+ Meer informatie

GEMEENTEVERGADERING

13 minuten leestijd

Zogenaamd

Toen prof. Hovius eens in ons blad een vraag over het „houden van een rondvraag op een zgn. gemeentevergadering of iedenvergadering” beantwoordde (AC 1967-1971 blz. 810), gebruikte hij niet zonder opzet de afkorting „zgn.”, reeds in het opschrift dat hij boven z’n antwoord plaatste. En alvorens het antwoord te geven motiveerde hij dat de bedoelde vergadering wel zo wordt genoemd, maar dat „in feite” die naam onjuist is, „want hij suggereert min of meer dat zulk een vergadering eigenlijk net zo iets is als een algemene Iedenvergadering van de een of andere vereniging”. Zo’n Iedenvergadering van een vereniging is bevoegd - al naar de desbetreffende bepalingen in reglement of statuut - het beleid en het werk van het verenigingsbestuur te beoordelen en er al dan niet goedkeuring aan te hechten. Maar, zegt prof. Hovius dan, zo gaat het in de kerk des Heren niet toe: het gereformeerde kerkrecht kent zo iets niet. Vandaar dus: zogenaamde gemeente- of Iedenvergadering.

Dit kerkrecht getrouw heeft de laatste synode in het nieuwe Reglement voor kerkvisi-tatie dan ook de afkorting voor „zogenaamd” gebruikt in par. VI sub 3 door een „vergadering met de leden van de gemeente” tussen haakjes en met aanhalingstekens nader te omschrijven met: een zgn. „Iedenvergadering” (zie AC 1983 blz. 6/254). Uiteraard kan zo’n reglement geen verklaring geven waarom deze benaming zo voorzichtig wordt gehanteerd. ’t Lijkt kennelijk nodig deze benaming niet zonder meer te gebruiken.

Hoegenaamd niet

Alle voorzichtigheid ten spijt, vergaderd wordt er intussen wel. Onze Catechismus be-lijdt dat de Zoon van God zieh een gemeente „vergadert” (HC 54). En de Ned.Geloofs-belijdenis spreekt over een „heilige vergadering der ware Christ-gelovigen” (IMGB 27), van welke vergadering geldt wat die Geloofsbelijdenis eiders zegt dat Jezus Christus de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de kerk is (NGB 31). Dat vergaderen-de werk van de Koning der Kerk is beslissend en beheersend. Pas dan beginnen onze vergaderingen. De gemeente die tot de dienst des Woords vergaderd wordt, blijft de „hoogste” vergadering van de kerk. Maar opdat het in die kerk „wel en ordelijk toe-gaan” zal (NGB 30), heeft God een „middel” gegeven: wij geloven dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie die ons onze Here heeft geleerd in zijn Woord; namelijk dat er dienaars of herders moeten zijn, (…) ook opzieners en dia-kenen om (…) te zijn als de raad der kerk”. Daarmee is de eerste van de „kerkelijke vergaderingen” gegeven die volgens onze Kerkorde „vierderlei” zijn (KO 29). Maar dan wordt er met geen woord over gemeente- of Iedenvergadering gesproken, hoe ook genoemd, noch zogenaamd, noch hoegenaamd.

Maar niet vergeten

Ook al wordt de gemeentevergadering niet genoemd onder de „kerkelijke vergaderingen”, vergeten is de gemeente beslist niet. Het openingsartikel van onze Kerkorde stelt de gemeente voorop: Om in de gemeente van Christus naar de vereiste orde te leven… Om die gemeente gaat het immers, waarover Jezus Christus de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd is. Dat is basis en achtergrond van alle volgende artikelen, ook als het woord „vergadering” niet of nauwelijks in verband met die gemeente wordt gebruikt. Als artikel 4 van de Kerkorde spreekt over „verkiezing door de gemeente”, kan dat alleen plaatsvinden als die gemeente op de een of andere manier vergadert. In artikel 22 is de „medewerking van de gemeente” alleen naar behoren te realiseren als deze in vergadering bijeenkomt. De desbetreffende concept-Regelingen gebruiken dan ook het woord „vergadering” zonder enige afkorting (KO uitg. 1979, bijl. 40 en 50). De synodale besluiten die in de Kerkorde zijn opgenomen, maken melding in artikel 37 sub 3 van een vergadering „met de gemeente” en in artikel 4 sub 4-B10 wordt gesproken over een gemeente die zieh aansluit, wat zonder meer een vergadering onderstelt, zoals ook de constituering van een gemeente niet buiten die gemeente om kan geschieden, hoewel de desbetreffende coneepten geen gewag maken van enige vergadering van die gemeente (KO idem bijl. 51, 52 - tenzij dan zijdelings wanneer over „gekozen” wordt gesproken).

