+ Meer informatie

BIECHTEN VOOR EEN GOEDE PASEN

7 minuten leestijd

In de tijd van het rijke Roomse leven, zeg zo’n 50 jaar geleden, was het een vaste gewoonte dat kerkelijk meelevende Rooms-katholieken in Zuid-Nederland en Vlaanderen in de zgn. stille week gingen biechten. Het was een kerkelijk voorschrift om tenminste een keer per jaar, bij voorkeur in de week voor Pasen, naar de biechtstoel te gaan. Biechten in de stille week ervoer men als een noodzakelijke voorbereiding om een goede Pasen te kunnen vieren, met een rein geweten en een zuiver hart. Er zijn heel wat anekdotes over de biechtpraktijk bekend, maar meer nog de verhalen die van afkeer getuigen vanwege het vernederende karakter van de oorbiecht. Er gaan stemmen op in de protestantse wereld of de biecht geen nuttige functie kan hebben in het pastoraat. Of met het badwater van de radicale Reformatie van m.n. Calvijn ook dit kind, de biecht, niet is weggegooid. Met andere woorden: zijn we niet iets wezenlijks kwijtgeraakt met de afwijzing van de biecht? Het belang van goed en Bijbels pastoraat maakt dat de bezinning hierop zeker zinvol is. Daarom deel ik op vraag van de redactie graag een paar gedachten over dit overwerp met de lezers van A.C.

BIECHT EN PRIVATE ZONDEBELIJDENIS

In 1980 werd door de goede zorgen van dr. T. Brienen een studie van de hand van dr. Ph.J. Huijser onder bovenstaande titel postuum uitgegeven. Wijlen Dr. Huijser was gereformeerd predikant in Werkendam en via de boekenkast van mijn vader zijn meerdere titels van Dr. Huijser in mijn bibliotheek terecht gekomen. In zijn boek ‘Biecht en private zondebelijdenis’ wijst Huijser met dertien heldere argumenten de Rooms katholieke biechtpraktijk van de hand. Dat de biechtpraktijk geen Bijbelse papieren heeft, noch stoelt op de traditie van de Vroege Kerk is voor hem doorslaggevend. Maar ook de pastorale en psychische schade die er door wordt aangericht zijn een geldig argument. Gelet op de aard van de (verplichte!) vragen, dikwijls van vergaande seksuele aard, die aan de orde dienen te komen kunnen zowel de biechteling als de biechtvader bezoedelen. De schrijver heeft o.a. Calvijn aan zijn kant in de afwijzing van de Roomse oorbiecht.

NA 35 JAAR

Belangrijke vraag is of 35 jaar na het verschijnen van Huijsers boek de biechtpraktijk nog plaats vindt in de Nederlanden. Een kleine belronde leerde mij dat de klassieke vorm niet meer bestaat. In de praktijk tenminste. Formeel wel, want de biecht is in de Romana een sacrament. Maar het vaak ontluisterende, vernederende karakter ervan heeft de meeste Rooms Katholieken de biechtstoel uitgejaagd. Ik herinner mij die groep aankomende onderwijzeressen van zo’n 18, 19 jaar. Op hun school was ik uitgenodigd om iets te vertellen over het protestantisme. Ze bestormden mij met allerlei vragen, maar de meesten gingen over de biechtplicht waar ze met afschuw over spraken.

Ik heb de indruk dat in recent gebouwde kerken niet eens meer een biechtstoel aanwezig is. Men zoekt naar nieuwe vormen voor wat nu heet ‘de biechtviering’. Andere namen zijn ‘boeteviering’ of ‘verzoeningsviering’. In groep komt men samen in aanwezigheid van de parochiepriester, er wordt een kring gevormd, men zingt en bidt en ieder heeft gelegenheid een verootmoedigingsgebed uit te spreken. Ook kan men persoonlijk een zonde, waaraan men zich heeft schuldig gemaakt, openlijk belijden. Meestal gaat het dan over beleden ondeugden op intermenselijk vlak. Zo van: ik belijd dat ik de ander niet voldoende tot zijn/haar recht heb laten komen. De priester spreekt vervolgens een woord van vergeving.

