+ Meer informatie

DE PRINCIPES VAN DE KERKELIJKE TUCHT

8 minuten leestijd

In het verlengde van het voorgaande artikel wil ik met u verder nadenken over wat tucht nu eigenlijk is, welke principiële lijnen vanuit Schrift en belijdenis hieraan ten grondslag liggen en hoe zij geestelijk gehanteerd dient te worden.

NAAR HET WOORD VAN GOD

Artikel 71 KO begint met deze woorden: ‘De kerkelijke tucht zal naar het Woord van God en tot Zijn eer uitgeoefend worden.’ Wie de kerkorde erop naleest en in de artikelen 71-82 zoekt naar verwijzingen naar Bijbelgedeelten, ontdekt dat er in deze artikelen eigenlijk maar twee Schriftplaatsen expliciet genoemd worden: Mattheüs 18:15-17 en 1 Tim. 3:7. Slechts twee teksten, maar wel illustratief voor het feit dat de kerken zich niet alleen oriënteren op maar ook baseren op de Heilige Schrift voor wat betreft de orde in de kerk.

Andere Schriftplaatsen die in dit verband van belang zijn, zijn onder meer: Mat. 16:19, Joh. 20:21-23 en Hebr. 13:17. Uit de apostolische brieven wijs ik op Rom. 16:17v., 1 Kor. 5:1, I Kor. 16:22, II Kor. 12:20-21, II Kor. 13:2, Gal. 1:8, Ef. 5:11-13, II Thess. 3:6-7, I Tim. 5:1 en 24, II Tim. 2:23-26, Tit. 1:10-13, Tit. 3:1-3 en 9-11, I Joh. 5:16-17, II Joh.:7-11 en Jud.:3-16 en 23. Er zou nog meer te noemen zijn, ook uit het Oude Testament, om duidelijk te maken dat God waakt over de heiligheid van zijn gemeente en de zonde niet ongestraft bedreven kan worden.

Twee principiële gedachten worden in die eerste zin van artikel 71 KO naar voren gebracht. Allereerst dient de kerkelijke tucht ‘naar het Woord van God’ uitgeoefend te worden. De kerkelijke tucht is geen vrijblijvende aangelegenheid. Zij is de eis van de Heilige Schrift. Het wordt niet overgelaten aan willekeur of eigen goeddunken. Zij mag ook niet worden nagelaten. Wie ernst wil maken met de dienst aan God en met de heiligheid van God, zal ook ernst maken met de vraag hoe de heiligheid van de gemeente bewaard kan worden.

VERSCHILLENDE ASPECTEN VAN TUCHT

Nu kunnen en dienen er ten aanzien van de tucht verschillende aspecten onderscheiden te worden. Het begint met de zelftucht, zoals in het vorige artikel terecht is aangewezen, maar daarbij blijft het niet. Er is namelijk verschil tussen zelftucht en kerkelijke tucht, in de zin dat de kerk tucht uitoefent over haar leden. Tussen zelftucht en de formele uitoefening van kerkelijke tucht ligt - naar Mattheüs 18 - het broederlijk vermaan door de gemeente. Pas wanneer men na een eerste en tweede vermaning volhardt in de zonde, wordt de zaak kenbaar gemaakt bij de kerkenraad die dan zijn verantwoordelijkheid dient te nemen. Een kerkenraad zal op zijn minst de zaak onderzoeken, zich een eigen oordeel vormen en beslissen hoe hij - indien nodig - de weg van vermaning en tucht verder vorm denkt te geven. Wie de zonde op zijn beloop laat, verliest als vanzelf gezag en recht van spreken!

Voetius heeft ooit drie dingen genoemd om tuchtwaardige zonden te typeren: Het gaat om openbare zonden die een mens schuldig stellen in het licht van het Woord van God. Het gaat vervolgens om zaken die ergernis geven in de gemeente. Verder is er sprake van een verwerping van de vermaningen en een volharden in het kwaad.

TOT ZIJN EER

Het tweede principiële gezichtspunt in de aanhef van artikel 71 is dat de uitoefening van de tucht ‘tot Zijn eer’ dient te zijn. Dat mag wel onderstreept worden. Het enige zuivere motief om over te gaan tot de uitoefening van kerkelijke tucht is de eer van God. Bij de uitoefening van de tucht dient er dus wel gewaakt te worden voor oneigenlijke motieven. Het mag niet voortvloeien uit een soort machtsdenken. Wie werkelijk de eer van God op het oog heeft, is ook begaan met zijn naaste; zeker met zijn naaste in de gemeente. De tucht wordt alleen tot Gods eer uitgeoefend, als zij liefdevol wordt uitgeoefend.

MET HET OOG OP VERZOENING

‘Zij heeft ten doel, dat de zondaar met God, met de gemeente en zijn naaste verzoend wordt en de gegeven ergernis uit de gemeente wordt weggenomen.’ De tweede zin uit artikel 71 geeft dus het doel van de kerkelijke tucht aan. Dat doel is positief. De tucht is gericht op heling en genezing. Verzoening is een woord met een diepe Bijbelse lading. Verzoening veronderstelt de aanwezigheid van een bepaalde schuld, en die schuld moet worden weggenomen. Schuld raakt de verhouding tot God; ergernis de verhouding tot de gemeente. Het doel van de tucht is nu om beide weg te nemen.

