+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

8.

Gelukkig, de Pelgrim heeft het huis van de heer Wettisch niet kunnen bereiken. Hij is in de strik, door de heer Wereldwijs gespannen, niet gevangen.

Vanwege de bliksemstralen die uit het rotsgevaarte schoten, was het als stond hij bij de berg Sinai. En als vanzelf rijst hier de vraag: Welke betekenis heeft dat nu voor de Pelgrim en voor ons?

Het gaat hier om de afkondiging van Gods heilige Wet. Voor het geestelijke leven is het geestelijk en bevindelijk kennen van Gods heilige Wet van grote betekenis.

In de Schrift gaat het om de verheerlijking van Gods heilige Wet in het verdienen en toepassen van de zaligheid. De Heere Jezus draagt Gods Wet in het midden Zijns ingewands. Zij staat in het midden, is het middelpunt in Zijn middelaarsbediening.

„De Wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde.” Hier heeft de Heere Israel met meer klaarheid dan ooit laten blikken in de majesteit van Zijn Goddelijke heiligheid enrechtvaardigheid. Enzien wij in dat licht de misdaad van onze ongerechtigheid, dan wordt alle verwachting buiten Christus ons afgesneden.

„En waar de zonden meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.” Met meer klaarheid dan ooit heeft de Heere Israël door de ceremoniële offerande laten blikken in de enige en algenoegzame offerande van Jezus Christus. En daarna is de Wet met haar vloek en eis gelegd in de ark des verbonds, onder het verzoendeksel, om Gode te zwijgen. Door het bloed der verzoening werd op de grote verzoendag de zegen der Heeren over Israël uitgesproken tot troost en sterkte voor het hart.

Voor het geestelijke leven is het van grote betekenis te weten dat de Wet haar verheerlijking heeft verkregen in Christus. Hij heeft door Zijn leven te geven in de vloekdood des kruises de Wet in haar vloek eneisbevredigd, zodat er geen verdoemenis is voor degenen, die in Christus Jezus zijn. En door Zijn voldoening aan de eis van volmaakte gehoorzaamheid is het recht ten eeuwigen leven door Hem verworven.

In het rijke en ruime Evangelie voor degrootste der zondaren hebben wij te doen met een totale verheerlijking van Gods Wet door Christus.

Het Evangelie komt en kan alleen komen tot zondaren die bedolven liggen onder de vloek en eis van de Wet. Als de Heere Abraham de zegen van het Evangelie verkondigt, dan wordt het hem tegelijkertijd betuigd dat hij van nature ligt en leeft onder de vloek en eis van de Wet.

Het Evangelie is niet naar de mens. Er is in het Evangelie niet de minste ruimte voor een zucht of traan van verdienstelijkheid in de mens. Alle roem voor de mens wordt er door uitgesloten. En die is er niet, want wij zijn mensen met een roemloos verleden en leven met een verdorven bestaan in het heden. De Wet heeft haar verheerlijking niet alleen in Christus, maar zij bekomt ook in het hart en leven van zondaren haar verheerlijking door Christus.

Bij de wedergeboorte, en dit is de inlijving in Christus, schrijft Christus door zijn Geest de Wet der liefde in het hart van de zondaar. Uit kracht daarvan zegt het hart dan: „Ik zal U hartelijk liefhebben.”

Bedenk het wel dat de Wet der liefde, die is opgekomen uit de natuur van het Goddelijke Wezen, behoort tot de natuur van het nieuwe leven der genade.

In de weg der waarachtige bekering is de Wet ons een tuchtmeester tot Christus. Zij eist van ons dat wij geloven in Jezus Christus. „En die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden.”

Niets onteert de Heere meer dan het ongeloof. Als deugd en daad behoort het geloof tot het wezen van de mens.

Maar desniettemin is het geloof in zijn wezen en oefeningen een gave Gods, een werk van de Heilige Geest. Hierin zijn en blijven wij afhankelijk van de Heere tot de laatste snik.

Dat wij gelijk als Agrippa de Schriften geloven, voor waarachtig houden gelijk de kanttekening zegt, stelt ons onder een grote verantwpordelijkheid. Wij hebben in het Woord, de tempel van de Heilige Geest, Zijn bijzondere bearbeiding biddende te zoeken, om van dag tot dag te mogen komen tot de aanklevende daad van het geloof.

Wordt Christus met Zijn offerande vanuit het Goddelijk schenken aangenomen tot toerekening van Zijn gerechtigheid, dan weten wij met verwondering des harten in Hem te hebben vergeving der zonden en een recht ten eeuwigen leven.

In de heiligmaking, die het begin is van de heerlijkmaking, bekomt het hart een innig vermaak in de Wet Gods naar de inwendige mens.

Daartoe nu is de Wet ingekomen bij de berg Sinai, wat Israël wees op haar verheerlijking in Christus. En zo functioneert zij in het hart van de gelovigen tot op de dag van heden. Dat wordt de Pelgrim hier van Godswege op het hart gebonden. In de grond van de zaak wordt hij door de majesteit van Gods heilige Wet verhinderd te treden in het huis van de heer Wettisch. „Alzo is dan de Wet heilig en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.”

Deze ontmoeting van de Heere in de heiligheid van Zijn Wet heeft natuurlijk in de eerste plaats een negatieve betekenis voor zijn hart. Hier wordt hij door de Heere afgebroken in zijn wettisch godsdienst, die de Wet onteert en Christus kruist. Het is een zegen als de Heere ons van onze droggronden komt af te slaan. Hier wordt de verderfelijke raad van de heer Werelwijs als de grootste misleiding voor de eeuwigheid veracht.

Voorts is het hem zeker een wonder dat hij door de bliksemstralen van Gods toorn niet is getroffen. Het is hem onmogelijk een stap verder te gaan. De last gaat zwaarder wegen, de misdaad is hem meerder geworden. Het angstzweet brak hem uit en hij beefde van vrees voor Gods rechtvaardigheid.

Deze ontmoeting is voor de Pelgrim van blijvende aard. Hij is met het vuur van Gods gramschap, het vuur van de hel geconfronteerd. Nog nooit heeft hij in zijn hartzulk een diep besef van de straf der zonde gehad dan hier. Nu is het hem duidelijk dat hij met al zijn tranen en werkzaamheden niet voor God kan bestaan.

Wee de mens, die voor eeuwig getroffen zal worden door het vuur van Gods bliksemstralen. Het gaan naar de heer Wettisch was niet alleen een zondigen tegen de Goddelijke autoriteit van de Wet, maar ook tegen de majesteit van het Evangelie.

Inderdaad er zijn heel veel wettische mensen, die deze ontmoeting niet kennen. Wie aan zijn wettische godsdienst genoeg heeft, spreektzichzelf op de grond daarvan zalig.

Maar zo was het niet met de Pelgrim. Hij zocht in zijn wettische werken de verzoening met God. Want dat verlangen was en leefde in zijn hart. En zulke mensen, die daarin uit kracht van hun geestelijke onkunde de verzoening zoeken uit liefde tot God, komen met de berg Sinai in aanraking. De Heere laat het ons dan zien dat wij met onze wettische godsdienst niet kunnen bestaan, het vuur van Zijn gramschap kan er niet door geblust worden.

Tot onderwijzing in deze zaken ontmoet de Pelgrim voor de tweede maal Evangelist. En u zult het horen, zo de Heere ons bij het leven spaart, dat hij van recht en gerechtigheid weet te spreken. In het Evangelie gaat het om de verheerlijking van Gods Wet in Christus en door Christus. En dat in Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.