+ Meer informatie

Pastorale begeleiding bij gevallen van echtscheiding

12 minuten leestijd

De situatie

Ze waren al wat jaartjes getrouwd, in ieder geval meer dan 12½ jaar. En zo voor het oog van gemeente en familie leek het een redelijk huwelijk. Natuurlijk „hadden ze wel eens wat”; maar waar komt dat niet voor? Het is nog altijd een heel ding als twee mensen een heel leven met elkaar delen. Daar kun-nen (zúllen!) wel eens botsingen voorkomen. Men hoeft het nog niet met de bewering eens te zijn dat een huwelijk, waarin alles zo „vanzelf” gaat, een tamme toestand is waarin men aan elkaar voorbijleeft — een feit is wel dat elk menselijk samenleven spanningen kan oproepen. Het is goed wanneer dit ook vóór de trouwdag beseft wordt. Het is tamelijk gemakkelijk elkaar in een feestelijke stemming het „ja-woord” te geven; dit „ja” moet dan echter nog wél worden wáárgemaakt — ook en vooral als de stemmingen eens wat minder feestelijk zijn. Trouw moet blijken.

In het bovengenoemde geval begon het met die trouw wat moeilijk te worden. Niet dat er nu meteen een derde in het spel was. Ze verstonden elkaar niet meer. Vandaar op een late avond dat telefoontje: ds., ik wou u even verteilen dat we uit elkaar zijn; we zien het niet meer zitten. En: wat ds. daar nou van vond … Dan heb je als pastor te maken met een steeds veelvuldiger voorkomend verschijnsel. Er moge (nog) wat overdrevenheid schuilen in de opmerking dat de ambtenaar van de burgerlijke stand die de scheidingen registreert het tegenwoordig bijna net zo druk heeft als zijn collega ten overstaan van wie de huwelijken gesloten worden, het is in ieder geval een feit dat er steeds meer scheidingen plaatsvinden. Dat gaat ook de kerk niet voorbij. Hoe langer hoe meer leden van de gemeente zijn daarbij betrokken, hetzij als „schuldige”, hetzij als „slachtoffer”.

Ik acht me er niet toe geroepen voor u de achtergronden van een scheiding te schetsen; dat is me niet gevraagd; dat zou bovendien wel eens een apart artikel kunnen vragen. Nú geldt: wat doet de pastor in zo’n geval?

Kerkelijke bepalingen

Alvorens op de gestelde vraag in te gaan, wil ik graag even wijzen op de talloze bijbelplaatsen die rechtstreeks of indirect over het huwelijk spreken; ambtsdragers mogen geacht worden die te kunnen vinden. Daarnaast vinden we enkele bepalingen in art. 70 K.O. sub 4, die het beste te verstaan zijn tegen de achtergrond van het rapport van „Deputaten voor de bestudering van de kerkelijke houding inzake echtscheiding en tweede huwelijk”, welk rapport te vinden is in de Acta van de G.S. 1959, pag. 199-213. Wie wil weten hoe er in de loop der jaren over deze materie is gedacht en wie wat uitspraken van kerkelijke vergaderingen en theologen daarover wil hebben, vindt hier een schat aan gegevens.

Zorgvuldige benadering

Een eerste reactie op de vraag „wat ds. daar nou van vindt” zou wel eens het bijbels-nuchtere „gij zult niet echtbreken” kunnen zijn. Het komt me voor dat de pastor daarmee wel beginnen móét. We hebben — ook in dergelijke gebroken situaties — niet in de eerste plaats te maken met wat ménsen ervan vinden, maar met de Goddelijke openbaring over huwelijk en echtelijk samenleven. lk meen dat dit, bij eerlijke benadering, een eerste uitgangspunt moet zijn; en voorzover hierop gedoeld wordt, kan ik me vinden in de bepaling van art. 70 K.O. sub 4-f.

