+ Meer informatie

„Wie had dit toch ooit van den dichter der Genade verwacht ?

Jacob van Lennep keerde terug naar „verlicht" liberaal milieu

10 minuten leestijd

De bekende dichter en romanschrijver Jacob van Lennep (1802-1868), zoon van de liberale hoogleraar David Jacob van Lennep, werd tijdens zijn studietijd te Leiden door vrienden meegenomen naar de privaatcolleges van de hier woonachtige Bilderdijk. De kennismaking met deze grote dichter en geleerde bracht een opmerkelijke geestelijke verandering bij Van Lennep te weeg, hetgeen onder andere in zijn uitvoerige gedicht "De Genade" tot uitdrukking werd gebracht. Tot leedwezen van Da Costa en andere vrienden kwam hij later op zijn aanvankelijk beleden „dweepzieke" gevoelens terug, zodat Willem de Clercq in zijn beroemd geworden Dagboek noteerde: „Wie had dit van den dichter der Genade verwacht?"

Jacob van Lennep, op 24 maart 1802 te Amsterdam geboren, was een vroegrijp kind. Reeds op driejarige leeftijd was hij de leeskunst machtig en schreef hij eigenhandig een briefje aan zijn grootvader. Een groot gedeelte van zijn jeugd bracht hij in de „wel gestoffeerde boekekamers" door. En toen de kleine Ko, zoals hij werd genoemd, op zijn twaalfde jaar de particuliere school van een zekere heer J. Deeleman verliet, kon hij niet alleen alle Franse boeken lezen zonder een woordenboek te raadplegen, maar kende hij ook de hoofdzaken van de vaderlandse en algemene geschiedenis en had behoorlijke vorderingen gemaakt in de wiskunde.



Een met zijn vrienden aangegane weddenschap bewees dat hij iedere willekeurig aangewezen fabel van La Fontaine zonder haperen uit het hoofd kon opzeggen. Met dichters als Racine, Goethe en Shakespeare was hij in de „respectieve" talen vertrouwd. Romans werden in grote hoeveelheden verslonden en op zijn twaalfde jaar was hij naar eigen zeggen „meer thuis in de tooneelliteratuur en de tooneelwaereld dan de meeste menschen op hun vijftigste". Toen Jacob zeventien jaar was, verliet hij de Latijnse school met een tweede prijs en hield bij deze gelegenheid een oratie in Latijnse verzen. Vervolgens vertrok hij naar de universiteit te Leiden.



Discipel van Bilderdijk



Tijdens zijn verblijf in de universiteitsstad namen enkele vrienden, waarschijnlijk Da Costa en Dirk van Hogendorp, hem mee voor een bezoek aan Bilderdijk, de „leraar der ontluikende jeugd", zoals Byvanck hem noemt. Ten gevolge van de omgang met deze bijzondere en toch ook bizarre dichter, openbaarde zich volgens Jacobs biograaf niet alleen „een geweldige reactie in  zijn politieke gevoelens", maar ook in zijn godsdienstige opvatting, die in sterke tegenstelling stond met die van het „verlicht" liberaal milieu waaruit hij was voortgekomen.



„Men kan zich voorstellen", zo schrijft Van Lenneps kleinzoon, „met welk een genot J. v. L. naar de vurige wegsleepende taal van den meester luisterde, en de grijsaard zal wederkeerig met welbehagen het oog op den dichterlijken jongeling hebben doen rusten, van wien hij voor het bewaren en voortplanten zijner, hem heilige grondstellingen zooveel mocht verwachten".



Bilderdijk rekende echter buiten de waard, in casu buiten Van Lennep sr., die de vurige bewondering van zoonlief voor de zonderlinge Bilderdijk allerminst deelde. Hoewel hij van diens grote gaven overtuigd was, had hij hem liefst door overplaatsing naar een der „zuidelijke academiën" in het destijds bij ons koninkrijk behorende België, onschadelijk gemaakt. Bilderdijk plaatste immers de kerkelijke en staatkundige tegenstellingen weer in het licht van de vroegere strijd tussen de gereformeerden en de remonstranten, tussen Oranjegezinden en regenten. Van Lennep sr. was huiverig voor de hypnotische invloed van de grijze bard (verheven (volks)dichter). „Twee of drie bezoeken hebben mijn zoon reeds tot een proselyt van hem gemaakt en schoon ik op zijne jaren liever zie, dat hij in dit dan in het tegenovergestelde exces valle, zoo behagen mij echter geene excessen, hoe ook genaamd", zo verzuchtte hij tegen de geestverwante minister Falck. „Vreemd is het, zoo hij (Bilderdijk) de jongelieden wegsleept". Enige godsdienst, mits matig gedoseerd, kan volgens de hoogleraar nuttig en zelfs aangenaam zijn, maar dan niet in de geest van die extreme Bilderdijk!



