+ Meer informatie

De wonderen in het oude testament

28 minuten leestijd

I

Aanleiding tot dit artikel is een opmerking, welke de redactie bereikte, dat over de wonderen in het Oude Testament weinig of niet gepreekt wordt. Vandaar het verzoek aan mij er iets over te willen schrijven.

Of over de wonderen in het Oude Testament weinig of niet gepreekt wordt, laat ik in het midden. Uit de opmerking komt naar het mij toeschijnt, een opvatting over wonderen naar voren, die met die in de Schrift niet geheel overeenkomt.

Wij verstaan over het algemeen onder een wonder iets buitengewoons, iets wat bijzonder opvalt en afwijkt van het normale of daarmee zelfs in strijd is, iets wat ingaat tegen de natuur der dingen.

Dat de zon voor ons oog elke dag haar loop langs de hemel maakt, vanuit het oosten opgaat en in het westen ondergaat, lijkt ons niets bijzonders. Dat gebeurt elke dag, eeuwen en eeuwen lang. Maar als die zon op een gegeven moment blijft stilstaan en niet verder gaat (Joz. 10:13) of dat haar schaduw op een zonnewijzer in plaats van vooruit te gaan teruggaat (2 Kon. 20:11), noemen we dat een wonder. Als Mozes zijn staf op de grond gooit en er gebeurt niets bijzonders, dan vinden we dat heel normaal, maar als die staf in een slang verandert (Ex. 4 : 3), mag dat een wonder heten. En als de dode staven van de stamhoofden van Israël in de woestijn, nadat ze in het heiligdom voor de ark van de Here zijn gelegd, de volgende morgen nog net zo dood zijn als de avond daarvoor, achten we dat vanzelfsprekend. Wat zou je anders verwachten? Maar als dan de staf van Aäron, oorspronkelijk de tak van een amandelboom, maar nu zo dood als een pier, de volgende morgen weer tot bloei gekomen is met amandelen en al (Num. 17:8), is dat een wonder. Als het water van een rivier als gisteren en eergisteren steeds doorstroomt van boven naar beneden, vinden we dat heel gewoon. Zo gebeurt het altijd. Maar als dat water blijft stilstaan als een dam en er een pad in de rivier ontstaat, waar men kandoorgaan (Joz. 3:16), is dat nietgewoon. En dat olie in een kruik, als daarvan gebruikt wordt minder wordt, is duidelijk, maar als die olie bij gebruik niet vermindert (1 Kon. 17:16), is er van een wonder sprake. Dat een ijzeren bijlblad in water zinkt, verwondert niemand, maar als dat stuk ijzer weer naar boven komt en op het water blijft drijven, is er wel wat bijzonders aan de hand.

Wij zijn gewoon te spreken van vaste onveranderlijke natuurwetten en dat houdt in dat de zon voor ons oog in haar loop steeds doorgaat en nooit stilstaat, de schaduw op een zonnewijzer verder gaat en nimmer op haar schreden terugkeert, dat wat dood is, dood blijft en niet tot nieuw leven komt, water altijd stroomt van boven naar beneden en nooit opeens zonder aanwijsbare oorzaak blijft stilstaan, dat iets waarvan gebruikt wordt, minder wordt en ijzer zinkt en nooit op water blijft drijven. Deze wetten worden bevestigd door onze dagelijkse ervaring en we zien er nooit verandering in komen. Daarom zijn we in het algemeen zozeer van de onveranderlijkheid van deze wetten overtuigd dat menigeen daarom de wonderen in de bijbel ontkent of op zijn minst in twijfel trekt. In een gesloten wereldbeschouwing, waarin de ijzeren consequentie van altijd zichzelf gelijk blijvende wetten van oorzaak en gevolg absolute geldigheid heeft, is voor het wonder geen plaats en daar verandert ook geen God wat aan. Men acht het een uitgemaakte zaak dat wonderen niet bestaan als te zijn in strijd met de wetten der natuur. En daarom kunnen de wonderverhalen in de bijbel wel mooi zijn en zullen mensen in de bijbelse tijd en ook nog daarna er geloof aan hebben gehecht, maar ons moderne mensen spelt men zoiets niet meer op de mouw.

Maar ook bij hen, die de wonderen in de bijbel niet willen ontkennen, roepen ze toch wel vragen op. Hoe moeten we de wonderen in de bijbel verstaan? Hoe moeten ze worden uitgelegd? Moeten we ze letterlijk nemen of op een andere manier verklaren? Wat moeten we ermee in onze moderne tijd? En hoe moet erover gepreekt worden, zodat ze ook bij de moderne mens geloofwaardig overkomen?

