+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

17

Opnieuw worden wij door kapitein Overtuiging geleid in het gericht, opdat Mensziel zou mogen komen tot boetvaardigheid en dat met het innige voornemen zijn Rechter om genade te bidden.

„Wat” zo gaat hij verder met zijn ontdekkend spreken, „geeft uw verwerping van El-Schaddai’s wetten en uw onderwerping aan Diabolus anders te kennen dan alleen haat en vijandschap tegen de Koning Wiens beeld gij kwaamt te versmaden? Ja wat betekent anders dit opnemen van uw wapens en het sluiten van uw poorten tegen ens, de getrouwe dienaars van uw Koning? Laat u dan terecht brengen en neemt mijns broeders nodiging aan, verwaarloost de tijd van genade niet, maar verdraagt u spoedig met uw wederpartij ders. En waarom oordeelt gij ook van uzelf niet hetgeen recht is? Want als gij heengaat met uw wederpartij voor de overheid, zo doe naarstigheid op de weg, om van hen verlost te worden, opdat hij misschien u niet voor de rechter trekke en de rechter u de gerechtsdienaar overlevere en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.”

„Ach Mensziel! üjd niet dat ge van de genade zoudt afgehouden worden en in duizend ellenden lopen, door de pluimstrijkende listen van Diabolus. Mogelijk zal dat bedrieglijk stuk u trachten te doen geloven, dat wij in deze onze dienst ons eigen voordeel zoeken. Maar weet, dat wij alzo handelen uit gehoorzaamheid aan onze Koning en de liefde tot uw gelukzaligheid ons dit alles doet ondernemen.”

„Verder bedenk eens, o Mensziel, of het niet een verbazingwekkende genade van El-Schaddai is, dat Hij Zich zo vernedert als Hij nu doet, daar Hij met u door ons spreekt bij manier van een zoete onderhandeling en overreding, ten einde gij u toch aan Hem zoudt onderwerpen en u met Hem verzoenen. „Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.”

„Heeft Hij u misschien nodig, gelijk wij verzekerd zijn, dat gij Hem nodig hebt? Neen, neen! maar Hij is barmhartig en Hij wil niet dat Mensziel sterve, maar dat het zich bekere en leve!”

Toen trad kapitein Oordeel toe, hij had het rode vaandel en het schild met de brandende oven, en zeide: „O inwoners van de stad Mensziel, die zo lang in rebellie en verraderlijke verhouding tegen de Koning El-Schaddai geleefd hebt; weet dat wij te deze dage, op deze plaats en op zodanige wijze niet met een boodschap komen die wij zelf verzonnen hebben, of om ons ongelijk te wreken. Het is de Koning, onze Meester, Die ons hier gezonden heeft, om u tot gehoorzaamheid aan Hem te brengen, wat, zo gij weigert naar onze raad te handelen en u vredig onder uw Koning te schikken, - onze lastbrief getuigt het duidelijk - met dwang zal moeten geschieden.” „En denk nooit bij uzelf en laat het u van de tiran Diabolus niet wijs maken, dat onze Koning niet machtig zou zijn om u door Zijn kracht ten onder te brengen en onder Zijn voeten te leggen, want Hij is de formeerder van alles, en als Hij de bergen aanroert, zo roken zij. De poorten van des Konings zachtmoedigheid zullen ook niet altijd open staan, want de dag, die als een oven zal branden, is nabij, ja nadert met rasse schreden, sluimert niet. En allen die de ongerechtigheid doen en in de ongerechtigheid sterven, zullen de engelen in de vurige oven werpen. Daar zal wening zijn en knersing der tanden.”

„O Mensziel! is het klein in uw ogen, dat onze Koning u Zijn genade aanbiedt en dat na zoveel tergingen? Ja Hij blijft nog Zijn gouden scepter tot u uitstrekken en wil nog niet dat de poort voor u gesloten worde, waarom zoudt gij Hem uittarten, om dat te doen? Zo ja, overweeg dan eens wat ik nu zal zeggen: Het zal u in eeuwigheid niet aangeboden worden.”

„Zo gij zegt: Gij zult Hem niet aanschouwen, daar is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht dan op Hem. Ja omdat er grimmigheid bij Hem is, wacht u, dat Hij u niet misschien als met één klap wegstoot; zodat een groot rantsoen u daar niet af zou kunnen brengen. Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn, of enige versterking van kracht? Neen, neen, geen goud of rijkdom, of al uw geweld. Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte; want zie, de Heere zal met vuur komen en Zijn wagens zijn als een wervelwind, om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden en Zijn scheiding met vuurvlammen.

Zie derhalve toe, o Mensziel, opdat niet, nadat ge het oordeel der goddelozen vervuld hebt, oordeel en gericht u aangrijpen.”

Terwijl nu kapitein Oordeel deze rede tot de stad hield, stond Diabolus gelijk sommigen hebben opgemerkt onbeweeglijk en beefde. Maar hij hervatte zijn rede en zeide: „O gij ellendige stad Mensziel! wilt gij nog uw poorten niet openen om ons te ontvangen, afgezondenen van uw Koning en die zich verblijden zouden,mochten ze u zien en leven Zal uw hart bestaan, zullen uw handen sterk zijn ten dage als Hij met u zal handelen ten gerichte? „IK DE HEERE HEB HET GESPROKEN EN ZAL HET DOEN.” Het is de Goddelijke waarschuwing waarop Hij terugkomt in de dag van het oordeel.

”Ik zeg: zult gij het kunnen dragen, dat ge gedwongen wordt te drinken als zoete wijn, die zee van toorn, die El-Schaddai bereid heeft voor Diabolus en zijn engelen? Bedenk dit eens, en bedenk het intijds. „O nee, het ongeloof dat de Heere lastert door beledigend en honend van Hem te denken en te spreken, kan nooit genoeg beweend worden. Op het ootmoedig en boetvaardig vragen: „Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?”, liet deze moordenaar, die met Christus gekruist was tot zegen van zijn hart, nog deze schuldbelijdenis volgen: „En wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.”

Het ootmoedig en boetvaardig buigen voor de majesteit van Gods wrekende gerechtigheid, is hem dierbaar geworden. En in dit woord: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen,” vond hij de vrijmoedigheid om te bidden: „Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.” En toen zonk dit woord met een diepe verwondering in zijn hart: „Voorwaar, zeg Ik u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.” Kom, laat ons biddend uitzien naar het ootmoedig en boetvaardig buigen van Mensziel, en dat met de betekenis de dood verdiend te hebben. Want de Heere heeft Zijn hand nog niet van de stad afgetrokken.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.