Ik heb zo’n viering nooit meegemaakt, maar ik stel mij voor dat de schuldbelijdenis uiteraard aan de oppervlakkige kant blijft. Tenzij er zonden van een andere aard worden beleden, wat natuurlijk ook mogelijk is.

WAT KUNNEN WIJ MET DE BIECHT IN HET PASTORAAT?

Met de Rooms-katholieke biecht kunnen we m.i. niks, daar wil ik duidelijk in zijn. Bovendien zou ik het woord biecht ook niet willen gebruiken. Het is te zeer besmet. En ik vermoed dat het woord nogal eens gebruikt wordt zonder dat men weet er achter schuil gaat. Er zit nl. een theologie achter die de onze niet is. Denk b.v. maar aan het Rooms-Katholieke zondebegrip. De dagelijkse zonden hoeven niet noodzakelijk gebiecht te worden; ze worden vergeven als gevolg van trouw kerkbezoek en gebruik van de sacramenten. Maar de doodzonden wel moeten wel gebiecht, volgens de Roomse leer. Als je sterft zonder dat je bedreven doodzonden hebt gebiecht wacht je de veroordeling tot het hellevuur. Een hoe ontvangt de biechteling vergeving van zonden die tot de dood leiden? Door oprecht berouw in combinatie met het sacrament van de biecht. Daarbij dient de penitentie gehoorzaam te worden uitgevoerd.

INTENSIEVERE VORM VAN PASTORAAT

Als de gedachte om de biecht te laten functioneren in het pastoraat voortkomt uit de behoefte aan intensievere vormen van pastorale zorg wil ik graag proberen een weg te zoeken die de Bijbel aangeeft. Het moge de overtuiging zijn van elke predikant en ouderling dat op huisbezoek er alle ruimte dient geboden te worden aan de bezochte gemeenteleden om hun zorgen en problemen te uiten. Die kunnen heel divers zijn en bepaald worden door persoonlijke levensomstandigheden. Om iets te noemen: er kunnen problemen zijn in verband met ernstige ziekte in de familie; of bedreigde werkgelegenheid waardoor er ook fnanciële problemen kunnen ontstaan. Te denken valt ook aan gezinsproblemen i.v.m. kinderen die verkiezen niet in het kerkelijk spoor van hun ouders te gaan. Elke ambtsdrager zal zeker dit rijtje kunnen aanvullen met meerdere voorbeelden. Ongetwijfeld zullen er zinvolle en vooral heel bemoedigende gesprekken worden gevoerd naar aanleiding van de zorgen waar de bezoekende broeders deelgenoot van worden gemaakt. Ik weet niet of het dikwijls voorkomt dat een broeder of zuster aangeeft dat met een dieper liggend probleem geworsteld wordt. Je zou daarbij kunnen denken aan gok-, drank- of drugsverslaving. Maar ook aan seksuele ontsporingen, huwelijksontrouw, overspel, pornoverslaving etc.

Je zou soms willen dat Paulus de aanwijzing die hij geeft over zijn apostolisch werk in Efeze wat breder had uitgewerkt. In Handelingen 20 vers 18-21 geeft Lukas weer wat de apostel erover zegt. De beoefening van het pastoraat in het openbaar en tijdens de huisbezoeken kenmerkte zich door nederigheid en ging gepaard met veel tranen. Dat doet mij denken dat Paulus in zijn bezoekwerk niet alleen te maken had met vragen over de leer of louter praktische aangelegenheden. Maar dat er ernstiger problemen aan de orde waren. Die kunnen te maken hebben met de levensstijl uit hun vroegere, oude leven, maar ook dat zij in hun christenleven in, al of niet openbare, zonden zijn gevallen. Ook in I Thessalonicenzen 2 schrijft Paulus over zijn pastorale houding, geen vleierij, maar wel vriendelijkheid, met een innerlijke drang om oprecht dienstbaar te zijn aan het welzijn van de gemeenteleden. Met intense aandacht voor elk individuele gemeentelid, jong of oud.