"De Genade"



Jacobs dichtader had inmiddels rijkelijk gevloeid. Een in 1826 uitgegeven bundel, "Academische Idyllen", was aan Bilderdijk opgedragen. De inhoud kon in de ogen van zijn vader nog wel door de beugel. Moeilijker werd hét ten aanzien van een in 1827 verschenen uitgave van "De Genade". Het betrof hier een omgewerkte vertaling van de Franse dichter Louis Racine. In dit gedicht werd de leer van de zaligheid uit genade alleen en de uitverkiezing door God volgens „het streng-gereformeerde leerbegrip" ontwikkeld, aldus Jacobs biograaf.



In een voorrede en in de uitvoerige aantekeningen van Van Lennep herkenden de tijdgenoten maar al te duidelijk de denkbeelden van „dwepers" en „geestdrijvers" als Da Costa cum suis, schreef Van Lenneps kleinzoon. „In elk geval vond men het ongepast dat een jong mensch van nog geen vijf en twintig jaren en dan nog wel geen godgeleerde van professie, zich een eigen oordeel aanmatigde over zulke diepgaande theologische geschilpunten als genade en onmacht, predestinatie en vrije wil en wat dies meer zij!"



Vader Van Lennep was diep „geschokt" en „bedroefd" over de handelwijze van zijn zo veelbelovende zoon, die nu in het kamp der „geestdrijvers" was terechtgekomen. Hij ging zijn zoon persoonlijk opzoeken en vermanen. Deze was hierover zeer ontdaan. „Ik heb de minachting mijns dierbaren vaders ondervonden; diep, zeer diep heeft die mij getroffen, daar ik volstrekt niet vermoed had dat mijn werk die zoude teweegbrengen".



Boetekleed



In een aan zijn vader geschreven zeer uity.o.erigP brief trok Jacob het boetekleed aan: „Ik sta voor uwe oogen met den blaam van duivelsche hoogmoed besmet", beleed hij. Hij gaf zijn vader toe dat over dogmatische zaken „diepe kunde" werd vereist, „doch de leer zelve kan, mijns inziens, zoowel door den armen van geest, den geringen, den ongeletterden, mits hij God met een nederig hart om zijnen Heiligen Geest bidde, als door den kundigsten en geleerdsten Leeraar, gekend en verdedigd worden".



„Ik heb meermalen schippers, winkeliers en andere eenvoudige menschen ontmoet", zo vervolgt hij, „die in geestelijke zaken zulke heldere en zelfs schitterende begrippen hadden, dat eenig geleerde die gaarne zou verkregen hebben". En wat de beschuldiging van „verregaande jeugdige overmoed" betreft, wijst hij zijn vader er op dat volgens de Bijbel „het meest overal jongelingen zijn die God begenadigt", zoals David, Daniël enzovoorts. Jacob durft zich met geen der genoemde jongelingen te vergelijken. Niettemin mag hij niet ontkennen „Gode dankbaar te wezen voor het grote werk der bekering" dat Hij in hem heeft verricht. 



„En mij is onnoemelijk veel kwijtgescholden, mij die de voornaamste der zondaren was, die God en den naaste haatte, die de zwaarste straf verdiende. Maar sints ik Gods genade leerde kennen en haren invloed op mijn ziel gevoelde, sints ik om met Paulus te spreken, gegrepen werd, vloeide mijne ziel over van geluk". Maar aan het slot van zijn brief beloofde hij zijn „waarde en nooit genoeg beminde vader" alles te vermijden wat naar „Sectengeest of Factiezucht" zweemt.



Vader Van Lennep antwoordt vervolgens zijn zoon dat hij hem slechts wilde waarschuwen voor „eenzijdige voorstellingen". Hij bedankt hem tevens voor zo veel bereidwilligheid om hem te gelieven, maar vermaant hem tevens met het oog op zijn kinderen: „Bedenk u nogmaals of het niet uw pligt is hen tegen het gevaar der kinderziekte door de vaccine te beveiligen, en of uw afkeer van dit middel niet mede zijn grond heeft in geestdrijverij en waan".



„Beter inzicht"



Jacob wordt echter, zoals zijavader had gehoopt, in zijn „extreme gevoelens" aan het wankelen gebracht. In een ongeveer een halfjaar later geschreven brief aan een vriend geeft hij hiervan het bewijs. Ten gevolge van de omgang met Bilderdijk, Da Costa en Capadose, met de godvrezende Waalse predikant James en vooral met de uitgeweken Zwitserse predikant Chavannes, die hij als een „hemelbode" had beschouwd, was hij destijds tot andere gevoelens gebracht. Had hij hierin evenwel toch niet gedwaald? „Nu begreep ik ook zonneklaar, dat al de menschen, die ik te voren als braaf beschouwd had en godvrezend, zoo als mijne grootmoeder, mijn vader, mijne vrouw, mijne zuster en gij ook, beste vriend! verdoemd waren, indien zij niet bekeerd werden op onze manier". Hij is er echter geleidelijk wel achter gekomen dat Da Costa c.s. „den boel deerlijk uit allen verband gerukt hadden", maar hij wenst en bidt om meer licht voor zijn ziel.