Verder dan het „raadplegen” waarover artikel 37 sub 3 spreekt - in verband met een eventueel breken met het kerkverband -, lijkt bijlage 9 sub 2b (KO uitg. 1973) te gaan. Ten behoeve van „het gestalte geven aan eenheid met kerken van gereformeerd be-lijden” is daar bepaald dat een kerkeraad niet alleen de gemeente moet horen, maar ook haar „bewilliging” moet vragen in dier voege dat naar het oordeel van de kerkeraad „genoegzame eenparigheid van gevoelen” moet blijken om verdere stappen te on-dernemen. Ook al kan de vraag opkomen of hier niet eerder een zekere concessie aan het woord is, dan de zekere, door prof. Hovius met instemming geciteerde confessie dat de kerkeraad met de gemeente kan samenkomen „waarbij dan de leidende en be-slissende macht bij de kerkeraad en de medewerkende en controlerende macht bij de gemeente berust” (AC 1967-1971 blz. 811), concessie of confessie, feit is dat de gemeente bij een cruciaal punt als dit niet genegeerd kan worden.

De mondigheid van de gemeente is dus niet vergeten. Deze mondigheid is echter niet afhankelijk van vergaderen. In de reeds genoemde artikelen betreffende de verkiezing van ambtsdragers wordt gesproken over „approbatie van de leden van de gemeente” die „bezwaren” zo nodig kunnen inbrengen (artikel 4, 22) en de desbetreffende bijla-gen (de genoemde 40 en 50) gebruiken dan ook dienovereenkomstig het woord „goed-keuren”. Als het over de „verzorging der dienaren” gaat (in artikel 11) wordt de kerkeraad aangeduid als „vertegenwoordiger der gemeente”. Hoewel het niet met zoveel woorden wordt gezegd, kan hieruit toch wel worden opgemaakt dat die gemeente niet onmondig is, zodat de kerkeraad buiten haar om zou kunnen handelen. In dezen „representeert” de raad de gemeente (aldus de kerkorden van 1586 en van 1618/19). Dat onderstelt op z’n minst enig overleg en dus een samenkomen, vergaderen van kerkeraad en gemeente. Artikel 26 spreekt zelfs over „rekening en verantwoording” die de diaconie heeft te doen „desgevraagd” aan de leden van de gemeente, al stelt de kerkeraad „tijd en wijze” vast. Van autonomie en autarchie is derhalve geen sprake.

Dat de gemeente niet onmondig noch „monddood” is, blijkt ook wel uit het recht van appel dat volgens artikel 31 ieder heeft die zieh beklaagt dat hij door de uitspraak van een mindere vergadering verongelijkt is, maar hoeveel vergadertijd dergelijke appels ook vergen, een gemeentevergadering is er niet bij betrokken. Wel is duidelijk dat de kerkelijke vergaderingen van artikel 29 niet zonder meer hun gang kunnen gaan. Bij het toelaten van leden ontvangt de gemeente dan ook het recht bezwaren in te brengen volgens de bewoordingen van het Formulier voor de openbare belijdenis des geloofs (KO uitg. 1979, bijl. 39). Dat bij „censuur en kerkelijke vermaning” (artikel 71 enz.) de gemeente niet totaal buiten het geding valt, kan bekend geacht worden, zelfs als de interpretatie die het oude bevestigingsformulier voor ouderlingen en diakenen aan Matt. 18: 17 geeft (vgl. KO artikel 74), misschien wat al te „bekwamelijk” gemeente vervangt door hen „die de gemeente waarvan zij verkoren zijn, regeren”.

Niet minder bekend zal het feit zijn dat de „bezwaarden” van 1892 het een „onver-vreemdbaar recht der gemeente” achtten dat de zaak van de Vereniging met de dole-renden royaal zou worden doorgesproken op een gemeentevergadering, ten einde „al of niet toe te stemmen in de voorwaarden”. Het betekende voor hen dat de „rechten der gemeente verkort” zijn omdat nooit aan de kerkeraden was „verzocht of opgedra-gen” daarvoor „de vergadering van manslidmaten in elke gemeente op te roepen”.