II

Het zal ons allereerst duidelijk moeten zijn dat in de bijbel op een andere manier over wonderen gesproken wordt dan zoals wij dat gewoon zijn te doen. Wij noemen het abnormale, dat wat van het gewone en bekende afwijkt of zelfs daarmee in strijd is, een wonder. Dat is ook in de bijbel wel het geval. Dat de staf van Mozes in een slang verandert, heet ook daar een wonder evenals het feit dat, als Mozes zijn hand gezond in zijn boezem steekt, deze er melaats weer uitkomt (Ex. 4: 21). Ja, alle opzienbarende en ingrijpende daden die Mozes in Egypte verricht, worden wonderen genoemd (Ex. 11: 9v.). En de Schrift houdt niet op om wat er gebeurde bij de uittocht van het volk Israël uit Egypte, toen er een pad in de Schelfzee kwam en Israël veilig daar doorging, maar farao’s leger jammerlijk omkwam, en wat er aan opvallende dingen plaats had tijdens de doortocht door de woestijn, dat er brood uit de hemel kwam en water uit de rotssteen, en bij de intocht in Kanaän, toen machtige vijanden verdreven werden, wonderen te noemen (Ex. 34:10; Deut. 7:19; 34:11; Joz. 3 : 5; Neh.9: 10–15). En de psalmdichters komen er in hun psalmen steeds weer op terug. Maar het zijn niet de wonderen, die ze bezingen, maar de God van de wonderen, de HERE, de God van Israël. Van Hem zegt de psalmdichter: Gij zijt groot en doet wonderen, Gij, o God, alleen (Ps. 86 :10).

Wonderen zijn in de bijbel geen opvallende, bijzondere, ongewone gebeurtenissen zonder meer, maar daden van God en daarom zijn ze opvallend en zo ongewoon. Hij was het die zijn wonderen toonde bij de bevrijding van Israël uit Egypte, tijdens de doortocht in de woestijn en de intocht in Kanaän. Naar menselijke berekening was dat iets onmogelijks (Num. 13: 31), maar de HERE maakte het onmogelijke mogelijk. Zou er voor de HERE iets te wonderlijk zijn (Gen. 18 :14)? Zelfs een onvruchtbare Sara wordt moeder van een kind.

Wonderen zijn in de bijbel daden van God. Maar ook het omgekeerde is waar. Al de daden van God zijn wonderen. En die worden evenzeer gezien in wat wij gewoon zijn normaal te noemen of als natuurwetten te beschouwen.

Als Job zegt dat God ondoorgrondelijke dingen doet, wonderen zonder tal (Job 5 : 8), dan rekent hij daar ook toe dat God regen geeft op aarde. Wij zijn geneigd dat gewoon te noemen en zien het als een nornaal natuurgebeuren, maar Job ziet er een wonder van God in. En dat is het toch eigenlijk ook, al kunnen wij regen natuurkundig verklaren.

Dat is niet een of andere primitieve wereldbeschouwing, zoals wel beweerd is, maar het is in heel de schepping de hand van God te zien. Het is een religieuze natuurbeschouwing.

Ps. 136 is één machtig loflied op God, die grote wonderen doet, Hij alleen (vs. 4). En dan is het eerste wonder, dat de dichter noemt, dat God de hemel en de aarde schiep, en de zon gaf als een licht voor de dag en de maan als een licht voor de nacht. Dat de zon elke dag weer opgaat en ondergaat en de maan ’s nachts aan de hemel staat is voor de dichter niet een koude starre natuurwet, maar steeds opnieuw een daad van Gods trouw en goedertierenheid. Dat is dan ook het refrein na elk vers in de psalm, dat Gods goedertierenheid tot in eeuwigheid is.

En dat vinden we in menige psalm terug. Als David ’s nachts opziet naar de hemel (ps. 8) en kijkt naar de maan en de sterren, dan ziet hij daarin de wonderen van de Schepper en het allergrootste wonder is het hem, dat die grote God ook met hem, klein mensenkind, te doen wil hebben. En in Ps. 19 hoort de dichter de hemel Gods eer verkondigen en de dag en de nacht van Hem gewagen en ervaart hij de loop van de zon van het ene eind van de hemel naar het andere als een wonder van God.

