+ Meer informatie

Lente, elk aar weer nieuw

6 minuten leestijd

Eind maart. Het licht en de zonnewarmte maken het sluimerende leven wakker. Er komen steeds meer tekenen van de lente: bloeiende wilgekatjes, zwellende knoppen, de eerste vlinders en ijverige bosmieren. Wat ogenschijnlijk levenloos was, blijkt springlevend te zijn. Flora en fauna ontwaken. De katjes van de berken rekken zich uit. Het eerste groene waas hangt over de paarse twijgen. Het uitbottende berkeloof geurt pittig.

Nu is het echt lente. Op de kalender en buiten. De bomen langs de sprengen aan de rand van het Staatswildreservaat zijn nog kaal. De meeste loofbomen wachten tot de tweede helft De kop van een spreng, die verder als een smalle stroom tussen hoge wallen stroomt. van april met het ontplooien van hun blad. Eikebomen staan soms tot begin mei in wintertooi. Pessimisten zeggen dan dat het nog geen lente is. Optimisten hebben er al veel van geKlaverzuring bedekt de bosbodem metdrietallig blad en tere bloempjes. zien en genoten. Zeker aan het eind van de lentemaand. In de spar achter mijn huis zong de merel reeds op 13 februari. Toen was het nog bar winterweer. Ook de heggemus liet zijn prevelliedje toen al horen en hij hield met een partner wilde baltsvluchten door de tuinen. Op 18 februari was een schildvink, nog tamelijk stuntelig, zijn slag aan het instuderen. Opvallend vroeg zelfs dit jaar, ondanks het dikke pak sneeuw dat er nog lag. Maar de winter had de slag al verloren!

Veluwemassief
Onafgebroken hoor ik bij de sprengen het getik van waterdruppels, die uit de wallen in de smalle waterloopjes sijpelen. IJskouden Behaaglijk en zonder agressie ligt een ringslang te zonnen. glashelder is dat water. Het heeft een lange tocht gemaakt vanuit de enorme waterbel, die onder het Veluwewmassief door het hemelwater wordt gevormd. Dat water sijpelt naar de lage streken aan de randen van die hoge zandmassa. Aan de oevers van de Veluwse sprengen druipt het gestaag. Op deze zonnige maartdag, nu het nog licht en zonnig is in het kale bos en de vogels luidruchtig het voorjaar verkondigen, klinkt dat getinkel zo mooi. Vooral omdat er geen storend geluid is. Ook in de zomer, zelfs als het lange tijd droog is, druppelt het water uit de oeverwal. Want het reservoir, diep onder de grond, schijnt onuitputtelijk te zijn. Het druppelt uit de hoge zandwallen, maar die druppels vullen de beek niet. In de kop van de spreng borrelt het op uit een bron. Daar wordt de beek gevoed, dag en nacht. Er schijnen in het ondiepe water geen dieren te leven. Het zonlicht schijnt tot op het witte zand van de bedding. Kiezelstenen zijn bruin aangeslagen door het ijzerhoudende water. In de vele bochten van de grillig kronkelende beek heeft het snel stromende water gleuven uitgeslepen. Daar is een bodem van kiezelsteentjes ontstaan. Schaduwstrepen op de t> beekbodem vormen een grillig patroon. Het zonlicht schittert in rimpelgolfjes. De levermossen en bladmossen en de verschillende soorten varens op de beekwallen zijn frisgroen. Alsof het geen winter is geweest.

Ijskoude bruiloft
In een uitgeschuurde gleuf zie ik op de kiezelbedding wat bewegen. Vijf spartelende palinkjes lijken het wel. Beekprikken zijn het. Ik ken ze al zo lang ik in dit sprengengebiedwoon. Een groepje bij elkaar op een paaiplaats had ik nog niet gezien. Beekprikken worden zeldzaam. Prachtig is het spel van de soepel om elkaar heen slingerende diertjes. In het heldere zonlicht blinkt de bruine huid goudachtig. Duidelijk kan ik de dieren observeren. Ze hebben een plek gezocht waar het water snel stroomt. Beekprikken hebben een merkwaardige mond: een ronde zuignap. Daarmee zuigen zij zich vast aan een steen of tak of aan elkaar, tijdens het afzetten van de eitjes. Daarna zullen deze volwassen beekprikken al spoedig doodgaan. Uit de honderden eitjes, die in het zand worden verborgen, zullen de larven of ammocoeten komen. De blinde, tandeloze, wormachtige priklarven leven drie tot vijf jaar in de bodem van de beek. Ze zuigen zuurstofrijk water met voedseldeeltjes op. Wanneer ze in de herfst volwassen zijn, degenereert hun darmkanaal. Tot in het voorjaar de paaitijd aanbreekt, eten ze niet meer. In het heldere water zie ik duidelijk de zeven kieuwspleten achter de ogen. Ook voor deze koudbloedige dieren is de tijd van het nieuwe leven begonnen. Ze vieren hun bruiloft in ijskoud water.