De synode van 1892 oordeelde - niet zonder blijk van sofisterij - dat de rechten van de gemeente niet verkort waren „door haar niet gehoord te hebben” omdat „het geldt de vereeniging van Kerkengroepen” (waartegen juist dit bezwaar ging).

Uit een en ander kan nu wel duidelijk zijn dat het verschijnsel „gemeentevergadering” c.q. „ledenvergadering” niet zonder moeite behoort „bij de kerkregering naar gerefor-meerde opvatting” (zoals dr. Brienen stelt in „Onderlinge dienst” - Utrecht 1969, blz. 52). Deze moeite hangt m.i. samen met het probleem geestelijkheid-leken dat in de ge-schiedenis van de kerk een niet onbelangrijke rol heeft gespeeld.

Vergaderen leken of leden?

Het zou te veel ruimte vragen in den brede op deze vraag in te gaan. Toch moet er iets van gezegd worden om de voorzichtigheid, wilt u: weerstand te kunnen begrijpen.

Het woord „leek” is ontleend aan het Griekse woord laikos dat via het Latijnse laicus in verschillende Westerse talen bekend is geworden. Het betekent oorspronkelijk: be-horend tot de „laos” dat is het volk van God in het Oude en Nieuwe Testament. In het huidige spraakgebruik betekent het (Van Dale:) iemand die van een bepaald vak geen verstand heeft, geen deskundige of vakman is. Daarnaast is dan met name in rooms-katholieke kring de betekenis gangbaar: iemand die niet tot de geestelijke stand behoort. Uiteraard hangt dit samen met het roomse kerk- en ambtsbegrip zoals dat in de loop der eeuwen tot ontwikkeling is gekomen. De geestelijkheid - met inbegrip van de kloosterlingen - en de leken werden scherp van elkaar onderscheiden. De eerste heeft alleen het recht om de sacramenten te bedienen, te onderrichten en te leiden, terwijl de leken de macht en het gezag van de „hierarchie” zonder meer hebben te aanvaarden en te gehoorzamen. De geestelijkheid vormt de eigenlijke kerk, heeft een sacrale status tegenover de leken en beschikt over de genademiddelen waarvan de leken afhankelijk zijn. In wezen is de geméénte uiteengevallen in twee volkomen ongelijksoortige delen.

De Reformatie betekende ook in dezen een terugkeer tot Gods Woord. Op een beslis-send moment zei Luther in gehoorzaamheid aan dat Woord de gehoorzaamheid op aan de kerk zoals deze zieh manifesteerde in de hiërarchische autoriteit van de paus. „Alle christenen” - schreef hij in zijn „Aan de christelijke adel” - „zijn waarachtige priesters; er is tussen hen geen onderscheid tenzij in ambt”. De Reformatie ontdekte de geméénte. Het „priesterschap der gelovigen”, het „ambt der gelovigen” gaat weer functioneren onder de énige algemene Bisschip en het énige Hoofd van de kerk, onze Héér Jezus Christus. Nu kunnen „dienaren” geen priesters meer zijn in de cultische zin van het woord, noch heren met hogere status dan de „leken”. Zij zijn dienaren des Woords, verbi divini minister! Er is geen plaats voor een priesterlijk-sacramentele geestelijkheid die zieh zelf exclusief met de kerk identificeert. En het is de „leek” Calvijn die z’n Institutie schrijft en pas daarna predikant wordt, niet zonder pressie van anderen. En enkele eeuwen later beroept zieh de Akte van Afscheiding op het ambt der gelovigen naar luid van de Geloofsbelijdenis.

