+ Meer informatie

Een nieuw programma voor het Diaconaat*

9 minuten leestijd

In de serie Gemeentetoerusting is bij de uitgeverij Kok te Kampen een boekje verschenen over het diaconaat. De schrijver ervan is directeur geweest van het Algemeen Diaconaal Bureau van de Gereformeerde Kerken. Hij is thans als wetenschappelijk hoofdmedewerker verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Het boekje draagt tot titel ”Overal waar mensen zijn”. De ondertitel luidt: ”De diakonale gemeente”. Uit contacten met kerkelijke gemeenten, diaconale werkgroepen en ambtsdragers, met name diakenen is dit boekje ontstaan, zo lezen we aan de binnenkant van de omslag. Discussies binnen het Algemeen Diaconaal Bureau hebben de inhoud mee bepaald.

Het wil mij voorkomen dat de bijdragen van anderen meer betrekking hebben op de praktische raadgevingen en aanwijzingen in dit boekje dan op de visie, welke de schrijver op het diaconaat heeft. Ik dacht me niet te vergissen, als ik zeg dat het de auteur in zijn contacten met gemeenten en diakenen er vooral om te doen geweest is deze visie uit te dragen.

Dit boekje kan men dan ook zien als de samenvatting van de nieuwe visie op het diaconaat. Het is tegelijk het programma daarvoor.

Wat is nu het meest wezenlijke in die nieuwe visie ? Ongetwijfeld datgene wat de auteur met de ondertitel aangeeft: De gemeente zelf moet diaconale gemeente zijn. Het diaconaat is geen zaak van de diakenen alleen of zelfs maar in de eerste plaats. De gemeente is krachtens haar wezen diaconale gemeente.

* Naar aanleiding van dr. J. Hendriks, Overal waar mensen zijn. De diakonale gemeente. Verschenen in de serie Gemeentetoerusting, nr. 10, bij de Uitgeverij Kok te Kampen, 115 blz., prijs f 7,95.

Dit is een aansprekende gedachte. Wie zal er iets tegen willen inbrengen ? Geen christen kan er toch bezwaar tegen hebben dat de gemeente gewezen wordt op haar taak om dienstbaar te zijn en dienst te betonen aan medemensen in nood. Heeft Christus dat zelf ook niet gedaan ? Zou de gemeente daarin niet het beeld van haar Heiland moeten vertonen ? De vragen zijn als evenzovele antwoorden bedoeld.

Toch is het opvallend dat de hoofdtitel anders luidt: Overal waar mensen zijn. Dat ziet erop dat het diaconaat zich met alle mensen moet bezig houden. Het diaconaat moet het bevrijdingsproces van onderdrukten en ontrechten voortzetten. God Zelf is daarmee begonnen in het Oude Testament. Jezus heeft in dat bevrijdingsproces geleefd. De kerk moet er ook in staan en daarom eraan gaan staan. ”Dan word je de bondgenoot van de zwakke, de niet-geachte, de underdog. En waar dát het geval is manifesteert zich het diaconaat” (blz. 8).

”De Heer is de bondgenoot van de arme, de zwakke en de verdrukte” (blz. 16).

Ik heb de indruk dat we bij deze nadere uitwerking over een wissel gaan, die ons steeds verder van het bijbelse beeld van het diaconaat afbrengt. Men weet hoe het bij een wissel gaat. De overgang wordt pas duidelijk, wanneer men verder gaat. Er is een moment dat de beide sporen nog in elkaar vallen en dat men het verschil, het uiteenlopen nauwelijks ziet.

Ik kan me voorstellen dat het zojuist gereleveerde op de lezer de indruk maakt van geheel bijbels te zijn. Men kan toch niet ontkennen dat het diaconaat dienst betekent. Men kan toch niet ontkennen dat het God te doen is om de bevrijding van mensen. Die bevrijding heeft niet enkel geestelijke betekenis. Zij omvat ook materiële omstandigheden. Zij ziet op het volle mensenleven. Welnu, zou het diaconaat zich dan daarmee niet bezig moeten houden ?

