+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

59

Wij hebben de genade des Heeren ernstig te zoeken om te volharden in het geloof dat de wereld overwint. Ons verdorven bestaan is altijd weer geneigd af te wijken van de Heere en van Zijn wegen.

Demas is niet staande gebleven in het geloof. Hij heeft mij verlaten, zegt Paulus, hij heeft de tegenwoordige wereld liefgekregen en is naar Thessalonika gereisd. Een korte mededeling met een ingrijpende en vérstrekkende inhoud, die ’t hart der oprechten bedroeft.

De man had naar zijn oordeel een mijn van grote betekenis ontdekt. Een zilvermijn kwam zijn hart in te nemen en dat deed hem de weg der zaligheid verlaten. En daaruit bleek dat de Zaligmaker der wereld hem niet echt dierbaar was als een geschenk van de Vader. De Heere Jezus heeft Zijn volk, Hem geschonken door de Vader, voor al de koninkrijken van deze wereld niet prijsgegeven. Hij had hen lief, heeft Zijn leven voor hen gegeven. Maar wordt die liefde tot verbinding aan Hem niet gezocht en niet gevonden, dan zijn en blijven wij wereldburgers met al onze godsdienst.

Vroeg of laat krijgt dat hart, daar het niet vernieuwd is, de tegenwoordige wereld weer daadwerkelijk lief en zie, het gaat er in onder. De vrouw van Lot was op weg naar Zoar en zij keek naar Sodom heen, want aan die ijdele stad was zij met haar hart verbonden, en zij veranderde in een zoutpilaar. Een oud monument dat ten zeerste onze aandacht moet trekken daar de Heere Jezus zegt: „Gedenkt aan de vrouw van Lot”. Laten wij, zo spreekt de Pelgrim, „in ’t vervolg ons voordeel doen met hetgeen wij hier zien. Deze vrouw ontkwam aan het ene oordeel, want zij kwam niet om in de verwoesting van Sodom, maar zij werd gedood door het tweede, zoals wij zien. Zij veranderde in een zoutpilaar”.

Met een biddend hart zeide Hoop: „Dient zij ons tot waarschuwing en tot voorbeeld. Tot waarschuwing, opdat wij haar zonden zouden vlieden, of tot een teken welk oordeel hun zal overkomen, die deze waarschuwing niet ter harte nemen; zo werden ook Korach, Dathan en Abiram met detweehonderdvijftig, die in hun zonden omkwamen, tot een teken of waarschuwend voorbeeld gesteld.

Maar één zaak verbaast mij vooral, hoe Demas en zijn volgelingen zo vermetel daar ginds kunnen staan kijken naar diezelfde stad, om welke deze vrouw enkel door er naar om te zien (want wij lezen niet, dat zij ook maar één stap zijwaarts deed) in een zoutpilaar werd veranderd; voornamelijk daar het oordeel, dat over haar kwam, haar tot een voorbeeld stelde, dat binnen het bereik van hun gezicht valt; want als zij hun ogen slechts opslaan, moeten zij haar zien”.

„Ja, men moet zich daarover verbazen”, zo gaat de Pelgrim verder, „het toont ten duidelijkste hoe verhard zij zijn. Ik kan ze bij niemand vergelijken dan bij hen, die zakkenrollen in de tegenwoordigheid des rechters, of die beurzen willen snijden onder de galg. Van de mannen van Sodom wordt ons gezegd, dat zij „grote zondaars” waren, omdat zij zondaars waren tegen de Heere, dat is, als in Zijn tegenwoordigheid en in weerwil van al de goedertierenheden, die Hij hun bewezen had; want het land van Sodom was toen gelijk de hof van Eden te voren. Dit wekte Hem te meer tot naijver op, en maakte hun plaag zo heet als het vuur van de Heere uit de hemel die kon maken. En het is het billijkst dat degenen, die zondigen in het aangezicht van, ja, wat meer zegt in weerwil van zulke voorbeelden, die voortdurend voor hen geplaatst zijn om hen te waarschuwen, ook het strengste oordeel moeten ondergaan”.