Juist in die tijd van de Afscheiding kwam meer dan ooit openbaar dat van het reformatorische principe in de praktijk niet zo bar veel terecht was gekomen. De predikanten hadden de leiding gekregen, waardoor een nieuwe „geestelijkheid” gretig kansen kreeg en „ambt” opnieuw neigde naar „Status” in plaats van naar Bijbels grondpatroon: bijzondere opdracht met eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van de Koning der Kerk te betekenen. Natuurlijk zijn er oorzaken aan te wijzen waarom het reformatorische principe zieh zo moeilijk kon verwerkelijken. Denk slechts aan de plaats die de overheid kreeg resp. opeiste in de „regering” van menige reformatorische kerk. Denk ook aan de maatschappelijke situatie die haast onwillekeurig de „gestudeerden” ook in de kerk naar voren schoof. Dan behoeven we nog niet eens de zo menselijke zucht naar macht in rekening te brengen. Wie in dit jaar van Afscheidingsherdenking kennis neemt van wat er toen speelde in de vaderlandse kerk, behoeft niet ver te zoeken om deze rea-liteiten te ontdekken. En zelfs in de afgescheiden kerken zijn ze niet verre. Het gehar-rewar over „zending” (nl. van de „leraren” d.w.z. al of niet wettig gezonden), „ambts-kleed” e.d. laat dat wel zien. Maar hoe ten dele ook, het principe dat de leden van de kerk niet tot leken gedegradeerd mogen worden, bleef door alles heen levend. En het gelukte nooit helemaal om de dominees „op een voetstuk” te krijgen, hoevelen er ook geweest zijn - en misschien nog wel zijn - die het zieh maar al te graag lieten aanleunen! Wanneer dan ook de leden van Christus’ kerk vergaderen dan zijn het geen leken die tegenover een soort geestelijkheid staan, maar dan zijn het allen leden van die kerk, de ambtsdragers inbegrepen, die sámen buigen onder de énige algemene Bisschop en het énige Hoofd van de kerk die zieh een gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt. Hij regeert!

Alle dingen wel en ordelijk

Wanneer we belijden dat die Bisschop, dat Hoofd zijn gemeente regeert, dan wil dat natuurlijk niet zeggen dat daarmee onze verantwoordelijkheid is uitgeschakeld, noch in het ambt aller gelovigen, noch in het bijzondere ambt. Het is niet zó dat het eerste ambt „beslist” (zoals independenten voorstaan), noch zó dat het laatste ambt dat doet (zoals der roomsengelijkvormig is). Zijn Wóórd beslist. Dan wordt ernst gemaakt met het: Eén is uw Meester en gij zijt allen broeders (Matt. 23:8b). Van „kerkelijke leiders” - zoals in bepaalde kringen wel gebruikelijk is - kan dan geen sprake zijn: Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus. Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn (Matt. 23 : 10,11).

Dan Staat het woordje „als” niet voor niets in onze Belijdenis: „als de raad der kerk”, noch in het oude bevestigingsformulier: „een college of gezelschap, zijnde als een raad der kerk”. Want het gaat niet om een wereldlijk bestuur van een vereniging of iets der-gelijks, dat moet uitvoeren volgens reglement of statuut wat die vereniging besluit. Die raad mag alleen uitvoeren wat naar Gods Woord is. Naar dat Woord heeft die raad sannen met heel de gemeente gehoord. Dat is de beslissende vooronderstelling van heel onze Kerkorde. En daarom behoefde die Kerkorde niet breed de positie van de gemeente uiteen te zetten. Op de meeste essentiële punten 1s die gemeente er. En voor de rest omschrijft die Kerkorde in feite niets anders dan de bijzondere verantwoordelijk-heid van de kerkeraad (en van de overige kerkelijke vergaderingen naar artikel 29 KO) in en mèt de gemeente van Christus, waarin „elk zieh moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere leden gewillig en met vreugde aan te wenden”. In de frontsituatie waarin Christus’ kerk hier in deze bedeling leeft, is de gemeente zonder vlek en rimpel een zaak van geloof, niet van aanschouwen. Die situatie brengt mee dat de werken van het vlees ook in die gemeente eerder te bespeuren zijn dan de vrucht van de Geest. Maar bij al wat ten dele is, geloven wij dat in het presbyteriale systeem, waaraan onze Kerkorde uitdrukking geeft, én het Koningschap van Jezus Christus onze Here over Zijn kerk én de verantwoordelijkheid van de gelovigen in Zijn kerk nog het meest tot hun recht kunnen komen „om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus” (Ef. 4: 12). Wanneer dàt domineert, dan zullen „alle dingen in de kerk wel en ordelijk toegaan”. Oók op de gemeentevergadering, al of niet met „zogenaamd” aangeduid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.