+ Meer informatie

DE SCHAT DER KERK

8 minuten leestijd

2

Het spreken Gods.

God is een sprekend God. Hij sprak reeds in het Paradijs. Voor en na de val wordt het spreken van God gehoord. Hij sprak tot de patriarchen. Hij sprak tot een Mozes. Hij sprak door heel de periode van het Oude Testament heen. Het spreken van God wordt ook steeds vernomen in het Nieuwe Testament. Vandaar dat we lezen in de Hebreën-brief: „God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, Welke Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft”. Voor ons staat nu vast, dat wij het spreken van God en de Bijbel op één lijn moeten stellen. Het Woord van God en de Bijbel als het Woord van God vormen een onafscheidelijk geheel. Er is geen dualisme. Wij bezitten Gods Woord. We weten dat dit tegengesproken wordt. Een vooraanstaande figuur uit de theologische denkwereld zei eens op een samenkomst: „Ik draag in de linker zak van mijn colbertjasje altijd een zakbijbeltje. Ik kan dus zeggen: ik heb een Bijbel in mijn zak. Maar ik kan niet zeggen: Ik heb Gods Woord in mijn zak”. Besprekende God valt niet samen met het boek, dat van Zijn spreken getuigt. De achtergrond van deze scheiding tussen de Bijbel en Woord van God, is de opvatting, dat het Woord van God niet een letter of een geschrift is, maar een gebeuren, dat in de verkondiging van de Schrift een werkelijkheid wordt. Zonder die verkondiging en buiten die verkondiging om, blijft de Bijbel een zuiver menselijke aangelegenheid. Een menselijk boek, dat vol fouten staat. Het volle accent wordt dus op de verkondiging gelegd. Immers in die verkondiging komt alleen Gods Woord tot ons. Als het nu waar zou zijn, dat de Bijbel eerst waar wordt in de verkondiging, dan hebben we geen Bijbel, dan hangt alles in de lucht. Men leeft dan in het onzekere. Er is dan ook geen sprake meer van de prediking van het Goddelijke Woord. De prediker kan zich dan ook niet voor de gemeente stellen als dienaar van het Goddelijke Woord. Hij mist dan volkomen het recht om in de Naam des Heeren de hemel te ontsluiten en toe te sluiten, en op aarde te binden en te ontbinden. De Bijbel zegt ons echter zelf, dat zij is: het Woord van God. Denk aan de uitspraken van de apostelen. Paulus schrijft: Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens God volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust. En Petrus belijdt: „ En wij hebben het profetisch Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uw harten”. Verder lezen we: „Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken”. En Johannes zegt: „Deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus Christus de Zoon van God, opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam”.

En laten we bijzonder stilstaan bij het getuigenis van de Koning der kerk Zelf. Zijn wapenspreuk is steeds geweest: Er staat geschreven. Hij boog voortdurend voor het gezag van de Schrift en zelfs voor een enkel Schriftwoord. Hij aanvaardde tot in kleine onderdelen de historie van het Oude Testament. Hij las in het Oude Testament het program van Zijn Middelaarswerk, want telkens klonk het: opdat de Schrift vervuld worde. Hij heeft ook telkens verwezen naar de Schriften, omdat die van Hem getuigen. De Heilige Schrift was alles voor Jezus. Met de Schrift heeft Hij geleefd. Is Hij gestorven. Is Hij opgestaan. Uit de Schrift, door de Schriften heeft Hij Zijn discipelen onderwezen. Naar de Schrift is Hij mens geworden, heeft Hij geleden. Is Hij opgestaan en ten hemel gevaren. In Hem werd de Schrift volle realiteit, ja Hij heeft Zelf het Goddelijk zegel aan de Schrift gehecht. Dat er steeds onder ons zij een onvoorwaardelijk buigen voor het gezag van de Heilige Schrift en een luisteren naar het Woord van God. Naar de stem van het Woord moet geluisterd worden, in de kerk, in het gezin, op alle terreinen van het leven. De kerk moet ook dienaar zijn en blijven van het Woot d. Het is een hoon voor de Heilige Geest, wanneer de kerk heerst over het Woord. Aan het Woord gezag verleent. Het oordeel der kerk mag de Schrift niet betrouwbaar maken. De Schrift is betrouwbaar in zichzelf. Het gezag van de Heilige Schrift hangt dus niet af van het gezag van de kerk, maar omgekeerd. De kerk nu, die buigt voor het gezag van de Schrift, is alleen kerk, kan alleen de naam van kerk des Heeren dragen. In die kerk werkt ook de Geest des Heeren. Die Geest werkt in de harten van de levende leden. Hij maakt het gesprokene geloofwaardig. In de belijdenis staat: Wij geloven zonder enige twijfel al wat daarin begrepen is, nl. in alle canonieke boeken, en dat niet zozeer omdat ze de kerk aanneemt en voor zodanig houdt, maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn. We kunnen dus spreken van het getuigenis des Geestes in de harten der gelovigen. Het is de Heilige Geest, Die indaalt in het hart van de mens en hem zo diep overtuigt van de waarheid van Gods Woord, zodat hij God Zelf, de God der zaligheid, hoort spreken. Men getuigt dan: Uw Woord is de waarheid. David horen we belijden: Uw Woord is zeer gelouterd en Uw knecht heeft het lief. Gods Woord was voor David als een edel metaal, zevenmaal gelouterd. Het was voor hem rein van alle dwalingen en menselijke mensheid, rein van alle onrecht en leugen. Het is enkel waarheid en trouw. Het Woord, wat wij bezitten is dus van God en omdat het van Hem is, is het onfeilbaar, betrouwbaar van Genesis tot Openbaring.

