+ Meer informatie

Alleen overgebleven en ernstig ziek

5 minuten leestijd

Over zendeling Van der Kemp is in deze rubriek het een en ander geschreven. Hij werkte onder de Hottentotten en trouwde een inheemse vrouw. Deze vrouw kwam echter niet uit Zuid-Afrika, maar was naar dat land als slavin verkocht, Haar vaderland was Madagaskar, het eiland, dat zuid-oostelijk van het werelddeel Afrika ligt. Dat deze vrouw meer dan eens met haar man over Madagaskar heeft gesproken, is begrijpelijk. Van der Kemp schreef naar Londen om van het bestuur van het Londense Zendingsgenootschap permissie te krijgen, een studiereis naar dat eiland te mogen maken, met het doel daar de leer van het evangelie te breneen. Vóór de reis evenwel werd ondernomen, werd Van dei-Kemp door de dood weggenomen, zodat hij in het vaderland van zijn vrouw nooit een stap heeft mogen zetten. In Londen werden daarna de plannen voor zending op Madagaskar niet opgegeven. Het Zendingsgenootschap zond in 1818 twee protestantse zendelingen uit, die zouden gaan arbeiden aan de oostkust van het eiland.

Op de kaart is Madagaskar maar nietig: een eilandje, zou men geneigd zijn te zeggen. Op vier na is het echter het grootste eiland van de aarde. Het is ongeveer zo groot als België en Frankrijk samen. De „straat", die het scheidt van Afrika is 400 km breed, dus ongeveer een afstand van Schotland naar Noorwegen.

Het is dus niet slechts een „eilandje", maar het heeft een behoorlijke oppervlakte. Een frans zendeling, H. Rusillon, heeft een boek geschreven over Madagaskar en dat boek draagt als titel: „Un petit continent", dat is: een klein vasteland. Het werk heeft meer dan 400 bladzijden, dus een teken, dat er nog al wat over Madagaskar is te vertellen. Laten we echter niet over de aardrijkskundige bizonderheden en over de verschillende rassen van volk spreken, maar ons meer bezig houden met de zending, die daar is bedreven.

De twee zendelingen, die uit Wales vertrokken naar de oostkust van het eiland, troffen het al zeer slecht. Ze waren getrouwd er heen gegaan en hadden ieder één kind. Het klimaat in de streek waar ze zich vestigden was allesbehalve. Het duurde dan ook niet lang, of de twee families werden met malaria bezocht. Na vijf maanden was van het zestal niets anders overgebleven dan één zendeling en deze was David Jones.

Jones was alleen nog in leven, maar was de dood nabij. In een madagese hut lag hij te ijlen van de koorts. Nu en dan was hij helder en sprak hij: „Sterven kan ik niet, aan het begin van mijn werk. Ik kan die mensen hier niet hulpeloos alleen laten. Het zijn arme heidenen en ze worden overgeleverd aan de schurken van slavenhandelaars."

En dan kwam er een flauwe glimlach op zijn gezicht, als hij dacht aan wat zijn vriend Thomas Bevan op zijn sterfbed had gezegd: „Ik ga heen, David, maar jij zult genezen en ten laatste overwinnen."

Bevan had hij al gekend van zijn jeugd af. Samen waren ze vol goede moed scheep gegaan naar het verre land om daar te arbeiden in het Koninkrijk Gods. Hoe hadden ze samen plannen gemaakt om te pogen het rijk van de satan te bestrijden! En hoe treurig was het afgelopen. Wat zijn de wegen des Heeren toch wonderlijk en Hij geeft geen rekenschap van Zijn daden. Zou hij hier ook moeten sterven net als zijn vrouw en kind? Zijn vriend Tom was toch maar een mens; hoe kon die weten dat. hij herstellen zou?

De deur van de hut ging open. Bragg, de beruchte slavenhandelaar trad binnen, gevolgd door een man met een donkere gelaatskleur. Het was Jean René, de man die met de blanke Bragg meedeed en als een verrader van zijn volk optrad.

Spottend sprak Bragg tot Jones: „Je bent er beroerd aan toe, zendeling. Ben je nog niet gereed om naar huis te gaan? "

Jones schudde het hoofd.

„Waarom blijf je eigenlijk hier? Je weet toch, dat ze je wilden vergiftigen? Ik zelf heb het vergif gevonden. Ze wilden je hier nu eenmaal niet." Moeizaam richtte David zich op en zei met zwakke stem: „Van dat vergif weet jij meer. Je doet wel vriendelijk tegen me, maar je meent het niet. Je bent mijn vijand, want je weet, dat ik proberen zal om je verfoeilijke handel uit te roeien." En met meer verheffing van stem vervolgde de zieke: „En ik zal leven...."

„Als je hier blijft, sterf je onherroepelijk. Het is hier geen land voor blanken."

„Jij bent toch ook een blanke. Als ik maar eens in het hoogland terecht kan komen, bij de koning Radama."

„Koning Radama! Zwijg daar toch over. Weet je niet dat die koning al de Engelsen haat? Hij is vertoornd, dat het verdrag is geschonden en van zendelingen moet hij niets meer weten."

„Leugens, allemaal!" riep Jones uit. „Ik weet heel goed wie het verbreken van het verdrag op zijn geweten heeft. Vóór ik ziek was, bracht generaal Brady me een uitnodiging van koning Radama. Jij hebt gelogen tegen de koning door te zeggen dat ik dood was."

Woedend keek de sluwe Bragg de zieke zendeling aan en lachte toen vals.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.