In een in deze tijd bijgehouden dagboek brengt hij ook de historie van de in de Lutherse Kerk afgezette proponent Kohlbrugge ter sprake, hetgeen hem aanleiding geeft tot de volgende ontboezeming: „O God! hoe moet ik U danken dat ik een beter inzicht in de zaken van de leer heb ontvangen dan ik tot nog toe, door dweperij en hoogmoed vervoerd, gekend heb". De lezing van het boek van prof. J. H. Regenbogen over de "Historie der Remonstranten" deed hem zijn negatieve oordeel over genoemde richting wijzigen: „O God! vergeef mij het harde oordeel dat ik over hen geveld heb!"



Langzamerhand begon Jacob van Lennep zich te schamen over de tijd waarin hij „dweepte", schrijft zijn biograaf. „Al verloor hij nooit het geloof aan God, hij diende dien God niet meer als in de dagen der "Genade". Hij werd volgens deze zelfs „onverschillig ja min of meer sceptisch, waardoor zijn omgang met ongeloovige vrienden meewerkte".



De goede oude tijd



Bilderdijk was inmiddels gestorven. De vriendschap met Da Costa bleef wel bestaan, maar de vertrouwelijke omgang en intimiteit van vroeger keerden nooit weer terug. De briefwisseling van Van Lennep met Da Costa beslaat niet minder dan 60 bladzijden kwarto. Toen Renans "Vie de Jésus" —schriftkritisch van karakter— uitkwam, verklaarde Van Lennep zich met de inhoud zeer ingenomen. Da Costa vermaande zijn vriend om toe te zien „of die twijfelingen aangaande het gezag der Heilige Schrift niet voortkwamen uit de noodlottige begeerte om tegelijk God en de wereld te dienen".



Welnu, van de waardering van de wereld heeft Van Lennep volop zijn deel gehad. Wie kennis neemt van de indrukwekkende lijst van zijn benoemingen en onderscheidingen (meer dan zestig), komt onder de indruk van zijn werkzaam heden en ondervonden waardering.





Toen de rechter mr. W. baron van Lynden tijdens beider lidmaatschap van de Tweede Kamer Van Lennep toevoegde: „Wat is het jammer, mijnheer Van Lennep, dat gij zoo veranderd zijt in uwe godsdienstige overtuiging sedert gij uwe "Genade" schreeft", zei de aangesprokene: „Ja, dat was de oude tijd", waarop Van Lynden repliceerde: „Ja, de goede oude tijd!"



Willem de Clercq vroeg Van Lennep bij zekere gelegenheid of hij van Da Costa en Capadose was afgevallen. Van Lennep ontkende dit toen, maar hij was wel van mening „dat bij Da Costa alles thans zoo verketterd en veroordeeld werd en de menschen maar zoo in bekeerden en niet bekeerden werden onderscheiden".



Wie had dit verwacht?



De veelbelovende discipel van Bilderdijk liet tot aan zijn dood in 1868 van zich spreken, inzonderheid op letterkundig terrein, onder andere door zijn talrijke publikaties, zijn Vondel-uitgave, zijn contacten met Gerrit van der Linde (de Schoolmeester) en Multatuii, van wie Van Lennep als eerste diens beroemde Max Havelaar uitgaf. Menig leerling van het voortgezet onderwijs zal zich Van Lenneps historische roman "Ferdinand fluyek" wel herinneren.



In de verdediging van het "droit divin", het goddelijk recht der vorsten, bleef hij Bilderdijkiaan en hij huldigde de grote dichter als een tweede Vondel. Niettemin, als diens geestelijke zoon, zoals Da Costa en Capadose, beschouwde hij zich niet. Hij toonde zich een waardige zoon van Van Lennep sr., die niet „van excessen, hoegenaamd ook", hield. Een succesvolle carrière was dientengevolge voor hem weggelegd. Aan het einde van zijn leven betuigde hij: „Ik heb alles genoten wat het leven geven kan en ben bereid te sterven". Dat was alles.



De gewetensvolle Clercq peinsde lang over deze zaken en noteerde vervolgens in zijn dagboek dat Van Lennep naar zijn mening „van het eene uiterste tot het andere is overgeslagen, daar hij de Openbaring aan de rede onderwerpt en zich zelfs lichtvaardig over de Openbaring uitlaat". Dit brengt hem ten slotte tot de verzuchting: „Wie had dit van den dichter der Genade verwacht?"


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.