„Ja”, zei Hoop in zijn hart, „wat gij daar zegt is ongetwijfeld de waarheid; en welk een grote genade is ons geschied, dat gij en voornamelijk ik niet tot zulk een voorbeeld gesteld zijn! Dat geeft ons reden om God te danken, te vrezen voor Zijn aangezicht en altijd te gedenken aan de vrouw van Lot”.

Gelukkig door te volharden in het geloof, te leven en te spreken met een biddend hart vanuit de dingen der eeuwigheid, kan de wereld met haar begeerlijkheid geen kwaad aanrichten in het hart en leven van deze pelgrims. Ik zag nu, vanuit de rust des slaapsmet mijn wakend hart, dat zij hun weg vervolgden, naar een schone stroom, door David genaamd: de rivier Gods; maar door Johannes: de stroom van het water des levens.

Hun weg voerde juist langs de oever, en daarom wandelden Pelgrim en Hoop hem met grote vreugde des harten. Zij dronken ook van het water der rivier en gevoelden zich daar door versterkt en verfrist.

Bovendien stonden aan beide oevers groene bomen, die allerlei vrucht voortbrachten; de bladeren aten zij ter voorkoming van overlading en andere ongemakken, die hun overkwamen, wier bloed door het reizen verhit wordt. Aan beide zijden van de rivier was ook een weide met schone leliën bezaaid. In die weide, welke het gehele jaar door groen was, legden zij zich neder en sliepen, want hier mochten zij gerust neder liggen. Bij het ontwaken aten zij weder van de vrucht der bomen en dronken weer van het water uit de rivier en vlijden zich wederom neder. Zo vertoefden zij verscheidene dagen en nachten en zij zongen:


Zie hoe kristallen stromen vlieten,
Opdat de Pelgrims aan de weg,
De frisse lafenis genieten;
Terwijl uit groene wei en heg
De liefelijkste geuren stijgen,
En aan der bomen groene twijgen
Het heerlijkst loof wenkt: plukt en eet -
Gewis, wie deze dingen weet,
Wat schone vrucht de bomen geven,
Hoe zelfs de blaad’ren zijn ten leven,
Verkoopt met vreugd er alles voor,
Dat hem deez’ akker toebehoor.


De Heere stelt de goudmijn van Zijn Woord tegenover de zilvermijn van de wereld!

Toen zij weer lust kregen om verder te gaan, (want zij waren nog niet aan het einde van hun reis) aten en dronken zij en vertrokken. Nu zag de schrijver in zijn droom, dat zij nog niet ver waren, toen hun weg voor een tijd van de rivier scheidde, wat de reizigers niet weinig droefheid veroorzaakte. Toch durfden zij de weg niet te verlaten. De weg nu, die van de rivier afvoerde, was ruw en hun voeten waren gevoelig door het reizen, zodat hun ziel verdrietig werd vanwege de weg.

Daarom verlangden zij onder het lopen naar een betere weg. Nu was er een eindweegs voor hen uit ter linkerzijde van de weg een weide en een hek, dat men over moest, om er in te komen. De weide was genaamd: Bijpadweide. Toen de Pelgrim dat bemerkte, zei hij tot zijn reisgenoot: „Indien deze weide langs onze weg loopt, laten wij dan daarover gaan”. Hij ging naar het hek om te zien en zie een pad liep aan de andere zijde van de heining in diezelfde richting. „Dat is nu juist wat ik verlang”, zei de Pelgrim; „daar loopt het veel gemakkelijker. Kom mijn vriend! laten we aan de overzijde gaan!” En zo kwamen zij het rechte spoor te verlaten. Gelijk Christus op het rechte spoor der gehoorzaamheid de zaligheid verdiend heeft, hebben wij haar in gehoorzaamheid te zoeken. Met onze gemakzucht werken we ons in de grootste ellende.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.