+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

5 minuten leestijd

32

DE EIGENSCHAPPEN GODS. b. de MEDEDEELBARE eigenschappen (vervolg).

In onze vorige les hebben we de vraag behandeld, wat we onder deze mededeelbare eigenschappen Gods hebben te verstaan.

We kunnen deze eigenschappen verdelen in drie hoofdgroepen: Gods WETENSCHAP, WIL en MACHT.

Gods WETENSCHAP

Zij is die eigenschap Gods, waarbij God alle dingen weet op grond van Zijn eeuwig raadsbesluit.

Dit laatste voegen wij eraan toe, opdat we wel zouden verstaan, dat Gods wetenschap niet los staat van Zijn besluiten van eeuwigheid. Dit toch leren de remonstranten. Vader Hellenbroek spreekt in zijn vragenboekje van een zgn. „middelkennis”.

De remonstranten leren, dat God besloot..... omdat Hij wist. Het betreft hier de leer der uitverkiezing. Zij zeggen: God wist van eeuwigheid, wie er in Hem zouden geloven (geloven als daad van de vrije wil van de mens, zo zien de remonstranten namelijk het geloven) en die besloot God uit te verkiezen. Duidelijk is, dat men dus de uitverkiezing afhankelijk stelt van de mens. Deze ontzettende dwaalleer is vrucht van het oude pelagianisme. U weet, Pelagius leerde de vrije wil van de mens tot het goede.

Dit pelagianisme is nog niet uitgestorven. Hoe langer hoe meer zien we thans in het stuk van de bekering des mensen weer de wil van de mens zo sterk benadrukken, dat men ’t zalig-worden laat afhangen van de wil des mensen. We zien dit duidelijk bij de Pinkstergroepen en welk een vaak ongemerkte verdervende invloed gaat hiervan uit.

Gaat de bekering dan geheel buiten de wil van de mens om? D.w.z. blijft de zondaar ONwillig wanneer de Heere hem bekeert? Neen. Maar dan buigt God eerst de wil van de mens geheel om, want de wil is boos en verkeerd van nature. „Uw volk zal zeer gewillig zijn...... op de dag van Uw heirkracht”. Ps. 110. Dan wordt de levensvraag geboren: „Heere, wat wilt GIJ, dat ik doen zal?” En na ontvangen genade heeft Gods kind telkens weer te doen met zijn oude, verdorven, onwillige natuur. Zie bij Paulus in Rom. 7: 19: „Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Zo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt”. De psalmdichter smeekt in Ps. 77: „Leer mij naar Uw wil te hand’len”. ’s Heeren volk moet in wegen van druk steeds vragen: O Heere, bewaar mij voor opstand en leer mij het „Uw wil geschiede”.

Neen, de bekering hangt niet af van de vrije wil van de zondaar, al blijft de verantwoordelijkheid geheel op hem rusten. Onze belijdenis geschriften zijn ten deze zeer duidelijk. Ach, dat wij ze toch meer lezen, vooral ook onze jonge mensen. We mogen daarbij wijzen op de „Dordtse leerregels” hoofdstuk III/IV - nr. 8 t/m 12. Wat een kernachtige uitspraken.

God is de ALWETENDE. „Gij weet mijn zitten en mijn opstaan. Gij verstaat van verre mijn gedachten”. Ps. 139: 2.

God is ook de ALWIJZE God. Hij is de „Opperste Wijsheid”, Spr. 1: 20. „O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods”, zo roept de apostel uit in Rom. 11 ; 33.

Wat is Gods wijsheid?

„Dat God door de beste middelen het hoogste doel bereikt”.

God bedient Zich vaak van het kleine, om grote dingen tot stand te brengen. Een treffend voorbeeld vinden we daarvan in de geschiedenis van Naarnan. De wegvoering van dat eenvoudig Joodse slavinnetje uit Israël, dat terechtkomt in het huis van Naâman, heeft middellijk mogen leiden tot de genezing van Naâman.

De hoogste openbaring van Gods wijsheid is geweest in de verordinering en de zending van Jezus Christus op aarde als de Middelaar en Borg van Zijn volk!

Als scheppingsgaven heeft God ook de mens gaven van wijsheid gegeven en vrstand om wetenschappen te beoefenen. In de vorige les hebben we opgemerkt, dat wij het beeld Gods naar de engere zin, dat iso.m. de ware kennis Gods, verloren hebben, maar dat we de sporen van het beeld Gods nog kunnen zien. En die sporen zijn de gaven van Gods algemene goedheid, ook inzake de beoefening van wetenschappen.

Wat is het verschil tussen „wetenschap” en „wijsheid”?

„Wetenschap” is een gave, waardoor men kennis vergadert door lezen en studie.

„Wijsheid” is een gave, die men niet kan aanleren of verkrijgen door studie.

Iemand, die veel weet, is nog niet altijd een „wijs” mens. En omgekeerd kan iemand. die weinig verstandelijke kennis bezit, toch wijs zijn. Wijsheid is „een inzicht hebben in de dingen”.

Maar het allervoornaamste is de ware wijsheid te verkrijgen, waarvan de spreukendichter schrijft: „De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid”. Spr. 9:10.

Deze wijsheid is dus vrucht van het zaligmakend werk van de Heilige Geest, herstelling van het beeld Gods in de wedergeboorte. Zij ’t onze bede:


En dat Uw Geest, mij ware wijsheid leer,
Mijn oog verlicht, de nevels op doe klaren;
Dat mijne ziel de wond’ren zie en eer’,
Die in Uw et alom zich openbaren.


R’dam-W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.