+ Meer informatie

TER OVERWEGING

11 minuten leestijd

Dr. C. Vermeulen, Woorden die wegen. Uitgeverij Kok, Kampen 1993.104 blz. f 18,50. In dit boekje worden essentiele gebeurtenissen en begrippen besproken. Kerst, Pasen, Pinksteren, bekering, gebed, vrede en verwondering en de aarde komen vanuit een bijbelse visie aan de orde.

De auteur, hervormd predikant en redacteur van het Hervormd Weekblad, gaat niet alleen in op die gebeurtenissen, maar hij geeft ook aan wat de ervaring is in bijbels geloven. Zo raken principes en praktijk van het geloof nauw verweven. Meerdere malen stelt hij het niet (kunnen) geloven tegenover het geloven. Het boekje leent zich dan ook goed voor persoonlijke meditatie en voor bijbelstudie.

L.M. Vreugdenhil, Wil je wel geloven. De apostolische geloofsbelijdenis uitgelegd voor beginners. Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 87 blz. f 17,90.

In dit boekje worden op eenvoudige wijze de twaalf artikelen des geloofs besproken. De bedoeling ervan is dat jongeren vanuit het geschrevene (opnieuw) de artikelen zullen begrijpen en vandaaruit zullen groeien in het geloof. Achterin het boekje zijn per hoofdstuk een aantal vragen geformuleerd.

Henk Binnendijk, Wereld van verschil een stukje Openbaring. Uitgeverij Kok Voorhoeve, Kampen 1993. 122 blz. f 14,50.

In samenwerking met de Evangelische Omroep is er een boekje uitgegeven aan de hand van het TV-programma “’Wereld van verschil”. In dit programma reist Henk Binnendijk met een groep van vijftien jongeren naar Patmos en naar de zeven gemeenten in het tegenwoordige Turkije. Hij gaf de jongeren ter plekke een uitleg van de drie eerste hoofdstukken van het boek Openbaring. Hoewel dit boekje geboren werd vanuit de televisieserie, staat het toch ook op zich zelf. Het is heel goed te gebruiken, zonder dat u de televisieuitzendingen hebt gezien. De inhoud moet niet gelezen worden als een verklaring van de drie hoofdstukken. Daarvoor is het te weinig diepgaand. Er is op een bescheiden wijze geprobeerd om wat opening te geven naar de drie hoofdstukken. Het boekje leest prettig en heeft een eerlijke en oprechte grondtoon.

Ulina Boersema e.a., Het Recht van de zwakste. Uitgeverij Buyten & Schipperheijn Amsterdam 1993. 72 blz. f 12,50.

Bij de geboorte van een kind met een zichtbare handicap, waarbij ook nog een levensbedreigende afwijking gesignaleerd wordt, komen er veel vragen naar voren zowel bij de ouders als bij artsen en verpleegkundigen wat het beste is. Wat is zinloos en wat is zinvol handelen. Er worden hoge eisen gesteld aan hen die de zorg hebben voor deze kinderen. Zeker geldt dit voor kinderverpleegkundigen die naast een grote mate van deskundigheid en stressbestendigheid een goed inzicht in ethische en medische ontwikkelingen moeten hebben.

Kennis van de rechten van het pasgeboren kind en kennis van de rechten en plichten van de ouders en betrokkene hulpverleners is voor hen dan ook onontbeerlijk. Dit boekje wil daarin te hulp schieten. Voor de auteurs is de Bijbel bepalend voor hun doen en laten. Handelen vanuit die visie kan weleens tot conflicten leiden, wanneer het strijdig is met datgene wat gevraagd wordt. In het boekje worden adviezen gegeven hoe te handelen. Ook wordt een stappenplan besproken voor een ethische discussie. Voor allen die met deze zaken te maken hebben of te maken krijgen, een waardevol boekje.

C.B. Posthumus Meyjes, Van ophouden weten. De betekenis van het sabbatsgebod voor onze tijd. Boekencentrum, Zoetermeer 1993.165 blz. f 29,90.

De auteur, die theologie studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, heeft een Studie gedaan naar het sabbatsgebod. De Studie is exegetisch /dogmatisch van opzet. Het boek is verdeeld in vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk is gewijd aan de exegese van het sabbatsgebod in de versie van Deut. 5:12-15. Het tweede hoofdstuk behelst een exegese van het vers uit het Mattheusevangelie, dat luidt: “De Zoon des mensen is Heer van de sabbat.”, waarbij bestudering der hoofdstukken 11 en 12 niet gemist blijkt te kunnen worden. Het derde hoofdstuk staat stil bij hetgeen de joodse theoloog Frans Rozenzweig in zijn boek “Stern der Erlösung” geschreven heeft over sabbat en zondag. Het vierde hoofdstuk handelt over de “dies dominica”, zoals die in de Kirchliche Dogmatik van de reformatorische theoloog Karl Barth aan de orde komt. In het vijfde en laatste hoofdstuk komt onze tijd aan bod.