De mens van vandaag heeft door zijn wetenschap uit de schepping de God van de schepping wegverklaard en al het natuurgebeuren gemaakt tot vaste, onveranderlijke natuurwetten, die zonder God verlopen. Het is een geweldige winst als we weer met de bijbel in het natuurgebeuren de Schepper zien en dat Hij het is, die elke dag de zon doet opgaan en ondergaan, die de regen geeft op zijn tijd en de aarde bevochtigt en vruchtbaar maakt en haar doet uitspruiten en zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter (Jes. 55 : 10).

En niet alleen de geboorte van lzaäk uit een onvruchtbare Sara is een wonder, maar elke geboorte van een kind. De dichter van Ps. 139 looft God, omdat deze hem gans wonderbaar gemaakt heeft (vs. 14).

Na Gods wonderen in de schepping vermeld te hebben gaat de dichter van Ps. 136 in één adem door met de wonderen in de geschiedenis van Israël: de verlossing uit Egypte, de doortocht door de woestijn en de intocht in Kanaän. De God van de schepping is ook de God van de geschiedenis, die aan zijn volk Israël de wonderen van zijn verlossing toonde. Het zijn de wonderen van zijn macht, maar ook van zijn liefde, van zijn trouw en van zijn ontferming.

Het zijn de wonderen van verlossing, die de dichter van Ps.9 wil verhalen (vs. 2vv.). Daarvan zingt de dichter van Ps. 26 in zijn lied (vs. 7). De dichter van Ps. 71 wil er van vertellen tot in hoge ouderdom toe (vs. 17). De dichter van Ps. 77 wil ze gedenken om zo opnieuw te zien wie God is (vs. 12vv.). Het zijn de wonderen, die van ouder op kind moeten worden doorgegeven (Ps. 78: 4vv.). Ze moeten voortdurend worden herdacht (Ps. 105: 5).

Maar Gods wonderen gaan nog verder. Ps. 119 spreekt van de wonderen van Gods wet en de dichter vraagt dat hij open ogen mag ontvangen om die te zien en het wonder daarvan te overdenken (vs. 18 en 27). Hij bedoelt al de rijkdom van Gods openbaring in wet en evangelie, het wonder dat God tot mensen spreekt en met hen van doen wil hebben. Het gaat alle verstand te boven.

Maar ook door mensen doet God wonderen. Door Mozes en Elia en Elisa en door anderen. Van Elisa zijn bekend de bijl, die hij deed drijven, de genezing van Naäman van zijn melaatsheid, de opwekking van de jongen uit Sunem uit de dood. Maar ook al doen mensen wonderen, ze zijn daden van God, die Hij door mensen verricht.

III

Waar we ook oog voor moeten hebben, is dat in de Schrift wonderen „tekenen” worden genoemd. Vaak wordt dat bij elkaar gezegd. De wonderen die God in Egypte doet worden ook tekenen genoemd (Ex. 7 :3). De wonderen door God bij de uittocht uit Egypte en in de woestijn verricht zijn eveneens tekenen (Deut. 4: 34; Neh.9:10). Ook de wonderen die God daarna door zijn grote daden in de geschiedenis van Israël gedaan heeft (Jer. 32 : 20vv.). Dat wordt ook gezegd van de wonderdaden van Jezus (Joh. 2 : 11 ; 6 : 26; Hand. 2 : 22). Het wil zeggen dat ze wat betekenen, dat er een prediking, een boodschap in zit.

De wonderen worden niet om hunzelfswil verricht, maar met een doel. Als Herodes van Jezus een teken vraagt als een goocheltruc van een goochelaar, zwijgt deze in alle talen (Luk.23 : 8). De wonderen in de bijbel zijn geen mirakelen of goocheltoeren, maar tekenen, waardoor God toont wie Hij is voor zijn volk. Zo toont Hij door de wonderbare geboorte van Izaäk uit een onvruchtbare moeder (Gen. 21 : 1–7), dat Hij machtig is zijn beloften te vervullen, ook wanneer mensen daaraan wanhopen en geen mogelijkheid meer zien. En eeuwen later mogen de ballingen in Babel, die geen hoop meer hebben op uitredding en geen mogelijkheid zien voor een nieuwe toekomst, er de zekerheid uit putten dat God zijn woord kan waarmaken ook als mensen er geen mogelijkheid voor zien (Jes. 51:1 v.). En de wonderen, die Mozes in Egypte verricht, dienen om bij Israël het geloof te wekken en te versterken, dat God hem gezonden heeft (Ex. 4 : 4) en naar zijn volk heeft omgezien om hen te verlossen (Ex. 4 : 28–31) en de Egyptenaren zullen weten, dat ze met een machtige God van doen hebben, die zijn plannen volvoert, ook al staan vijanden die tegen (Ex. 4 : 6vv.).