Laat ik nu op drie consequenties mogen wijzen, die in dit nieuwe programma voor het diaconaat zijn opgesloten. Wellicht dat dan duidelijker wordt dat men over een wissel gegaan is.

God is de bondgenoot van de arme, de zwakke en de verdrukte. Inderdaad, maar waarom ? Omdat die arme en verdrukte een streepje voor heeft bij God ? Omdat zijn sociaal kwetsbare positie hem meer aanvaardbaar maakt dan de niet-verdrukte en de niet-zwakke ? Dat zou in de grond van de zaak evenzeer een verdienste-schema impliceren als waarvan we in de Reformatie verlost zijn. De verdienste zou dan niet bestaan in het doen of gedaan hebben van goede werken, maar in het verdrukt en arm zijn. Men krijgt inderdaad in de nieuwere theologie soms de indruk dat een sociaal misdeelde positie iemand zonder meer tot burger van het Koninkrijk maakt. Bekering is er dan nodig voor hen die onderdrukken. Onderdrukten staan bijvoorbaat aan de goede kant. We blijven dan nog zitten met de vraag, wat het lot is van niet-armen en van niet-onderdrukten, die tussen onderdrukkers en onderdrukten instaan. Moeten zij gemakshalve maar op de hoop van de onderdrukkers geschoven worden ? Als ze immers tot hen niet behoorden, zouden ze wel bij de onderdrukten verkeren !

Waarom is God een God van de onderdrukten en armen ? Omdat in hun omstandigheden, in hun sociale positie zo duidelijk uitkomt dat het recht van God met de voeten getreden wordt. In hen wordt God herinnerd aan de miskenning van Zijn recht. Die miskenning brengt altijd schending van rechten van de medemens mee.

De verlossing die God op aarde brengt is breder dan enkel het ongedaan maken van het onrecht. Het is herstel van alle relaties door vergeving en verzoening. De gerechtigheid van het Koninkrijk staat in het teken van Christus, de Koning van het Rijk. De gerechtigheid moet dan ook gepredikt worden samen met de gerechtigheid die Christus brengt. Wie nu zegt: ”D3 Heer is de bondgenoot van de arme, de zwakke en de verdrukte” en het daarbij laat, zegt te weinig. Hij houdt te vroeg op. Alsof de Here God niet meer heeft dan het opheffen van de armoe. Dit laatste is bepaald niet weinig. Maar het is niet alles. Het is niet het alomvattende van het heil van het Koninkrijk. Er wordt iets weggelaten. Dat weggelatene vind ik in dit boekje verder niet meer terug.

Daar komt een tweede bij. Het dienstbetoon van het diaconaat bestaat ten diepste volgens deze nieuwe opvatting in het opkomen voor gerechtigheid. Het diaconaat is niet zozeer meer een vorm van barmhartigheid, als wel een actie van en voor gerechtigheid. Men lette wel op deze verschuiving. Het hele boekje is ervan doortrokken.

Natuurlijk wil ik niet ontkennen dat christenen hebben op te komen voor de gerechtigheid. Dezer dagen lees ik juist in de profeten. Dan komt men onder de indruk van hun pleidooi voor gerechtigheid in de samenleving. Men moet eens zien hoe Jesaja in hoofdstuk 1 Israël geselt vanwege het sociale onrecht dat men ondanks alle ”godsdienstigheid” bedrijft.

Het diaconaat heeft naar mijn gedachte een andere bedoeling. Juist daar waar de gerechtigheid nog niet of niet ten volle betracht wordt, moet het barmhartigheid betonen. Het diaconaat is er juist om in te springen, waar de gerechtigheid niet functioneert; waar de brokken, de scheuren, de barsten in onze zondige samenleving te zien zijn; waar ze aan lijf en ziel gevoeld worden. In zulke situaties en aan zulke mensen moet het diaconaat laten zien dat er om Christus’ wil hulp geboden wordt.