Natuurlijk zal — voorzover daarvan nog niets of weinig bekend was — ook getracht moeten worden de oorzaken van deze breuk op te sporen. Die zullen echt niet van vandaag of gisteren zijn; waarschijnlijk was de emmer al langer volgelopen. Die laatste druppel is wellicht niet eens de belangrijkste ; alles wat daaraan voorafging, heeft ook al het nodige daartoe bijgedragen.

M.i. verdient het aanbeveling eerst maar eens apart met betrokkenen hierover te praten. Wie man en vrouw hierover meteen sámen wil spreken — gesteld dat dat mogelijk is — loopt het gevaar m een eindeloze „welles-nietes-discussie” te verzeilen, die tamelijk onvruchtbaar wordt. Wél lijkt het me eerlijk de „andere partij” in te lichten over wat de „ene partij” naar voren heeft gebracht aan verwijten, beschuldigingen, wensen en wat niet al; dit inlichten uiteraard met toestemming. Na inventarisatie van achtergronden, oorzaken e.d. kan een gezamenlijk gesprek worden gehouden.

Geestelijke benadering

Zorgvuldigheid zal ook kenmerk van goede geestelijke benadering zijn, maar over dat laatste valt natuurlijk nog wel meer te zeggen. Wanneer een huwelijk ook kerkelijk gesloten is en er „voor God en zijn gemeente” geloften zijn gedaan en er gebeden is, dan lijkt het me terecht dat daar ook op gewezen wordt.

Men zegt niet zómaar „ja”! Het goede „ja” kan slechts geworteld zijn in beider afhankelijkheid van de Here en in de belijdenis dat Hij heeft samengevoegd. Terecht wordt in het huwelijksformulier gezegd dat men „het huwelijk niet lichtvaardig of gedachteloos (moet) aangaan, maar eerbiedig en dankbaar, in de vreze des Heren”, terwijl heel dit samenleven dan valt onder zijn geboden en ook overstraald wordt door zijn beloften. Daarnaast is elk christelijk huwelijk een afspiegeling van de verhouding tussen Christus en zijn gemeente. Andetzijds moet ook beseft worden dat juist tegen dit „overgebleven stukje paradijs” het felle ruïnerende werk van satan zich stelt. Wie het huwelijk gaaf wil houden, dient daar dan ook geknield voor te vechten!

De praktijk is echter vaak dat van dit „knielen” — persoonlijk en gezamenlijk — niets is terechtgekomen of weinig is overgebleven. Toch schrome de pastor niet tot déze kern door te dringen: mensen verstaan elkaar niet meer als ze niet — persoonlijk en gezamenlijk — met God leven. Terecht stelt art. 70 K.O. dan ook dat gewezen moet worden op de noodzaak van bekering. En nooit mag worden nagelaten evenzeer te wijzen op de kracht van het verzoenend werk van Christus en het vernieuwend werk van de heilige Geest. Ook in gebroken verhoudingen mag daarvan nog veel — alles! — worden verwacht. Dit betekent niét een „prekerij-van-bovenaf” ; de pastor zal, vasthoudend aan bovengenoemde elementen, zo veel als mogelijk is náást de betrokkenen dienen te staan, zélf in sterk geloof dat de Here kan helen wat door mensen is geschonden, maar ook onverkort wijzend op wat de Here wil. Het komt inderdaad aan op een (hernieuwde) goede geestelijke instelling van beide partijen. Daarbij behoort ook dat „de één de ander uitnemender acht dan zichzelf”; vanuit het evangelie mag dan ook gevraagd worden naar een leven uit de gezindheid van Christus en in een liefde die zichzelf niet zoekt.

