+ Meer informatie

DE BIJENKORF

van FILIPS VAN MARNIX

5 minuten leestijd

Het zal wel gekomen zijn door het zien van cle vele bijen op de bloemen in deze stalende zomer, dat ik moest denken aan de Bijenkorf van Marnix.

Ge kent Marnix toch wel? De boezemvriend van Willem van Oranje? Eigenlijk is zijn naam Filips van Marnix, heer van St. Aldegonde, de vermoedelijke dichter van ons prachtige volkslied. Met zekerheid is dit echter niet te zeggen. Marnix van St. Aldegonde, zoals hij ook meestal wordt genoemd, werd te Brussel geboren in liet jaar 1538. Hij was dus ongeveer zes jaar toen de jeugdige prins Willem aan het hof van Karei V kwam in verband met het erven van het prinsdom Oranje.

In deze rubriek past het niet zo om over de geschiedenis rondom Marnix te spreken; dat is meer voor cle vaderlandse historie. In het kort kunnen we zeggen dat Marnix één der merkwaardigste figuren uit zijn tijd was. Hij was een bekwame staatsman, krijgsman, theoloog, taalkundige en dichter. Over cle laatste twee bekwaamheden moeten we het hier hebben.

Bekend is, dat Marnix de Psalmen uit de grondtekst in het Hollands heeft overgezet en we moeten het wel jammer vinden, dat deze niet meer ingang gevonden hebben in cle lage Janden bij cle zee. In 1594 werd hem door cle Staten een nieuwe vertaling van de Bijbel opgedragen. Binnen vier jaar stierf Marnix en slechts Genesis, Job, de Spreuken en de Psalmen waren voltooid.

Een zeer bekend prozawerk van Marnix is „De Biënkorf der H. Boomsche Kercke", dat opgedragen werd „Aan den Eerwaardigen, Heiligen en Hooggeleerden Doctor en Magister, Heer Franciscus Sonnius, Eerwaardig Bisschop van 's-Hertogenbosch (vader van alle nieuwe Bisschoppen) Heil en Zegen!

Het slot van de opdracht luidt:

„Gegeven in ons museum, op Driekoningenavond, den 5 Januari, wanneer cle goede katholieken zich vrolijk maken, en roepen: cle koning drinkt! in het jaar 1569."

Uw Eerw. Goedw. Dienaar in alles wat ik zonder veel moeite vermag.

Uit enkele aanhalingen blijkt al, dat Marnix schrijft met fijne spot. Dat hij tot het schrijven van de bijenkorf kwam, was het uitgeven van een geschrift van cle Franse godgeleerde Gentiaan Hervet. Dat geschrift had tot titel „Sendbrief" en het verdedigde de Roomse kerk en viel de ketters aan. Nu schrijft Marnix zo, dat het schijnt, dat hij zich bij Hervet aansluit, maar in werkelijkheid is het zo, dat de bewijzen van Marnix juist de Roomsen moeten treffen. Pas aan het slot van zijn werk gaat het over een bijenkorf.

Tn een besluit aan de christelijke lezer noemt hij twee gronden, die in het werk belangrijk zijn, namelyk aan te tonen dat

Vooreerst cle H. Katholieke Kerk, wat zij is, waarin zij bestaat, en hoever zich haar macht strekt;

en ten tweede, de uitlegging der Schrift, alwaar ieder met open ogen zien kan, dat, hoewel de Hugenoten en Lutheranen zich altijd op cle tekst der Schrift beroepen, nochtans onze L. Moeder cle H. Kerk dezelfde tekst met bekwame uitleggingen zo juist kan matigen en buigen, dat zij gans tot haar voordeel is strekkende.

En clan gaat hij verder:

Wil het clan lezen, en onze arbeid in dank aannemen, en lettende op de grondige oorzaken van alle beroerten en op-

roeren, die binnen veertig jaren herwaarts in het Christenrijk over de zaken der godsdienst geweest zijn, wil de Heere bidden, dat Hij om Zijn Zoon Jezus Christus wil spoedig verschijne en de verderver en vervalser Zijns Woords met de adem Zijns monds en cle kracht Zijns Geestes dadelijk verdelge, tot grootmaking van Zijn Heilige Naam, en tot opbouw Zijner gemeente, die zo wredelijk vervolgd en verdrukt wordt!

L ir dewijl wij hierboven in deze onze Bijenkorf der Roomsche Kerk dikwijls verhaald hebben, dat het van vele stukken en lappen is bijeengenaaid en van vele bloemen en kruiden bijeen geraapt is, zodat het daarom met recht een Bijenkorf genaamd is: willen wij tot verlustiging van uw gemoed, en meerdere verklaring en bevestiging van hetgeen gezegd is, een weinig breder verhalen cle gestalte en gelegenheid van onze Bijenkorf, cle oorsprong, aard, cle natuur en het kunstige vernuft van onze bijen, in haar honing en honingraat, bestuur en alles wat er toe behoort; opdat men klaarlijk zien mag, waarin zij met de gemene honingbijen overeen komen, en waarin zij van elkander verschillen.

Marnix gaat dan verder in op het woord Bijenkorf, dat niet door hem is verzonnen, maar dat de roomsen zelf gebruiken op Paasavond in de wijding of bezwering der kaarsen. Daar wordt letterlijk gezegd:

Dewijl wij ons dan over cle eerste aanvang der zelfstandigheid (namelijk der wassen kaars) grotelijks verwonderen, moeten wij noodzakelijk de oorsprong der bijen hoog prijzen. De bijen toch zijn sober in het eten, en zeer kuis in de genering. Zij maken hun celletjes en vestigen dezelve op het vochtige was, zodat de kunst der menselijke wetenschap hierbij niet te vergelijken is. Zij lezen de bloemen met de voeten, en nochtans worden de bloemen er geenszins door beschadigd. Zij brengen geen jongen voort, m^ar baren hun jongen door cle mond, zoals Christus tot een wonderlijk voorbeeld uit cle hand des Vaders is voortgekomen; zij hebben een vruchtbare maagdom zonder baren, wier voorbeeld de Heere heeft willen navolgen, en verordenen, dat Hij een vleselijke moeder zou hebben, uit liefde des Maagdoms. Daarom, o Heere! worden u zulke gaven waardig geofferd, met dewelke de Christelijke Godsdienst verzekerd is, dat Gij U grotelijks verblijdt, door onze Heere Jezus Christus, Amen!

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.