de rondvraag door één van de leden aan de orde gesteld wordt. Een bijzonder moeilijke vraag, waarop men wel verschillende antwoorden heeft gegeven, maar hèt antwoord heeft men blijkbaar nog niet gevonden want de zaak komt geregeld weer ter sprake.

Er moet in onze kerken een tijd geweest zijn, waarin dergelijke „gevallen” niet of slechts zeer sporadisch voorkwamen maar die tijd is voorbij en tegenwoordig zal er praktisch geen kerkeraaid meer zijn of hij krijgt met het verschijnsel „randkerkelijkheid” te maken. In de plattelandsgemeenten zal het aantal „papieren leden” in de regel betrekkelijk klein zijn maar in de steden worden percentages van 10 en hoger genoemd.

Het zal duidelijk zijn dat er vele oorzaken zijn aan te geven, waardoor zowel doopleden als belijdende leden van de kerk, waartoe ze behoren, vervreemden maar het is niet de bedoeling van dit artikel daarop verder in te gaan.

De vraag, die hier aan de orde gesteld wordt, luidt: Wat moeten de ketrkeraden doen?

Er zijn al meerdere stammen opgegaan, die aandringen op „schrappen”. Niet zonder meer natuurlijk maar na herhaalde bezoeken en na ernstige vermaningen. Als die geen enkel positief resultaat opleveren, wil men aan deze ontrouw geworden leden meedelen, dat de kerkeraad met leedwezen heeft geconstateerd, dat de betrokkenen, niet door een officiële mededeling, maar wèl roet de daad, hebben gebroken met de kerk waartoe ze behoreni. Graag zou de kerkeraad zien, dat in hun houding een verandering te goede kwam maar anders moet, tenzij er vóór een bepaalde datum een tegenbericht komt, worden aangeno men dat geen prijs meer gesteld wordt op het lidmaatschap van de kerk.

Hoe sterk de gedachten van velen in deze richting gaan, blijkt uit het feit dat de particuliere synode van het westen een instructie in deze geest op de tafel van de generale synode van 1962 heeft gelegd. Deze synode heeft echter deze instructie verworpen en uitgesproken dat royement in strijd is met het gereformeerde kerkrecht. Als enige weg voor de hierboven genoemde gevallen ziet de synode het toepassen van de kerkelijke censuur. (Zie acta G.S. 1962, art. 95).

De synode heeft dus gesproken maar of zij daarmee het bevredigende antwoord heeft gegeven, moet echter betwijfeld worden Het is natuurlijk onmogelijk een volledig inzicht te krijgen in de handelingen van de kerkeraden op dit punt, maar de praktijk maakt wel duidelijk dat slechts weinige kerkeraden er de facto toe overgaan om voor genoemde gevallen de kerkelijke censuur toe te passen. Blijkbaar vraagt men zich terecht af: Hoe valt hier van het toepassen van de censuur enig positief resultaat te verwachten?

Want in verreweg de meeste gevallen hebben we te maken met leden, die, juist omdat de band aan de kerk zo los is, geen duidelijk inzicht hebben in de betekenis van de kerkelijke censuur. Men kan proberen hun duidelijk te maken, dat toepassing van tucht een medische aangelegenheid is maar deze poging is bijvoorbaat tot mislukking gedoemd. Ze zullen het blijven zien als een soort tegenzet van de kerk, om maar niet te spreken over een strafmaatregel. En ze zetten de stekels nog verder overeind.

In dit verband moge herinnerd worden aan een uitspraak van een wijs man in onze kerken, die ongeveer hierop neer kwam:„De tucht zal alleen gunstig werken bij hen die geestelijk leven kennen.” En dat is in de roos geschoten. Een arts mag alleen resultaat van een medische behandeling verwachten als de patiënt (nog) leeft. Een poging om een dode te cureren sorteert geen effect.

De kerkeraden voelen blijkbaar intuïtief aan dat de zaken hier in dezelfde lijn liggen en daarom aarzelen ze met het opvolgen van het synodaal advies.

Maar de synode heeft gelijk als zij zegt, dat royement ook niet de oplossing is. Daarin ligt immers duidelijk de tendens van afstoting, in elk geval van definitieve loslating. En is dat te verantwoorden? Het is zoiets als het omdraaien van de sleutel van de deur waardoor iemand weggegaan is. En dan mag hij wel terugkeren maar dan moet hij toch eerst maar eens fatsoenlijk aanbellen.

Moet het zo, mag het zo in de kerk van Jezus Christus?

Of leert het evangelie ons dat we de deur voortdurend moeten openhouden, ja, dat we zelfs op de uitkijk moeten staan om de terugkerende te begroeten? Dat betekent dus, dat we de afgedwaalden in het oog moeten houden.

We moeten hun namen steeds weer lezen in het ledenregister en in de huisbezoekboekjes, waardoor we aan hen worden herinnerd.

Een zware belasting van de kerkeraad? Zonder twijfel. Maar is het in vele gevallen niet beter om twee intensieve bezoeken te brengen aan deze „randkerkelijken” dan vier routine-bezoeken aan leden, die trouw meeleven?

In dit verband moge ook de gedachte van het adoptie-systeem worden doorgegeven. Dat houdt in, dat een goed kerkelijk gezin wordt gevraagd een rand-kerkelijk gezin te adopteren. Die adoptie dient dan daarin te bestaan dat geprobeerd wordt met het laatste gezin in contact te komen en met het wél en wee van dat gezin mee te leven, om het ervan te overtuigen, dat er van loslating juist geen sprake is. Dat kerkelijke gezin vormt dan als het ware de observatie-post van waaruit bepaalde gebeurtenissen aan de ambtsdragers kunnen worden doorgegeven. Deze zullen dan de kansen tijdig kunnen benutten.

Hierbij dient ook de voorbede een voorname rol te spelen want indien ergens, dan blijkt in deze gevallen, hoezeer we afhankelijk zijn van de werking van de Heilige Geest.

Nog één punt, dat soms zwaar schijnt te wegen, moge hier even genoemd worden. Door ons systeem van hoofdelijke omslag voor de diverse kerkelijke kassen, worden gemeenten met een brede zoom van randkerkelijken in financieel opzicht extra belast, omdat het aantal leden dat de geldelijke offers brengt belangrijk kleiner is dan het aantal dat officieel te boek staat. Dit zou zó kunnen worden opgelost dat de kerkeraad zelf bepaalt voor welk aantal leden de gemeente voor de bijdrage aan de kerkelijke kassen, verantwoordelijk kan worden gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.