+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

9 minuten leestijd

26.

Al klauterend op handen en voeten is de Pelgrim halverwege de heuvel Moeilijkheid gekomen. Terwijl de zon haar middaghoogte heeft bereikt en schijnt in haar volle kracht, heeft de reiziger wel behoefte aan enige rust. En dat weet de Heere! Zijn wakend oog gaat altijd, maar inzonderheid dan over Zijn kinderen wanneer zij op de weg van beproeving zijn.

Nooit beproeft Hij hen boven vermogen. Hij weet dat zij zwak van moed en klein van kracht zijn. En daarom heeft Hij deze reizigers naar Sion halverwege de heuvel Moeilijkheid een rustplaats bereid tot versterking van het geloof. Elia had versterking nodig om de reis te maken naar de berg Gods, Horeb. En daarom kwam de Heerehem, toen hij sliep onder de jeneverboom in de woestijn, een maaltijd bereiden. Hij maakte hem wakker en zei: „Sta op, eet; want de weg zou voor u te veel zijn”. Dat deed hem in gehoorzaamheid aan dit woord opstaan om te eten en te drinken.

En hij ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan de berg Gods, Horeb.

Rust heeft de Heere op de weg der beproeving bereid. Maar dat rusten bestaat hier niet in een niets doen, door neer te zitten in ledigheid. Deze rust is, zegt de Schrift, een gelovig gaan in de rust. En dat rusten is een werkzaam rusten in de Heere, in Zijn liefde, in Zijn trouw en in Zijn vaderlijke zorg. In Hem is het rustpunt van het geloof. Hij heeft gezegd: „Het is volbracht”. Daarom is halverwege door de eigenaar van de heuvel een lief prieel geplaatst, opdat vermoeide reizigers daarvan gebruik zouden maken, om uit te rusten in de Heere.

Hier staat een lief priëel, en dat getuigt van liefde. Een priëel, dat onderscheiden is van het oude schuurtje, waarin hij zijn hart kwam uit te storten, toen hij nog niet door de poort op de weg gekomen was. In de eenzaamheid was het lezen van zijn boek, het bekennen en bewenen van zijn zonden, alsmede het smeken om ontferming, hem dierbaar. Maar hier staat een lief priëel, waaraan hij niet heeft kunnen denken. Daarom was het voor hem dan ook een heerlijke verrassing van de Heere, een oase in de woestijn, een bewijs, dat de Heere aan hem denkt, vriendelijk op hem nederziet. Heerlijk is het te mogen delen in de liefde Gods, dat deed de Pelgrim terugdenken aan de bevindelijke kennis, die hij daarvan in zijn hart had. Hij kende Gods opzoekende en trekkende liefde vanuit de duisternis tot het licht. Vanuit die liefde was hij gekomen tot de onberouwelijke keus de Heere te vrezen en tot het gaan door de enge poort. Gedurig dacht hij met verwondering terug aan Gods vergevende liefde in Christus. En nu wordt hij verkwikt door Gods zorgende liefde.

Het is inderdaad een lief priëel, het doet ons denken aan het loofhuttenfeest. Dan dacht het volk Israël terug vanuit het zijn onder de schaduw des Allerhoogsten aan de wonderlijke weg van Gods vaderlijke leiding en onveranderlijke trouw. Hij heeft Israël als op arendsvleugelen gedragen, opdat ze niet zouden bezwijken.

Gezeten in de rust van Gods vaderlijke zorg, door een dankbaar gebruik te maken van het priëel dat van Zijn liefde getuigde, haalde de Pelgrim vanuit zijn borstzak zijn rol te voorschijn, en las enige tijd daarin, tot bevestiging in de staat der genade. Het is de rol van Gods getuigenis, het getuigenis van Zijn Geest in het hart. Deze Geest getuigde met zijn geest kind des Heeren te zijn, erfgenaam te wezen van de eeuwige heerlijkheid in het huis van de Vader. En dat gaf hem meer klaarheid en vastigheid in hetgeen hij mocht beleven aan de voet van het kruis. In deze vreugde bezag hij de klederen nauwkeurig, die hem door de Heere geschonken waren. Het waren de klederen des heils, de feestklederen om eeuwig bruiloft te vieren.