Met het volgende citaat willen we dit artikel besluiten:

De Bijbel is ons het Woord en de Schriftuur van onze God. Wanneer ik alleen of met de mijnen die Heilige Schriftuur lees, dan spreekt niet langer Mozes, noch Johannes tut mij; maar de Heere mijn God. Hij is het. Die mij dan aller dingen wording en der mensen ontzettende val verhaalt. God, Die mij met stille majesteit vertelt, hoe Hij die gevallen mens weer heft beschikt. Ik hoor Hem Zelf dan verhalen van de wonderen, die Hij wrocht ter verlossing van het volk, dat Hij uitver koor, en toen dat volk Hem tergde, hoe Hij dat volk sloeg in Zijn toorn en gelouterd weer terugbracht, al zoekende, de Zoon Zijner liefde. En tussen dat heilig geschied-verhaal hoor ik de Heilige Geest, in de psalmmelodie, zingen voor mijn geestesoor, dat de diepten mijner eigen ziel ontsloten worden, in de profetie mij herzeggen wat Hij Israels zieners in de ziel fluisterde; en mij zelf de ziel verkwikken door een vergezicht zo bezielend, zo schoon. Tot op het blad des Nieuwen Testaments die God, weer Zelf, mij de Verwachte, der vaderen Wens uitbrengt; de plek toont waar de kribbe stond; het spoor mij van Zijn voetstap wijst; en in Golgotha Zelf zien laat, hoe de Zoon Zijner enige liefde ook voor mij, arme doemeling, de dood stierf aan het kruis. En eindelijk, dan is het diezelfde God, de Heilige Geest Die mij voorleest wat Hij door Jezus’ apostelen omtrent de schat van dat kruis verkondigen liet, om in de Apocalyp- sis met een verrukkelijk Hosannah uit de hemel der hemelen, de praelektuur van zo heilig drama te besluiten. Noemt gij dit nu een schier kinderachtig geloof, waaraan uw meerdere wijsheid ontgroeide, ik kan het niet gebeteren. Zo is nu t enmaal mijn Bijbel..... De auteurs moeten voor ons weg vallen. God Zelf moet in haar verhalen, zingen, profeteren, manen, vertroosten, jubelen voor ons zielsoor. Op die majesteit des Heeren Heeren en op haar alleen komt het aan. Heeft daarom de Schrift gesproken, dan is alle tegenspraak in ons uit; getuigt zij, dan wijkt de laatste twijfel; zelfs het in nood of redeloosheid opslaan van de Schrift om van Gods wege beslissing te vragen, dunkt mij volstrekt niet ongeoorloofd, eer een liefelijk gebruik. Zo sta ik waar Augustinus stond en waar Comrie in zijn voetstappen tredend uitriep: als ik de Schrift lees luister ik naar wat God mij toespreekt, en als ik bid, luistert God naar wat ik stamel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.