En de wonderdaden, die God verrichtte bij de verlossing van Israël uit Egypte en de doortocht door de Schelfzee zijn de bewijzen dat God niets in de weg staat om de beloften tot redding van zijn volk gestand te doen (Deut. 7 : 22v.). Jammer dat het volk er vaak geen acht op heeft geslagen en er ondankbaar is aan voorbijgegaan (Ps. 106 : 7). Psalmen als Ps. 105 en 106 dienen om steeds weer Israël bij Gods wonderlijke daden te bepalen en daaruit te leven. De dichter van Ps. 77 is iemand, die dat begrepen heeft en in momenten van twijfel de daden van God van oudsher zich in herinnering roept om dan weer te weten wat hij aan zijn God mag hebben (Ps. 77 :12vv.). En dat God in de woestijn water uit de rotssteen deed tevoorschijn komen mag voor Israël de eeuwen door een prediking zijn dat de HERE een genadige God is en aan zijn verbond en goedertierenheid vasthoudt (Neh.9:15, 31 v.). Deze en al de andere wonderen van God dienen om alle eeuwen door op die God te vertrouwen en daarom moeten ze van geslacht op geslacht worden verhaald om Gods werken niet te vergeten en zijn geboden te onderhouden (Ps. 78).

Dat God de staf van Aäron tot bloei bracht was teken dat God hem verkoren had (Num. 17:5) zoals leven uit de dood altijd teken is van Gods verkiezing en Jezus door zijn opstanding uit de doden heeft bewezen te zijn de Christus, de Zoon van God (Rom. 1 : 4).

De doortocht van het volk door de Jordaan is een wonder (Joz. 3 : 5), waardoor God bewezen heeft barrières op te heffen als het gaat om de doortocht van zijn volk naar het beloofde land. En dat de zon blijft stilstaan (Joz. 10:13), toont dat God zelfs zijn schepping dienstbaar maakt als het gaat om de overwinning van zijn volk. Hij kan het dan zelfs ten tijde van de avond licht doen zijn (Zach. 14:7). En door de oliekruik van de weduwe van Sarfat (1 Kon. 17 :16) wordt duidelijk dat God zelfs in tijd van hongersnood kan voeden en het weinige kan zegenen tot onderhouding. De drijvende bijl van Elisa (2 Kon. 6 : 6) laat zien, dat God zich bemoeit met ogenschijnlijk kleine en onbelangrijke dingen als het wegraken van een bijl, wat voor iemand persoonlijk hoogst belangrijk kan zijn. De genezing van Naäman bewijst dat zijn slavinnetje juist gesproken heeft (2 Kon. 5 : 3), en hem ervan heeft overtuigd, dat er geen God is dan in Israël alleen (vs. 15). De opwekking van de jongen in Sunem (2 Kon. 4: 35) laat zien dat God machtig is om zelfs uitredding te geven in de dood en Hizkia krijgt in de terugkerende schaduw een onderstreping van Gods belofte en een versterking van zijn geloof (2 Kon. 20 : 8vv.; Jes. 38 : 7v.).

De bijbel houdt zich niet bezig met de vraag hoe al deze wonderen konden gebeuren. Het gaat om het geloof in de macht en de trouw en de ontferming van God.

Wel moet in het oog worden gehouden wie onder de mensen wonderen en tekenen doen. De tovenaars van farao wisten ook door een handige goocheltruc staven op de grond in slangen te veranderen (Ex.7:11). Ze hadden ze eerst onder verdoving gebracht en na een smak op de grond kwamen de beesten weer bij. Maar die truc diende om het geloof in de God van Israël te verhinderen en zoiets kan nooit uit God zijn. Door zulke trucs moet niemand zich laten verleiden en evenmin door profeten, die door hun wondertekenen mensen van de dienst van God willen afbrengen. Zulke profeten bewijzen valse profeten te zijn (Deut. 13:1–11). Gods wondertekenen staan nooit los van zijn woord en dienen steeds dat te bevestigen.

IV

Hebben de wonderen in de bijbel ook nu nog iets te zeggen en zo ja, hoe moet er over gepreekt worden?