On geestelijke reactie

Hoewel we het theoretisch over het bovenstaande wel eens zullen zijn, blijkt dit in de praktijk vaak het grote knelpunt te zijn: de ene (of beide) partij (en) is/zijn hierop nauwelijks aanspreekbaar. Er kan ook zoveel ontwricht zijn, ook zoveel verharding zijn gekomen dat er — naar de mens gesproken — geen en kel uitzicht op bekering en verbetering is. De ongeestelijke onwil gaat ook een roi meespelen. En het spreken over een „goddelijke samenvoeging” en daarom over een ongeoorloofde scheiding, zegt in zo’n geval ook al niets meer. En wat dan?

Ik ben van mening dat het „nooit mogen aandringen op echtscheiding noch die adviseren” (art. 70) me dan in de steek laat. Je kunt als kerk toch ook moeilijk genoegen nemen met een voortduren van een ongeestelijke en onheilige toestand, waarin men een kwelling is voor elkaar en voor de eventuele kinderen. En het valt te vrezen dat kerkelijke tucht dan ook niet werkt als „medicijn” — die zégt gewoon niets voor mensen, die zich geestelijk al verhard hebben en getoond hebben zich niet te willen bekeren. In zo’n geval van „kiezen-tussen-twee-kwaden” zeg ik als pastor in gemoede: vooruit dan maar; het is beter te scheiden dan verder het leven voor elkaar tot een hel te maken.

Het is triest dit te moeten constateren; en dat mogen de betrokkenen wel merken ook. Maar het wil er bij mij ook niet in dat het Gods bedoeling is dat men dan maar koste wat het kost bij elkaar blijft. Begrijp me goed: dit is níét een sanctioneren van een verkeerd gegroeide gang van zaken; veeleer een verdrietig constateren dat het — op grond van gebleken onverzoenlijkheid — niet anders kan. En laat ik er meteen maar bij zeggen dat ik in en ook ná de situatie waarin ik wél zo geadviseerd heb, ook heb getracht het contact met beiden ná de scheiding vast te houden. Dat zal niet altijd lukken. Soms keren beiden, soms keert één zich van de kerk af en wordt willens en wetens de band met kerk en pastor, ook met gemeenteleden, verbroken. Dan houdt alles op. Om het met een variant op een woord van Jezus te zeggen: dan zij hij/zij u als de heiden en de tollenaar — al is het goed er meteen bij te zeggen dat juist „heidenen en tollenarení’ nog altijd „voorwerp van evangelisatie” zijn.

Hulp van anderen?

Een pastor weet en kan ook niet alles. Hij zal er verstandig aan doen contact op te nemen met LM-bureaus en/of met een maatschappelijk werk(st)er, zo mogelijk ook met de huisarts. Wellicht valt er in samenwerking nog wat aan te doen. Er zijn immers — behalve geestelijke — ook zoveel andere factoren die tot een scheiding (kunnen) leiden. De eerlijkheid gebiedt erbij te zeggen dat hierbij oog moet zijn voor de verschillende gezichtspunten, wilt u: invalshoeken, vanwaaruit gewerkt wordt. Persoonlijk heb ik het in voorkomende gevallen op prijs gesteld contact te hebben met bovenaangeduide instellingen en/of werk(st)ers om te weten vanuit welke geestelijke achtergrond gewerkt wordt en ook om te trachten één lijn te trekken, althans elkaar niet tegen te werken. Dit laatste kan natuurlijk alleen maar, wanneer er over achtergronden en uitgangspunten een goede mate van overeenstemming bestaat. Wanneer die er niet is, houd ik niet slechts mijn aarzelingen ten opzichte van het tehulproepen van derden, maar zie ik nóg meer de noodzaak van — zo mogelijk — éígen, althans geestverwante, instellingen en mensen op dit terrein.

Een andere zaak is of en in hoeverre nader contact met of informatie van de kant van familieleden van betrokkenen gewenst is. Enerzijds kán dit verhelderend werken en dus van grote waarde zijn: men kan vanuit familie-ervaringen bepaalde wenken geven of wijzen op karakterstructuren e.d. Anderzijds kan het naar de betrokkenen toe ook wel eens belemmerend werken, omdat in geval van een dreigende scheiding ook familierelaties in een andere verhouding komen te staan.

