+ Meer informatie

Hei oude Bondsvolk en zijn sociale voorzieningen

5 minuten leestijd

De Levieten.

Als vierde ontmoeten we in het Oude Testament nog een groep personen, die stellig ook tot de armen van Israël gerekend moeten worden, n.l. cle Levieten. Verspreid over het gehele land, zowel in Juda als in Efraïm, zonder bezit of erfdeel, leefden zij als „vreemdelingen" bij de andere stammen van het volk: De Levietische priesteren, cle ganse stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; cle vuuroffers des Heeren en zijn erfdeel zullen zij eten." (Deut. 18 : 1).

Als offeraars hadden zij recht op een deel van het vlees van de offerdieren en op een gedeelte van cle eerste veldvruchten en van cle eerste wijn, olie en wol, die als offergaven door cle Israëlieten gebracht werden: Dit nu zal het recht der priesteren zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os of klein vee; clat hij de priester zal geven de schouder en beide kinnebakken en de pens. De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij hem geven." (Deut 18 : 3, 4).

Wanneer zij nu in Jeruzalem waren, konden zij ook delen in de voorrechten van de priesters, clie daar woonden.

Wanneer zij echter elders vertoefden, liet cle voorziening in hun levensbehoeften blijkbaar nog al eens wat te wensen over. Hun armoede werd nijpender, naarmate door cle cultusconcentratie in Jeruzalem het offeren op andere plaatsen steeds meer werd tegengegaan zodat cle aandelen van de offergaven, clie zij genoten, in hoge mate ontoereikend werden voor hun levensonderhoud. Grondbezit hadden zij evenmin als de armen, over wie wij reeds geschreven hebben, Alleen hadden de laatsten dooide economische crisis hun voorvaderlijke erfgrond verloren, terwijl de Levieten nooit een erfelijk grondbezit hadden gehad. De dienst van Jehova was hun toebedeeld. Daarom heet het ook: Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen; de Heere is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft." (Deut. 18 : 2).

In cle samenleving behoorden de Levieten in elk geval tot degenen, clie armoede leden. Hun armoede was in de tijd van Deuteronomium blijkbaar zo alom bekend geworden, clat ze in één adem genoemd werden met cle andere behoeftigen, wanneer zij aanbevolen worden in de weldadigheid van hun volksgenoten. Wanneer de Israëlieten de eerste veldvruchten aan de Heere kwamen offeren, moesten zij de Leviet en cle vreemdeling laten meegenieten van de zegeningen, die ze van Hem ontvangen hadden. Voor cle Leviet en de vreemdeling, cle vaderloze en de weduwe moesten zij ook om cle drie jaar cle tienden bestemmen van al hun producten, opdat deze noodlijdende groepen der bevolking zich dan weer eens konden verzadigen: Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelve jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten; Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel, noch erve met u heeft, en de vreemdeling en cle wees en de weduwen, die in uw poorten zijn en zij zullen eten en verzadigd worden; opdat u cle Heere, uw God, zegene in al het werk uwer handen, dat gij doen zult." (Deut. 14 : 28, 29).

Dat men overigens dikwijls geneigd was met de voorrechten der Levieten geen

rekening te houden, blijkt wel uit de vermaning, die in het boek Deuteronomium tot de Israëlieten wordt gericht: Wacht u, dat gij de Leviet niet verlaat, al uw dagen in uw land." (Deut. 12 : 19).

In Numeri 3 lezen wij, dat de Levieten voorkomen als nederige dienaren van het heiligdom, die uit het volk Israëls genomen zijn als plaatsvervangers voor alle eerstgeborenen, waarop de Heere eigenlijk aanspraak maakte: Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israëls is Mijne, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd. En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls." (Num. 8 : 17, 18). Ze zijn belast met allerlei karweitjes aan het heiligdom, zoals de verzorging van de gordijnen en het houtwerk, de wacht bij de ingang, de zorg voor de tabernakel, de kandelaar en de heilige voorwerpen, maar overigens mochten zij het heilige zelf niet aanraken of binnentreden op straffe van te moeten sterven. De werkjes, waarmee z£ dus belast zijn, wijzen al evenzeer op hun lage en nederige plaats in de samenleving als de weldadigheid jegens hen, waartoe Deuteronomium aanspoort.

Al heeft dus de Leviet het verre van breed gehad, troost en kracht geeft hem de idee, dat hij bestendig in Gods nabijheid mag zijn, dat is dus bij of in de tempel, waar ze immers hun nederige diensten verrichten. Dat God — naar de aloude belofte — voor altijd het erfdeel der Levieten zou zijn en dat zij daarom in Zijn nabijheid mochten leven, was bij alle armoede en nood de grote steun van deze arme tempelbewoners, al werd die steun in hun persoonlijk leven vaak aangevochten door strijd en twijfel, zoals blijkt uit Psalm 73.

Toen 't zwellend hart met ongeduld En wrevel' afgunst werd vervuld, En ik geprikkeld in mijn nieren, Om trots mijn drift de toom te vieren, Was mijn verstand van licht beroofd; Ik heb Gocls ivaarheid niet geloofd, Maar was, door mijn verwaande geest, Bij U een onvernuftig beest.

(Ps. 7' : 11).

Men leze deze psalm maar eens helemaal door.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.