Dan moet allereerst worden opgemerkt dat het in de prediking nooit anders dan over wonderen gaat. Het gaat over het wonder van Gods liefde en zijn ontferming voor mensen. En die komen in zijn schepping evengoed uit als in de geschiedenis, die God ging met Israël, waarvan het Oude Testament ons van het begin tot het einde spreekt. Die geschiedenis is een geschiedenis van heil, heilsgeschiedenis. En die staat ook voor ons beschreven, opdat wij zullen weten wie die God is, die ook onze God wil zijn. Het wonder van Izaäks geboorte, Gods daden in Egypte, de wonderen die Hij deed op de tocht van Israël door de woestijn op weg naar het beloofde land, de intocht in Kanaän en alles wat God deed of liet doen tot heil van zijn volk en tot ondersteuning van het geloof, zijn geen achterhaalde zaken. Ze verkondigen ons God, opdat ook wij Hem zouden kennen en op Hem vertrouwen. Want de God van het Oude Testament is geen andere God dan die van het Nieuwe Testament, de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ook onze God en Vader wil zijn. Want de wonderen, die ons in het Oude Testament van God worden verhaald, gaan door in de geschiedenis van Gods heil in het Nieuwe Testament met als hoogtepunt het wonder van de komst van de Zoon van God in het vlees, in de kribbe van Bethlehem en aan het kruis van Golgotha, in de gekruisigde en weer opstane Heiland Jezus Christus, opdat een ieder, die in Hem gelooft niet zal verloren gaan, maar eeuwig leven hebben (Joh. 3 : 16). Daar vallen een drijvende bijl en een terugkerende schaduw bij in het niet. Toch horen ze er ook bij. Ook de staf van Aäron en de stilstaande zon en de kruik van de weduwe van Sarfat en de genezing van Naäman en opwekking van de jongen in Sunem. Ze zijn stuk voor stuk prediking van Gods macht, van zijn belofte, van zijn trouwe zorg, van zijn bemoeienis met mensen. Ze bedoelen ook nu nog bij ons geloof te wekken en te versterken. We mogen er ook nu nog door weten wat we aan God kunnen en mogen hebben.

Niet in deze zin dat de wonderen zo herhaald worden als ze eens geschied zijn. De wonderen hebben een éénmalig karakter. Maar de God van de wonderen leeft nog en doet ook nu nog wonderen. Wonderen moeten niet verkondigd worden als zouden ze zo nog eens gebeuren. Wat verkondigd moet worden zijn de tekenen ervan. Ze zijn tekenen van Gods wondermacht, van de vervulling van zijn beloften, van zijn plannen met mensen.

We zijn ook niet geroepen om de wonderen te verklaren. Dat kunnen we toch niet. Daar zijn het wonderen voor.

Mensen willen verklaringen. Men wil pas in wonderen geloven als men ze verklaren kan en als men ze niet verklaren kan, gelooft men er niet in. Van de stilstaande zon in de tijd van Jozua zijn wel tien verklaringen gegeven, maar geen enkele voldoet. Wat er precies aan de hand geweest is weten we niet. Maar God is meer dan onze natuurwetten. Wonderen passen niet bij onze wetenschap, maar onze wetenschap is ook beperkt.

Waar het ten diepste om gaat is niet het wonder als zodanig, maar het teken en de bedoeling van het wonder. Daar is het volk Israël indertijd aan voorbijgegaan. Ze hebben geen acht geslagen op Gods wonderen (Ps. 106 : 7), zodat ze wegzonken in ongerechtigheid (vs. 43).

Ook discussiërend over de wonderen kan men aan de bedoeling van het wonder en aan de God van het wonder voorbijgaan. Zoals de farizeeën, die discussieerden over het wonder van de genezing van de blindgeborene, maar aan Jezus voorbijgingen en in Hem niet geloofden (Joh. 9 :12–41).

Het gaat niet om het geloof in het wonder zonder meer. Dat leidt tot een wondergeloof, dat verder niets uitwerkt. Het gaat er om, dat wij op God zullen vertrouwen en zijn geboden bewaren en niet zullen zijn een weerbarstig en weerspannig geslacht, welks geest niet trouw is jegens God (Ps. 78 : 7).