Verleden tijd
De nog maar pas uit Afrika teruggekeerde tjiftjaf bevestigt met zijn eentonige maatslag dat het lente is. Hij is de eerste van de zomerzangers die bij ons hun broedgebied hebben. Nu moet ik gaan opletten en luisteren, want de fitis volgt al gauw. Die is een echte zanger. Verder is het stil langs de spreng. In een beschoeide zijarm van amper een halve meter breed flitsen stekelbaarsjes als vlugge schaduwen door het water. Hier stroomt het nauwelijks en is de bodem zwart van modder en verteerd blad. De donkere stekelbaarsjes steken bijna niet af tegen de bodem. De ijsvogel komt hier niet meer zijn deel van de stekelbaarsjes opeisen. Het is jaren geleden dat ik hier werd gewaarschuwd door zijn heldere en harde roep. Vaak zag ik hem laag boven het water pijlsnel voorbijflitsen, groen en blauw en rood, als een exotische vogel. Na een sluiptocht ontdekte ik hem dan wel op een overhangende tak boven het water, loerend op prooi. Dat is verieden tijd, snikkert de roodborst achter mij, die hier de hele winter zijn liedje heeft laten horen. Wij raken steeds meer kwetsbare dieren en planten kwijt. Nog zijn de hoge beekwallen kaal, maar de bosklaverzuring spreidt zijn drietallige blaadjes al over de vochtige bosgrond uit. Voordat het lover dichte schaduwen werpt, zullen de tere, ijl dooraderde bloempjes op de hellingen pronken. Een grote plek haarmos vormt een frisgroen tapijt. Mos is in de winter en het voorjaar op z'n mooist. Ik wandel nog even naar de plek van de beekprikken. Het spel van soms heftig om elkaar kronkelende, lenige lijfjes is nog volop aan de gang. Het snel stromende water maakt minuscule rimpelgolfjes boven de spelende prikken. Ik zie de tamelijk grote glinsterende ogen, de golvende samengegroeide rugvinnen, de rij ademopeningen in de hals. Het zijn wondedijke dieren in een merkwaardige biotoop.

Zonnebaden
Er blijken meer dieren door de zonnewarmte tot activiteit te zijn gewekt. Op een open plek in de houtwal heeft een ringslang een moskussen als rustbed gekozen voor haar zonnebad. Door de gele vlek achter de kop, met direct erachter een zwarte vlek, is zij direct herkenbaar. De slang is waarschijnlijk pas uit een verborgen plek te voorschijn gekomen, want zij heeft zich nog niet opgerold, wat haar gewoonte is. Ook is de slang nog traag en inactief, want haar tong is niet zichtbaar. Die is voortdurend in tastende beweging wanneer zij actief is. Roerloos ligt de onschuldige slang, waarvoor de meeste mensen bang zijn. De ronde pupil in het oog zonder ooglid geeft het dier een starende, koele uitdrukking. Vijf maanden heeft zij in een muizehol of onder strooisel haar winterslaap gehouden. Nu blijft zij lang zonnebaden om energie op te doen. Ook voor dit door de meeste mensen verafschuwde dier is het lente. In enkele sprengenkoppen drijven grote klodders kikkerdril. Ik neem er een plukje van mee om thuis weer eens de boeiende ontwikkeling van ei tot kikkertje te kunnen volgen. Op de drassige oever van een poel, dieper het bos in, ligt een grote plak kikkerdril. Als de poel verder uitdroogt, zullen daaruit geen bruine kikkers komen. Nog enkele weken, dan worden de wallen van de spreng getooid met groen en bloemen. Dan zal ik weer allerlei schoons ontdekken in deze stille hoek. Elk jaar is dat hetzelfde. Elk jaar is het nieuw!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.