DIEPGAANDE GESPREKKEN

Ik herinner mij meerdere diepgaande gesprekken met personen die met het Evangelie in aanraking zijn gekomen, die daardoor een existentiële verandering meemaakten en op God gericht werden. Hun oude leven, aangeblazen door de Boze, vormde dikwijls een helse verzoeking waarvoor ze meer dan eens zijn bezweken. De fes, het grote geld of de vreemde vrouw bleken zo’n aantrekkingskracht te hebben dat ze er, ondanks de levensverandering, niet tegen bestand waren.

Het pastorale gesprek werd dan wel als een biecht ervaren. Begrijpelijk als onder tranen en met oprecht berouw de zonden als schuld voor God werden beleden. Uiteraard werd het proces van verzoening en heling van een eventueel slachtoffer niet uit het oog verloren. Maar bevrijdend was het wel als ook in het persoonlijke gesprek genadeverkondiging mocht plaats vinden. Het was een opluchting als men vaak na een lange tijd van geheim zondeleven alles kon belijden. Dan geen veroordeling, maar woorden van genade omdat Gods eigen Zoon de straf op de zonde gedragen heeft. Genade van God gaf ook de moed om vergeving te vragen aan het slachtoffer, bijvoorbeeld de bedrogen echtgenote.

Ik kom nog even terug op de bezwaren tegen de biecht die Dr. Huijser noemt. Een van zijn bezwaren is dat in de biechtstoel door de biechtvader te weinig terughoudendheid wordt betracht m.n. als het gaat over seksuele zonden. Dat moet ook een duidelijke aanwijzing zijn voor de gereformeerde ambtsdrager dat hij terughoudend is in zijn vraagstelling. Hij hoeft geen details te horen of te weten die overbodig zijn in het pastoraat. Dat er van ongezonde nieuwsgierigheid geen sprake mag zijn lijkt me overbodig om te noemen.

Jaren geleden was er een ambtsdragersconferentie waar prof. dr. W. van ‘t Spijker een referaat hield over huwelijk, echtscheiding, samenwonen. De juiste titel herinner mij niet meer, maar het ging over deze zaken. Bij de nabespreking ging een jonge predikant naar voren. Hij zei dat hij de gewoonte heeft om aan jonge mensen met wie hij een huwelijksgesprek heeft ter voorbereiding op hun huwelijksbevestiging te vragen of zij samen naar bed zijn geweest. De reactie van Van ‘t Spijker was kort en duidelijk: ‘Dan gaat u uw boekje zeer ver te buiten, broeder. Want zo maakt u de verborgen zonden tot openbare zonden. Dat past een ambtsdrager niet!’

Er zou nog wel een artikel te schrijven zijn over de vraag wat wel en wat niet gerapporteerd dient te worden uit een persoonlijk gesprek en wanneer wel of niet. Belangrijk lijkt mij in elk geval dat er in het pastoraat ruimte geboden wordt voor Bijbelse hulpverlening voor mensen in geestelijke nood. De Rooms Katholieke biecht kan daar niet in voorzien, al wordt, sinds die in veel gevallen in onbruik is geraakt, de toevlucht genomen tot de gespreksruimte van de psycholoog en/of de behandelkamer van de psychotherapeut. Laten we wel blijven zoeken naar een Bijbels alternatief.

Ds. Kommer Groeneveld (1946) is sinds kort emerituspredikant van de gemeente Antwerpen-Deurne die hij sinds 1982 als gemeentepredikant diende.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.