WET EN EVANGELIE*

Over het thema „wet en evangelie” dat prof. Velema in dit boek aan de orde stelt - niet voor het eerst; in 1959 kwam een brochure uit onder dezelfde titel -, is zolang de kerk van Christus bestaat, het een en ander te doen geweest. De mens die zo graag van zichzelf iets is of heeft, althans denkt iets te zijn of te hebben - desnoods berekend of veronderstellend volgens een bepaald schema of systeem -, heeft heel vaak naar de wet gegrepen om door de een of andere prestatie die hem een bepaalde geestelijke kwaliteit oplevert, dat „iets” te realiseren tegenover of in plaats van het evangelie van vrije genade, eventueel naast dat evangelie. Prestatie en kwaliteit mogen zich dan in de loop der eeuwen in steeds wisselende gedaanten vertonen - zgn. judaisten, pelagianen, roomsen, dopersen, remonstranten, vrijzinnigen, gereformeerden en evangelischen van allerei kleur en snit, een bonte variatie nu eens elkaar insluitend, dan weer elkaar fel uitsluitend -, zolang dat „iets” in mindering komt op „genade” in Jezus Christus, dient zich het thema „wet en evangelie” op de een of andere wijze aan óók, misschien zelfs júist als die prestatie annex kwaliteit als een puur menselijk plus wordt afgewezen in het besef, hoe menselijk interessant het ook moge zijn, dat die plus eem min betekent voor het sola gratia en het sola fide van het evangelie. Immers als noch het evangelie noch de wet ontbonden is, hoe verhouden ze zich dan tot elkaar? Hoe onderscheiden zij zich en hoe hangen zij samen? Die vragen intrigeren de schrijver in hoge mate. In deze studie van bijna 200 bladzijden betoogt hij onvermoeid dat die verhouding niet een „na elkaar” of een „naast elkaar” maar een „in elkaar” van wet en evangelie betekent, om ’t zo eens te zeggen: onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden. Heeft deze studie een „exegetisch-dogmatische bedoeling, de eigenlijke doelstelling ligt in „de praktijk en prediking en Christelijk handelen” (blz. 10).

Halverwege zijn betoog veronderstelt prof. Velema dat er lezers zullen zijn „die het betoog tot heden nog maar als een aanloopje, en dan wellicht zelfs als een wijdlopig en vermoeiend aanloopje beschouwen” (86). Afgedacht van de vraag of hij daarbij aan het betrokken hoofdstuk dan wel aan de eerste helft van het boek denkt, afgedacht ook van de vraag wèlke lezers hij hier in gedachten heeft, niet te ontkennen valt dat deze studie heel breed is opgezet en dat vele lezers waarschijnlijk enige moeite zullen hebben deze aandachtig te volgen. Maar zonder twijfel zal iedere lezer allerlei kernachtige en verrassende uitspraken met instemming onderstrepen, wat natuurlijk niet wil zeggen dat er hier en daar geen vraagtekens te zetten zijn.

Het eerste hoofdstuk stelt „Wet en evangelie in de hedendaagse discussie” aan de orde. Min of meer de draad van de brochure van 1959 weer opnemend bij Barth, oriënteert de schrijver ons omtrent de hoofdlijnen van zijn betoog. Die oriëntatie betreft onder meer ook een „hedendaags” discussiepunt of de persoonlijke verantwoordelijkheid van de gelovigen niet wordt aangetast wanneer de kerk de grenzen ervan aanwijst die gerespecteerd moeten worden (18). Dat zal zeker het geval zijn wanneer een clericaal Godswet-voor-eigen-gelijk annexeren doorgaan moet voor het „Zo spreekt de Here”. Juist de „verscheidenheid van inzicht omtrent wat God vraagt is een gezichtspunt dat ons thema uitermate actueel en boeiend doet zijn”, aldus de schrijver. Dat blijkt wel in de nu volgende hoofdstukken.