Dat betekent niet dat het onrecht mag blijven voortbestaan. Het betekent niet dat men aan het onrecht niets behoeft te doen. Daartegen moet profetisch worden opgetreden. Christenen moeten op hun verantwoordelijkheid gewezen worden om hierin verandering te brengen. Maar men moet de dingen wel goed uit elkaar houden.

Wie dat niet doet, maakt van het diaconaat een politieke en sociale actiegroep. Daarbij gaat het eigene van het diaconaat, het barmhartigheidsbetoon in de naam van Christus precies verloren. Ik wijs met dr. Hendriks de tegenstelling van barmhartigheid en gerechtigheid af. Ik erken dat het betonen van barmhartigheid niet mag betekenen, dat men onrecht laat voortbestaan. Maar ik wil wel graag uit elkaar houden, wat onderscheiden moet blijven.

Daar komt een derde bij. In de visie van de schrijver staan woord en daad op één lijn. Men krijgt met name uit bladzijde 15 de indruk dat het diaconaat en de verkondiging op precies dezelfde lijn staan.

Ik zou de hulpverlening niet secundair willen noemen. De aandacht van God voor ”wees, weduwe en vreemdeling” is wel echt. Maar het is een bredere aandacht dan enkel de nood van het wees, weduwe of vreemdeling zijn. Dat bredere moet verdisconteerd worden. Dat bredere kan men aan de ander niet kwijt als men tot kern van de hulpverlening niet maakt: het doorgeven van het Evangelie. Niet als Woord los van de daad, nog minder als Woord in tegenstelling tot de daad. Maar als verlossend en bevrijdend Woord dat door de daad omringd, en bevestigd wordt. Er is geen diaconaat zonder de prediking van het Evangelie. Twee voorbeelden mogen dat duidelijk maken. Dr. Hendriks beroept zich voor zijn visie op Lucas 7 : 22:

Blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt, armen ontvangen het evangelie. Daarin zit een climax. De prediking van het Evangelie is het toppunt. Jezus verwijst niet enkel naar zijn daden. Die daden worden vanuit het Woord geduid.

Ik herinner er ook aan dat de zeven ”diakenen” uit Handelingen 6 verderop in dat boek als evangelisten voorkomen. Men moet eens zien wat de ”diaken” Filippus in Samaria doet. Hij predikt de naam van Jezus Christus (8 : 12). In heel dit nieuwe programma is inderdaad de verhouding van woord en daad, van de verkondiging en de dienst van de kerk in het geding. De boven aangewezen vereenzijdiging werkt door in de manier waarop de schrijver de verhouding van deze beide bepaalt.

Een laatste punt: Welke relatie heeft het diaconaat met de opbouw van de gemeente ? De relatie tot de gemeente schijnt vooral hierin te bestaan dat zij het subject van het diaconaat is. Zij heeft de dienst te vervullen. In het Nieuwe Testament is het duidelijk dat het diaconaat de opbouw van de gemeente moet dienen. Dat is geen zaak van introvert-zijn of van egoïstisch zich tot zichzelf beperken. De exegese van Galaten 6 : 10, zoals die op blz. 24v gegeven wordt, heeft mij dan ook niet overtuigd. Het gaat wel degelijk in de eerste plaats om de geloofsgenoten, al mogen we daarbij degenen die buiten zijn niet vergeten. Ik laat nu maar in het midden of het hier gebruikte ”goed doen” specifiek is voor het diaconale bezig-zijn.

In de tweede helft van dit boekje staan heel wat praktische wenken, die men ook kan overwegen, wanneer men de grondvisie op het diaconaat, zoals in dit boekje voorgedragen, afwijst. Het is inderdaad zo, dat ik met die grondvisie niet kan meegaan. Het spijt mij ook, dat dr. Hendriks niet wat meer aandacht besteed heeft aan hetgeen reeds eerder tegen deze grondvisie werd ingebracht. Of moeten we concluderen dat deze visie het diaconaat van de Gereformeerde Kerken reeds zozeer beheerst dat een dergelijke discussie niet meer nodig is ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.