+ Meer informatie

Biddagen (1)

6 minuten leestijd

Biddagen, vast- en bededagen, zijn bij de Reformatie van de aanvang af in gebruik geweest. In tijden van oorlog, bij vervolging van de kerk, bij zware nationale rampen werden door de overheid deze biddagen uitgeschreven, om in de kerkdiensten de noden waarin volk en kerk zich bevonden voor te leggen aan de Heere en om Hem in smeekbeden om hulp en verlossing te bidden. We moeten deze vast- en bededagen wel onderscheiden van wat we heden onder onze biddagen verstaan. De bid- en dankdagen die nog heden gehouden worden, zijn de kerkdiensten die speciaal de arbeid in het natuurlijke leven, het gewas en de oogst aan de Heere opdragen en eveneens om in het najaar de Heere te danken voor Zijn ontvangen zegeningen.
Ook onze vaderen hebben aan deze bid-.en dankdagen veel waarde gehecht, omdat toch de arbeid die verricht wordt op het veld, de groei en de vrucht van het zaad, het gedijen van de oogst, geheel het arbeiden om het dagelijks brood, zowel voor de bewoners van het platteland als van de stad, van zoveel gewicht is. Deze dagen die in Overijssel werden gevierd kregen de naam van de Overijsselse bid- en dankdagen. Deze werden gehouden op de tweede woensdag in maart en de eerste woensdag in november. In Zeeland zijn deze bid- en dankdagen nog eerder ingesteld dan in Overijssel, waar zij daar dagtekenen van 1653.
In Overijssel waren het de Gedeputeerden van de Partikuliere Synode die zich tot de Ridderschap en steden gewend hadden, "aangezien dat het Opperwezen enige jaren herwaarts, het gewest had bezocht met schadelijke droogten en andere landverdervende plagen" met het verzoek, dat een provinciale biddag mocht worden geordonneerd. Ridderschap en steden hebben toen een dag ingesteld "tot afwering van Godes plagen en tot het verkrijgen van een gezegende zomer".
Ook is toen ingesteld een dankdag "voor de veelvoudigen verkregen seegeningen en weldaeden". Uit deze bede- en dankdagen die in Zeeland en Overijssel zijn begonnen, zijn voortgekomen de biddagen voor het gewas en de dankdagen over het ontvangen van het gewas. In vissersplaatsen had men deze dagen, wat begrijpelijk is, gehouden voor de visserij.
Deze speciale diensten voor gewas en arbeid werden vroeger algemeen in alle kerken gehouden, maar thans zijn ze in kerkelijk Nederland op vele plaatsen afgeschaft, soms worden ze geheel verschoven naar de Zondag en zijn dan geworden tot moderne "oogstdiensten", die dankdiensten voor het gewas zijn waarbij de oogstgaven, meestal fruit en bloemen, door de gemeenteleden in de kerk worden gebracht ter dankzegging, om dan daarna deze oogstgaven uit te delen onder de zieken. Waar echter de bid- en dankdagen nog in ere worden gehouden zoals ze bij de aanvang zijn ingesteld, zijn het dagen van afzondering om de Heere in erkentenis te houden dat van Zijn zegen alles afhangt. Gewas en oogst, arbeid en gewin, hoe dan ook verkregen, hangt niet in de eerste plaats af van mensenvlijt en deskundigheid, maar van de goedgunstigheid van de Schepper van hemel en aarde. Wanneer deze diepe afhankelijkheid van Hem gevoeld wordt, zijn deze dagen meer dan een veruitwendigde vorm. Juist in onze dagen van een verzakelijkte, vermechaniseerde en verindustrialiseerde wereld, waarin de mens zich inbeeldt alles zelf te kunnen, is wel zeer nodig te belijden dat God de Heere de Onderhouder is van al het geschapene en dat het, zoals de Heidelberger Catechismus dat belijdt, de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods is, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankte, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke Hand ons toekomen (Zondag 10).
De vast- en bededagen waarover ook in artikel 66 van de Dordtse Kerkorde gesproken wordt, werden in de Reformatietijd eerst partikulier voor elke gemeente gehouden. Het was in de tijd toen de gemeenten door de vervolgingen nog onder het kruis of in de verstrooiing waren. Later werden in bijzondere tijden van gevaar of bij nationale rampen door de overheid vast- en bededagen uitgeschreven die een nationaal karakter droegen. De gehele kerk in Nederland werd in tijden van nood, oorlog en andere rampen opgeroepen om een boetedag te houden, een dag van gebed, veelal gepaard gaande met vasten, "om zich te begeven tot bidden, vasten, aalmoesen en andere goede wercken den Heere aangenaem".
Zo werd in 1532 te Straatsburg een bededag uitgeschreven en elders gebeurde dit eveneens.
In Nederland werden de eerste bededagen uitgeschreven op gezag van Prins Willem van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland. Later door de Staten van de bijzondere gewesten apart en sedert 1584 door de Staten- Generaal. Maar ook bepaalden de eerste Nationale Synoden in ons land dat algemene bede- en vastedagen moesten gehouden worden, zoals die van Dordrecht 1578: "In tijden van oorlog, pestilentie, dure tijden, zware vervolgingen der kerk en andere openbare ellendigheden, zal men een vasten met bidden aanstellen en heiligen door de Raad der Kerk en bewilliging der Overheid zo dit geschieden kan. Alzo dat de gemeente zich van het gewoonlijke voedsel en de tijdelijke handeling (d.i. het dagelijks werk) onthoudende tot de avond toe, met bidden, het Woord Gods te horen, de Heilige Schriften te lezen en andere heilige oefeningen haar boetvaardigheid en geloof betuige en in de ware godzaligheid toeneme".
De Synode oordeelde dat het de taak van de overheid was om "door haar autoriteit en bevel, openbare vast- en biddagen aan te stellen en te heiligen", maar de Synode handhaafde wel haar recht om, als zij zulks nodig oordeelde, de regering op te wekken tot het instellen van deze openbare vast- en bededagen. Daar de Synoden echter oordeelden dat het de roeping van de Overheid was deze bededagen uit te schrijven, was het gevolg dat deze bededagen langzamerhand een eenparigheid kregen, die haar vroeger niet eigen was. Door de Overheid werden "biddagsbrieven" gedrukt, waarin de predikanten werden uitgenodigd in hun predikatiën zich te richten naar de omstandigheden van het land.
Een dergelijke "biddagsbrief' werd dan door de Staten aan de plaatselijke magistraat verzonden, die deze in handen van de kerkeraad stelde en op de eerstvolgende zondag werd deze "biddagsbrief' door de predikant van de kansel voorgelezen. Op bevel van de Overheid bleven op een biddag alle herbergen gesloten en werden alle publieke vermakelijkheden alsmede alle openbare arbeid verboden. De kerkgebouwen konden dan vaak de scharen niet bevatten, want niemand die maar kon, ontbrak. Er werd dan tweemaal gepreekt en tussen de eigenlijke diensten werd een gedeelte der Schrift voorgelezen, want velen bleven de gehele dag in de kerk. De meesten onthielden zich van spijs en drank; die niet konden vasten, stelden zich tevreden met brood en water.
Tot 1795 is deze biddagviering in zwang gebleven. Daarna heeft de Overheid zich teruggetrokken en hebben de kerken zich met die gelegenheid ingelaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.