VERZOENING

Het is goed om nog nader stil te staan bij het woord verzoening. Wanneer men zich genoodzaakt ziet over te gaan tot de uitoefening van de tucht, zal de kerkenraad zich ook moeten inspannen om het doel van verzoening te bereiken. Daartoe zijn op zijn minst pastorale gesprekken nodig. De kerkenraad zal aandringen op en een actieve rol spelen in het - zo mogelijk - tot stand brengen van de verzoening.

ERGERNIS

In principe is daarmee ook de ergernis in de gemeente weggenomen. Nu moet het woord ergernis niet verkeerd opgevat worden. Al snel vertalen wij het als: ‘ik erger mij aan iemands gedrag’ (subjectief). De ergernis die in artikel 71 bedoeld wordt, is echter objectief gerelateerd aan de overtreding van Gods geboden. Het voortbestaan van een situatie die naar het oordeel van de kerkenraad, op grond van Gods Woord, strijdig is met Gods geboden, schept een ergernis in de gemeente. Een kerkenraad kan worstelen met de vraag of en in hoeverre de gemeente op de een of andere wijze moet worden ingelicht inzake het wegnemen van de ergernis. Mij zijn voorbeelden bekend hoe goed het heeft gewerkt dat een kerkenraad de gemeente informeerde over een gedane schuldbelijdenis en de gemeente werd opgewekt om de betreffende persoon in liefde te aanvaarden, hetgeen vervolgens ook gebeurde. Dat was goed zowel voor de persoon alsook voor de gemeente.

HET BELIJDEN VAN DE KERK

Ten slotte willen we in kort bestek nog op enkele gegevens wijzen die we vinden in onze belijdenisgeschriften.

HC Zondag 31 spreekt over twee sleutels van het Hemelrijk: de verkondiging van het Heilig Evangelie en de christelijke ban. Beide sleutels moeten getrouw bediend worden. De ene sleutel hangt ten nauwste samen met de andere. In het vorige artikel is al gewezen op het belang van de prediking in relatie tot de tucht. De prediking geeft een verstaanskader waarbinnen de tucht kan en moet worden uitgeoefend. Als het besef van de heiligheid van God verdwijnt uit de prediking en de zonde niet meer wordt ontmaskerd als Godonterend, komt de tucht in de lucht te hangen.

De ouderlingen van de gemeente dienen allereerst de wacht te betrekken bij de zuivere prediking van Gods Woord. Vervolgens komt in het verlengde daarvan ook de christelijke ban aan de orde.

Ik stip kort enkele aspecten aan die ons in vraag en antwoord 85 worden aangereikt:

a. de tucht gaat over serieuze dwalingen in leer of leven

b. er dienen herhaaldelijke vermaningen te worden toegepast

c. de tucht treedt in werking bij hardnekkig volharden in het kwaad

d. de gemeente en de ambtsdragers worden beide verantwoordelijk gehouden voor de toepassing van de tucht

e. de tucht bestaat in het verbieden van de toegang tot de sacramenten en (daarna) in het buitengesloten worden buiten het Rijk van Christus

f. bij waarachtige betering die beloofd en bewezen wordt, is er terugkeer tot de gemeente mogelijk.

Kort verwijs ik naar de artikelen 30 en 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De taak van de kerkenraad is de loop van de ware leer te bevorderen en overtreders op geestelijke wijze te straffen. Het ambt - en daarmee dus ook de kerkelijke tucht - dient niet op een wettische, formalistische en detaillistische manier te worden uitgeoefend, maar op een geestelijke wijze: ‘Zo nemen wij dan alleen aan hetgeen dienstig is om eendracht en eenheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods.’ In dat verband en met het oog op dit doel noemt artikel 32 dan de kerkelijke tucht.

Tot slot wil ik wijzen op artikel 30 van de Westminster Confessie. Inhoudelijk stelt dit artikel hetzelfde aan de orde als in Zondag 31 HC wordt genoemd. Duidelijker dan in de HC echter komt in dit artikel van de Westminster Confessie het doel van de kerkelijke tucht naar voren. Dat wordt kort maar krachtig als volgt omschreven:

De kerkelijke tucht is nodig

a. om zondige broeders en zuster terug te winnen

b. om anderen af te schrikken dergelijke zonden te begaan

c. om het zuurdesem uit te zuiveren dat het hele deeg zou kunnen aantasten

d. om de eer van Christus en de zuivere belijdenis van het Evangelie te rechtvaardigen

e. om de toorn van God af te wenden, die rechtvaardig over de gemeente zou kunnen komen

Eerder hebben we al gewezen op de betrokkenheid van de gemeente. Martin Bucer, de reformator uit Straatsburg, heeft in zijn boek ‘Over de ware zielszorg’ gepleit voor een pastorale gemeente. In dit verband heeft hij erop gewezen dat de uitoefening van de tucht moet leiden tot de verootmoediging van de gehele gemeente. Zo staat de gemeente niet beschuldigend en veroordelend boven de zondaar, maar biddend en ootmoedig naast de zondaar. Ook dat is een aspect dat wij vandaag niet uit het oog moeten verliezen.

Drs. H. Korving (1954) dient momenteel de Maranathakerk op Urk en schreef een aantal jaren geleden voor zijn doctoraalstudie Nieuwe Testament een scriptie over een hermeneutisch onderwerp

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.