In het tweede hoofdstuk bepleit de schrijver „De relatieve zelfstandigheid van de wet” (19 – 54). Duidelijk wordt gesteld dat de zelfstandigheid van de wet nooit een absolute is, maar altijd een relatieve. De relatie met het evangelie kan en mag niet ontgaan worden op gevaar af anders in een veruiterlijking, zelfs in een vermaterialisering van het godsdienstige leven terecht te komen. „De beschuldigende functie van de wet blijft, maar door het evangelie blijft de wet niet beschuldigen” (54). In de prediking moeten altijd twee woorden worden gebruikt. Dat brengt tot het derde hoofdstuk „Om de geldigheid van de wet” (55 – 89). Prof. Velema hecht er grote waarde aan „te laten zien dat het gebod van God geen geïsoleerd gegeven is in de Bijbel, doch onderdeel is van heel Gods openbaring” (55). Terecht keert hij zich tegen elke verkrachting van die openbaring, ook in de wet door die openbaring als tijd- en cultuurgebonden wezenlijk èn feitelijk krachteloos te maken en de autonomie van de mens het laatste woord te geven. Dat betekent natuurlijk niet dat er geen rekening is te houden met de tijd- en cultuurgebondenheid van de ontvangers toen en de lezers nu. De „traditionele drieslag: burgerlijk, ceremonieel en moreel” komt dan aan de orde; wat is wel en wat is niet normatief (75). Ook al moet erkend worden dat er veel is dat „geur en kleur van de cultuur van die tijd” draagt (77), de „vervulling” in Christus betekent niet het einde van de wet, maar het einde van de vloek van de wet in Hem, zodat we alleen nog maar over de wet van God kunnen spreken „als over de wet van Christus” (85). Hij doorbreekt „alle schematisme en casuïstiek van de Schriftgeleerden” nl. door de „concentratie op de liefde en de Decaloog die in Jezus één zijn”, één in „de wet van Christus” (88). „De grondregels van de Decaloog worden gecompleteerd door het basisprincipe van de liefde, welk principe gelijkheid en wederkerigheid in zich sluit en daar nog bovenuit gaat” (89). Met de vraag tot welke concretiseringen dit nu moet leiden, wordt de overgang gemaakt naar het volgende hoofdstuk „Aspecten van het heilshistorische model” (90 – 121). Opnieuw wordt benadrukt dat de geboden niet los staan van de historische situatie. De schrijver meent een hanteerbare onderscheiding aan te reiken door tussen „gehalte en gestalte van wat God gebiedt” te onderscheiden (91). „De tijdbetrokkenheid kan niet ontkend worden”. Het gaat niet om tijdloze waarheden op het gebied van leer en leven. Maar het „constante van het gebod” ligt in de „grondwet, die gevormd wordt door de Tien Geboden”, door Jezus zelf met „het dubbele gebod van de liefde omgeven”. Daarom kan op het „ingewikkelde vraagstuk van vorm en norm, van gehalte en gestalte” worden ingegaan (93). De schrijver wil echter allerminst een pleit voeren voor de „situatie-ethiek”, ook al gaat ’t om de verbinding van het gebod met de actuele situatie (103). Merkwaardig verwant met deze ethiek is de casuïstiek. De overstap van de laatste naar de eerste is niet zo groot (105). Er wordt op gewezen dat Jezus zich verzet „tegen interpretaties die de letter van de wet schijnen te respecteren, maar de geest van de wet schenden” d.w.z. de „liefde, die voor de vervulling van de wet onmisbaar is” (108). Als voorbeeld wordt o.a. herinnerd aan de geboden met betrekking tot de slavernij. De toenmalige slavernij bestaat onder ons niet meer, maar de concretisering van het vijfde gebod ziet de schrijver in de gezagsverhouding die er in de samenleving moet zijn: gehoorzaamheid ook in de werkverhoudingen (109). ’k Moest hierbij denken aan een broeder in m’n eerste gemeente die juist in die werkverhouding niét van gezàg, wèl van leiding wilde weten omdat hij in „gezag” iets duurzaams en niet iets contractueels kon zien; in een autoritair ingestelde tijd moge het „gezag” van een werkgever etc. vanzelfsprekend worden geacht, maar z.i. behoorde dat niet bij het „gehalte” van de wet, hoogstens bij de „gestalte” (om de bovengenoemde onderscheiding eens toe te passen). Achteraf geloof ik dat hij gelijk had met zijn kritiek op mijn preek over het vijfde gebod. Bij de „uitleg en toepassing (explicatio en applicatio)” (110) moeten alle gegevens van Gods Woord met betrekking tot de onderhavige zaak tot hun recht komen (113). De „theologische prioriteit” van het gebod handhavend, zal er geen moeite zijn met het heen en weer tussen gebod en situatie, al is het dan „te begrijpen waarom Christenen in ethische beslissingen niet altijd gelijk denken” (114). Uitvoerig bespreekt prof. Velema een gecompliceerd voorbeeld: de transplantatie van organen (115 – 119) en besluit dit hoofdstuk met het attenderen op de gegevens die in het Oude Testament „richtingwijzend” voor ons zijn, terwijl ze normatief waren voor Israël (119 - juist daarom lijkt het me beter niet te spreken over „sterk tijd-gebonden” voorschriften, liever over een sterk tijdgebonden Israël).