Ds. J.H. Velema, Veelvuldig vragen naar de weg. Zevende deel. Uitgeverij Kok Voorhoeve, Kampen 1992. 142 blz. f 22,-.

In de EO-rubriek “Vragen naar de weg” geeft de auteur antwoord op vragen die hem gesteld worden. Naar aanleiding van die uitzendingen verschijnen boekjes onder bovengenoemde titel. De twintig geselecteerde antwoorden in dit deel zijn random de thema’s Bijbeluitleg, De leer van de kerk, Geloofsleven en Christelijk leven gegroepeerd. Evenals in de vorige delen zijn gespreksvragen toegevoegd. Het boekje is goed te lezen en geeft duidelijk uitleg over allerlei onderwerpen. Het is goed bruikbaar voor gespreksgroepen of persoonlijke bezinning.

Ds. J. van Amstel, Meer dan verplegen. Uitgeverij J.J. Groen en Zoon, Leiden 1993. 116 blz. f 19,95.

De auteur, christelijk gereformeerd predikant te Ede, heeft met dit boekje de bedoeling aan de werkers in de gezondheidszorg en aan hen die daarvoor een opleiding ontvangen of als vrijwilliger in de thuiszorg werkzaam zijn, een pastorale handreiking aan te bieden. Daartoe heeft hij allerlei onderwerpen opgevoerd, van aids tot dementie en stervensgenade. De diepgang van de onderwerpen beperkt zich tot een aantal pagina’s. Soms worden er meer vragen opgeroepen dan beantwoord. Kritische lezers - en dat zijn toch vaak deze jongeren die met dergelijke vragen zitten - vinden in dit boekje onvoldoende antwoord. Te gemakkelijk worden moeilijke ethische zaken met geijkte antwoorden afgedaan.

Drs. Martie Dieperink, In gesprek met Rome. Wat leert de Katholieke Kerk? Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen. 157 blz. f 24,90.

Een interessant boek! De schrijfster, die eens op een “dwaalspoor” is geweest en ook anderen op een “dwaalweg” had “geholpen door yoga te propageren” (blz.119), maar na haar bekering niet alleen de “hele Bijbel ging lezen (118), maar ook de Reformatie “van harte” liefkreeg “vanwege het ontzag voor het Woord van God” (8), werd van lieverlee verontrust door de scheiding tussen protestant en katholiek, vooral gelet op de “hartewens” in het hogepriesterlijke gebed en de nadruk die Paulus op eenheid legt (1 Cor. 1:10, Ef. 4:1-6, Fil. 2:2-4). Vanuit haar diepste overtuiging “dat de Heer de verzoening wil” heeft ze “de dialoog ondernomen in het besef dat de verzoening (…) pas mogelijk is, als we onpartijdig zoeken naar de waarheid” (9). Zo is zij het “gesprek met Rome” aangegaan. Concreet betekende dat dat zij de stukken van het concilie van Trente ging bestuderen alsmede gesprekken aanging met een pastoor, een pater, een vicaris-generaal, een kardinaal, een katholiek historicus en een mevrouw die, afkomstig uit “de kringen van de Nadere Reformatie” (121), katholiek was geworden. Aan de orde werden gesteld: de genadeleer van Trente, de eucharistie, het priesterschap, het gezag van de kerk, kloosterleven en spiritualiteit, Maria en de heiligen, alsmede de vraag “De hoer van Babylon?”. Al lezend krijg je de indruk dat mevrouw Dieperink bepaald niet veel sympathie voor Luther heeft. Geen wonder dat enkele keren over “misverstand” wordt gesproken (65, 109, 117, 143). De vraag echter of de inquisitie destijds ook over een “tragisch misverstand” tussen Luther en Trente sprak, wordt niet gesteld noch beantwoord! Hoe informatief ook bedoeld en vanuit de gegeven motivatie interessant de gesprekken ook zijn - al is doorgaans slechts typografisch na te gaan wie aan ’t woord is, de schrijfster of haar gesprekspartners -, het feit dringt zich a.h.w. op dat het “gesprek met Rome” geworden is tot gesprekken met “roomsen” al zijn het op één na roomse gèèstelijken die aan het woord komen. Afgedacht nog van wat er vandaag de dag gaande is onder de katholieke leken en geestelijken - niet merkbaar overigens in dit boek! - de waarde van haar poging tot “verzoening” wordt hierdoor sterk gerelativeerd. De conclusie o.a. dat ‘verwijten zoals “zaligmaking door goede werken” en “Mariacultus” geen geldigheid’ bleken te hebben (154) in het “gesprek met Rome”, lijkt me niet erg overtuigend aangetoond.

T.D. Bouma, Wegwijs in de Reformatie. Gerard Verstege uit Garderen over de juiste geloofskeus. Uitg. Oosterbaan & Le Cointre B.V., Goes. 208 blz. f 26,50.

