+ Meer informatie

Van het Zendingsveld

4 minuten leestijd

(29.) Willem Carey. Voorbereiding.

De bekende dominee Smytegelt zegt zo eenvoudig over de dienstknechten Gods: „Hij (d.i. de Heere) vindt ze bekwaam, of maakt ze bekwaam." Dat bekwaammaken doet de Heere veelal langs wondere wegen, zodat we wel moeten uitroepen: „Wie kan Gods wijs beleid doorgronden? " Achteraf wordt het meestal bemerkt, dat alles moest meewerken ten goede, en dat daardoor niets anders overblijft dan de ere van Gods heilige Naam, waar alles op uit moet lopen: Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijns heiligen Naams wil.

Wonderlijk is het ook gegaan in het leven van Willem Carey, een groot zendingsman uit het begin der 19e eeuw.

In het midden van Engeland (Northampton) werd Willem geboren op de 17e Augustus 1761. Niemand zou bij die geboorte maar enigszins kunnen bevroeden, dat de naam van dit kind zo vaak zou genoemd worden, vooral in de zendingsgeschiedenis. Welk werk zou de jeugdige Willem gaan doen? Er waren verschillende mogelijkheden. Grootvader was onderwijzer, vader was schoenmaker, een oom was tuinman. Willem kon uitzoeken. Vooral de tuinman, Willems oom, stelde veel belang in Willem. De knaap was de lieveling van zijn oom. Meestal was hij dan ook dadr te vinden. Ongemerkt verkreeg Willem zodoende veel verstand van de tuinbouw en wat daarmee in verband staat: veredeling, snoeien, grondbewerking, bemesting, en vul verder maar aan. Hoe zou de kennis van dit alles hem van pas komen later!

Bij zijn vader leerde hij met els en pekdraad omgaan, terwijl hij van zijn grootvader kon leren hoe anderen het beste konden worden onderwezen. De voornaamste lessen kreeg hij van zijn godvruchtige grootmoeder, die hem van jongsaf bekend maakte met de Heilige Schrift. Die lessen konden waarde hebben voor het eeuwig welzijn.

De familie Carey behoorde tot de Staatskerk, en daar was het de gewoonte, dat er gedeelten van Gods Woord door kinderen hardop werden opgezegd bij de godsdienstoefening. (In enkele kerken van de Geref. Gemeente is het lange tijd gewoonte geweest, dat bij de behandeling van de Catechismus, de antwoorden overluid door catechisanten in de kerk werden opgezegd.) Nu en dan was het ook Willems beurt om Bijbelgedeelten op te zeggen. Zodoende kwamen verscheidene stukken uit Gods Woord vast in zijn geheugen.

Helaas, wat is de uitwendige kennis van God en Zijn Woord, zonder de innerlijke werking des Geestes? Hoe droevig komt openbaar, dat we verkocht zijn onder de zonde en we gewillige slaven van satan zijn. Hoe jammerlijk kwam dat bij Willem Carey openbaar. De zonden bleven niet beperkt tot zondige gedachten, maar braken baan in woorden, in vloeken en liegen, in ijdel en onzedelijk gepraat. Zoals van Bunjan bekend is, dat hij in zijn eei'tijds een grote vloeker was, zo moeten we dit ook van Carey zeggen.

Toch zou zijn leven zo niet voortgaan. Als hij zestien jaren oud is, en schoenmakersleerling is geworden, is hij dagelijks in gezelschap van een knecht, die de Heere

vreest en die geen lid is van de Staatskerk. Meer en meer komt Carey onder de invloed van deze oprechte schoenmakersknecht. De vloeken komen slechts zelden meer naar buiten; er is bij de knecht geen kans tot ijdele, zondige gesprekken en langzamei'hand wordt Willem ontdekt aan zijn verloren staat voor God. Wat worden de gesprekken tijdens het schoenen-maken nu anders! Hoe wordt de knecht voor Carey tot een hand en tot een voet! We kunnen gerust zeggen dat het hier ging, zoals van Andreas beschreven staat ten opzichte van Petrus: „En hij leidde hem tot Jezus."

Wat een liefelijke ommekeer, alleen door Gods Geest gewrocht, want Die is het die levend maakt.

Jammer, dat Willem het in zijn huwelijk niet zo best treft. Als hij twintig jaar oud is, trouwt hij met een vrouw, die hem veelal tot i last is geweest en die genoemd wordt: twistziek, > spelturig en halsstarrig. Deze woorden zeggen ons al genoeg, en we verwonderen ons niet, dat er velerhande tegenheden, zoals bittere armoede, het kruis uitmaken, dat het huis van Carey heeft.

Des te meer moet het ons verbazen, dat de schoenmaker, die met veel inspanning de kost moet verdienen, toch nog kans ziet, om in de weinige vrije uren te studeren in vreemde talen. We kunnen niet anders zeggen, dan dat God hem aan de studie zet, door hem te schenken een uitermate vlug begrip en dorst naar wetenschap. In betrekkelijk korte tijd leert hij niet alleen het hebreeuws en grieks, de talen waarin de Bijbel is geschreven, maar ook verstaat hij latijn, frans en hollands.

Wie zou dat alles bij een schoenmaker zoeken? De Heere had er Zijn wijze bedoelingen mee. Dat was het geheim. ,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.