De schrijver gaat in het vijfde hoofdstuk in op de vraag „welke plaats de wet in de prediking van het evangelie en in de kennis van het heil moet innemen”: „De wet en de orde des heils” (122 – 159). Het gaat hier om de „volgordeproblematiek”: éérst dit en dan dat, éérst zus en dàn zo - een puur menselijke probleemstelling dus, gebonden als wij zijn aan tijd en ruimte. Is het éérst de wet - soms zo zwaar en zo zwart mogelijken daarná het evangelie - soms zo zuinig mogelijk? „Hoe deelt een zondaar in het heil? Dat is de existentieel -soteriologische vraag bij het nadenken over de verhouding van wet en evangelie” (122). De „heilsorde” is hier in het geding: de „orde die er is in het heil dat Christus verworden heeft” en de orde „waarin een gelovige het heil leert kennen en deelachtig wordt”. De schrijver wijst dan op wat Luther, Calvijn, Bavinck enz. hierover gezegd hebben en signaleert dat er een tendens is „om het zwaartepunt te leggen in de beleving van de mens” (130). Hoe dat te vermijden? Prof. Velema wijst dan op de beleving als „vrucht van de Geest” met verwijzing naar Gal. 5 alsmede naar het werk van de Geest in zelfkennis, zondekennis, geloof en verwachting. Daarover mag en moet gesproken worden om zo te voorkomen dat „de gelovende mens met zijn ervaringen de plaats gaat innemen van Gods werk in de prediking” (133). Interessante opmerkingen worden gemaakt, bijv. over de beweerde noodzaak van de wet zònder het evangelie om de zonde te kennen wat eigenlijk hetzelfde is als Paulus’ tegenstanders voor ogen stond (136). Opnieuw wordt het „in elkaar van wet en evangelie” benadrukt (138, 145), met verwijzing naar de profeten enz., ook naar Luther, Calvijn en de Nadere Reformatie. Met klem wordt tenslotte betoogd dat het „in elkaar” geen polariteit betekent: „In de evangelieprediking moet met twee woorden gesproken worden: gericht èn genade, veroordeling èn vrijspraak, verdoemenis èn rechtvaardiging” (157). „De wet is relatief zelfstandig, maar binnen het kader van de verkondiging van Gods barmhartigheid in Jezus Christus” (158). Dit brengt tot het slothoofdstuk „De wet in de prediking” (160 – 175). Natuurlijk komt dan allereerst de Catechismus aan de orde, die - evenals de profeten - laat zien dat de „onderwijzende functie van de wet” tegelijk een „onthullend karakter” draagt (161). Niet altijd zijn de ethische noties van de Schrift tot hun recht gekomen -wat wijlen prof. Kremer weet aan het Piëtisme (163). Vandaar de huiver soms voor de prediking van de wet als regel der dankbaarheid. Of de prediking zich dan moet verliezen in bijna casuistische details, dan wel zich moet bepalen tot grondlijnen en grondmotieven? Wie graag stokpaardjes berijdt, zal zich verlustigen in het eerste (zoals die oude dominee die bij Zondag 42 steevast de winkeliers in zijn gemeente achter de vodden zat om niet met maat en gewicht te knoeien of zoals - onlangs - een jonge dominee onverschillig welke tekst ook voor hem lag, even steevast de abortuskwestie erbij haalde). In een vijftiental conclusies en praktische aanwijzingen schetst prof. Velema tenslotte hoe in de prediking de wet dient te vigeren. De voor deze boekbespreking beschikbare ruimte is reeds te ver overschreden om deze conclusies en aanwijzingen hier aan de orde te stellen. Voor ambtsdragers, met name voorde predikende ambtsdragers onder hen, verdienen deze alleszins aandacht, meer: behartiging!

Het geheel wordt besloten metdestelling dat uitbreiding vande tweeslag wet-evangelie tot een drieslag wet-evangelie-wet zowel het belang als het resultaat van deze studie accentueert, in feite dus naar analogie van de Heidelbergse drieslag: ellende, verlossing en dankbaarheid, wel onderscheiden, maar nooit te scheiden, want er is geen ellendiger christen dan een dankbaar christen en geen dankbaarder christen dan een ellendig christen en dat alleen bij en dank zij het kruis van Golgotha.

Twintig bladzijden noten getuigen niet alleen van belezenheid en verdere bezinning, maar geven ook aanwijzing voor ieder die zich nog meer in de problematiek wil verdiepen. Moge deze studie inderdaad „multifunctioneel” fungeren!

*) Dr. W.H. Velema, Wet en evangelie. Uitg. Kok-Kampen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.