Wie na lezing van het boek van mevrouw Dieperink het boek van Bouma ter hand neemt en zich afvraagt of de beschreven Gerard Verstege (± 1532-1572), alsmede diens neef, de wat meer bekende Johannes Verstege (Anastasius Veluanus - ± 1519-1570), beiden afkomstig uit het Veluwse Garderen, nooit ontdekt hebben dat ze grotendeels zich door “misverstanden” lieten bezig houden, zal in diè richting niet “wegwijs” worden gemaakt door dit boek. Ook al had de compositie van dit boek duidelijker gekund, het biedt informatie over een tijdgenoot van het concilie van Trente die niet door misverstanden, maar door de hier heersende misstanden werd verdreven. Predikant geworden in de Palts - evenals zijn neef - heeft hij in 1564 Ein kurtzer Wegweise gepubliceerd. Het verhaal van deze uitgave wordt door Bouma verteld die tevens een parafraserende behandeling geeft van de voornaamste onderwerpen, plus enige toelichting. Wat er in de voor het rechte verstaan van de Reformatie zo fundamentele periode gaande was - denk aan de ook in deze tijd in Heidelberg verschenen Catechismus -komt hier, zij het beknopt, aan de orde.

Postille 1993-1994. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 246 blz. f 48,50.

Dit is nummer 45 in de serie. In het verleden heb ik steeds met waardering over deze Postille geschreven. Dit nummer vind ik in zijn geheel genomen minder geslaagd. De schetsen zijn hier en daar anders van opzet dan in het verleden. Soms meer beschouwelijk dan exegetisch. De tekstkeus vind ik op zijn zachtst gezegd merkwaardig, vier scribenten met alleen maar schetsen uit Exodus tussen februari en half mei (slechts drie in diezelfde tijd over teksten uit het evangelie naar Johannes). “Over de taal in de liturgie”, het openingsartikel van mevrouw K.E. Biezeveld geeft impressies van feministische theologie. Een artikel dat ik niet hier zou verwachten. De homiletische oogst was ook al niet indrukwekkend. Maar daaraan kon de schrijver niets doen. Ik hoop niet dat dit nummer indicatie is van een verandering van koers door de redactie.

Drs. C. Blenk, Een open monument. Preekschetsen over de Heidelbergse Catechismus. Buiten & Schipperheijn, Amsterdam 1993. 240 blz. f 34,50.

Op de voorkant een foto van de Noorderkerk in Amsterdam. De schrijver is daar predikant. Hij heeft aan het gebouw en zijn gemeente zijn hart verpand. De combinatie in de titel van kerkgebouw en catechismus (prediking) is treffend voor de inhoud van dit boek. Ik heb er waardering voor, vooral vanwege de bijbelse en tegelijk praktische aanpak van elke zondagsinhoud. Naar mijn gedachte had de term preekschetsen vermeden moeten worden. Het boek bevat een handreiking om na te denken over elke zondag van de Catechismus. Dat gebeurt praktisch en speels, bijbels en pastoraal. Het boek is meer stichtelijk dan homiletisch van opzet. Het is meer populair-meditatief dan instructief. Inderdaad een open monument, waarbinnen de lezer met woorden, voorvallen en beeiden van onze tijd wordt rondgeleid!

Hans Eschbach, De groeigroep als bouwsteen. Een model voor de opbouw van de gemeente. Kok Voorhoeve, Kampen 1993. 176 blz. f 27,50.

De schrijver is via allerlei werk in en buiten de kerk predikant geworden. Hij staat nu in zijn derde gemeente, Aalsmeer. Hij heeft veel geleerd van de Amerikaanse ‘gemeente-groei-beweging’. Dat model heeft hij in praktijk gebracht. Hij doet van zijn ervaringen verslag in het tweede deel van het boek. In het eerste deel bespreekt hij thema’s rond gemeenteopbouw.

Positief vind ik dat hij de gemeente-groei-beweging binnen de kerk plaatst. De rol van de kerkeraad is daarbij heel wezenlijk. Het kwalitatieve en het kwantitatieve van gemeentegroei wordt onderscheiden en in samenhang besproken. Een boek dat je niet zomaar kunt nadoen. Wel wordt een handreiking gedaan, die niet te veronachtzamen is.

Bert Wartena, Een smeulend vuur. Antipapisme in Nederland na 1945. Kok, Kampen 1993. 148 blz. f 31,50.

Dit boekje is ontstaan uit een doctoraalscriptie (ik neem aan geschreven aan de Rijksuniversiteit van Utrecht). Het boek heeft twee doeleinden: vaststellen (aan de hand van definities van anderen) wat antipapisme is. Daarover bestaat nogal wat verschil van mening. Vervolgens treffen we aan een bespreking van de verschijning van het Mandement van de bisschoppen, van de overgang (en overdoop) van prinses Irene en van het bezoek van de paus. De reacties in protestantse kringen en die van rooms-katholieken daarop worden beschreven. Door de secularisatie en het ontstaan van het CDA is het antipapisme afgenomen. Men treft het nog wel hier en daar binnen de rooms-katholieke kerk aan. Juist dit laatste gegeven doet vermoeden dat de schrijver meer registreert dan verklarenderwijs analyseert. De Verdienste van het boekje ligt inderdaad in de registratie van de feiten. Voor een dieptepeiling is meer nodig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.