In hoeverre hier de gemeente bij betrokken kan worden, is een zaak die zowel van de „partij” afhangt alsook van de gemeente zelf. In vele gevallen zullen de mensen die met hun eigen (dreigende) ontwrichting zitten er niet zoveel belang (meer) bij hebben. Naar de gemeente toe gezien betekent dit dat van de broeders en zusters ook een goede geestelijke instelling gevraagd mag worden. Er dient — ronduit gezegd — ovev dergelijke zaken minder gekletst en meer voor gebeden te worden. Niét een „heb je het al gehoord” siert de gemeente, maar een „we hebben ervan gehoord, dat verdriet ons en daarom bidden we des te vuriger om de vernieuwende werking van, Gods Geest”. En dán kan het geen kwaad als de pastor eens contact opneemt met zúlke gemeenteleden, die ook (nog) het vertrouwen van de betrokken partijen hebben, en hen vraagt of zij met de hun geschonken gaven zich mede willen inzetten voor de heling van dit geschonden bestaan. Pas binnen een dergelijk functioneren van de gemeente als gemeenschap zal ook — wanneer daartoe moet worden overgegaan — de eventuele kerkelijke tucht die plaats en waarde krijgen die het behoort te hebben.

Niet te veel doen

Terecht kan uit het bovenstaande de conclusie worden getrokken dat er in een dergelijke begeleiding veel manuren ga an zitten. Dat moeten we er, hoe moeilijk het soms valt, toch maar voor over hebben vanuit de liefde van Christus. En we moeten het ook niet vanwege de eraan bestede vele tijd jammer vinden, als het niet lukt tot verzoening en herstel te komen. Het is erger wanneer men — als dooplid of belijdend lid — zich onttrekt aan de duidelijke eisen van Gods Woord en aan de vermaningen van de kerk en mitsdien aan Christus zelf. Maar de pastor moet op z’n tijd ook terug kunnen treden. Hij wake er vooral voor zélf beslissingen te nemen die in feite door (één van) de betrokkenen moeten worden genomen. Ik acht het een gevaarlijke zaak wanneer men tot dingen gaat besluiten of dingen doet, „omdat de dominée het zei”. De vraag „wat ds. ervan vindt” moet dan ook omgebogen worden naar wat Christus in die situatie ervan vindt en naar wat Hij wil dat men zélf doen zal. Wél zal m.i. mogen worden aangedrongen op een beslissing; ook een ontwrichting kan niet blijven slepen. Maar men zal zélf — en ook gemotiveerd! — die beslissing moeten nemen.

Pastorale voorlichting

Bij de overwegingen die geleid hebben tot het schrijven van dit artikel is me des te duidelijker geworden dat de genoemde deputaten (G.S. 1959) zeer terecht hebben gewezen „op de noodzaak van pastorale voorlichting inzake sexuele- en huwelijksproblemen”. Het is inderdaad beter vóór te lichten dan te begeleiden in de zin van wat boven dit artikel Staat. Een „huwelijkscatechisatie”, waarbij — ik noem maar wat zaken — gesproken wordt over de betekenis van het huwelijk, over de bedoeling van God daarmee, over „wat God heeft samengevoegd” (aanvaarden we dat zomaar van elk a.s. echtpaar?), over het funetioneren van het huwelijk binnen het geheel van de christelijke gemeente, over liefde en trouw, over sexualiteit en „gezinsplanning” en dergelijke zaken, zou wel eens hard nodig kunnen zijn. Ik meen te weten dat dat door een enkele collega al wel gedaan wordt. Misschien zou die — ook vanuit de praktijk — daarover wat kunnen schrijven. Wellicht maakt dit de „pastorale begeleiding”, zoals die hierboven gepoogd is te schetsen, wat minder noodzakelijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.