Met al die zegeningen staat de Pelgrim natuurlijk des te meer verantwoordelijk voor het volharden op de weg der gehoorzaamheid. Het hart van een wijze zal tijd en wijze weten. Hij moet weten op te staan en verder te gaan. Niet alleen het klauteren op de heuvel Moeilijkheid, maar ook het liefelijk zitten in een lief priëel behoort tot de beproeving van het geloof.

Maar ach, hij blijft zitten, en dat terwijl het tijd is, hoog tijd is om verder te gaan om de heuveltop te bereiken vóór dat het duister wordt. Van één uur wordt het twee uur en van twee uur loopt het al tot drie uur. En nu is de zon al een heel eind over haar middaghoogte heen en nog zit de Pelgrim in het priëel. Hier hangt wel geen klok, maar een echte Pelgrim leeft altijd dicht bij de klok van zijn verantwoordelijkheidsbesef. Wat zou er toch aan mankeren? Het gaat niet goed! Bij het smaken van het genot der zaligheid, door te delen in de liefde Gods, kan het wat ons innerlijk leven betreft, toch nog wel verkeerd gaan vanuit ons verdorven bestaan. In onze allerheiligste en allerheerlijkste tijden kleeft het verderf der zonde ons nog aan. En dat komen wij in dit leven niet te boven. Zelfs is het gevaar door ons inwonend verderf afgetrokken te worden van de Heere in onze beste tijden het meest aanwezig. Bij het delen in het genot der zaligheid kan men een hoge dunk krijgen van zichzelf. Men kan er wat mee worden, er mee opgaan in zichzelf. Wonderlijk was Hizkia door de borggerechtigheid van Christus uit de banden van de dood verlost, dat deed hem delen in zoete en zalige vertroostingen van de Heere. Maar niet lang daarna toonde hij al zijn grootheid die hij v a n de Heere ontvangen had, aan de gezanten van Babel. Pas had hij in de Middelaar van het verbond der genade het licht van Gods vriendelijk aangezicht mogen aanschouwen, of zie, hij steekt zijn hand uit naar de hand van de verbondssluiting die Meródach Baladan hem bood.

Hoe is het mogelijk! Zeg dat wel, want het onteert de Heere. En daarom hebben wij er goed rekening mee te houden. De Heere heeft bij monde van de profeet Jesaja er Zijn ongenoegen duidelijk over te kennen gegeven. Maar bij de Pelgrim had het een andere uitwerking. Hij is met de zegeningen, hem geschonken door de Heere, niet gaan pronken. Hij is er mee in slaap gevallen door er niet aktief mee te blijven in het geloof.

Hoor maar: „Terwijl hij zo van één en ander genoot, viel hij eindelijk in een sluimering en daarop in een vaste slaap, zodat hij op die plaats vertoefde tot het vallen van de avond”.

Nee, het was gans zijn bedoeling niet zich over te geven aan de slaap der zorgeloosheid. Terwijl hij zat te lezen in zijn rol en streek over het kleed hem door de Heere geschonken, was er nog een lofzang in zijn hart. Maar de slaap der zorgeloosheid kwam tot hem zonder er iets van te bemerken wat het doel daarvan was. Hij kwam als een inbreker op zachte pantoffels, dus geruisloos tot hem. Hij kwam de achterdeur in die open stond, want het was nog dag. En als u niet waakzaam staat tegenover het kwaad, dan staat u er machteloos tegenover. Want de slaap is in zijn verschijning altijd zacht en liefelijk. Bij de eerste en tweede sluimering werden die aanvechtingen van de slaap nog wel afgeslagen. Maar niet met de nodige beslistheid van het hart. Met de ene hand werd dat kwaad afgeweerd, terwijl de zoete rust van de slaap met de andere hand gestreeld werd, en dat maakte de Pelgrim machteloos. Zonder dat de arme man er erg in had was hij al vanuit zijn eerste sluimeringen in een vaste slaap, waardoor al zijn vreugde in de Heere werd weggevaagd. Zeker, de slaap is een weldaad van het verbond der genade. Die rust is verworven door de Heere Jezus, daar Hij door de diepste vernedering heen wakende en biddende heeft gestreden. Maar in dit lieve priëel was het niet de plaats en de tijd om te slapen. Daartoe heeft de eigenaar van de heuvel al die moeite en kosten er niet aan besteed. Gelijk de kerk een plaats is om aandachtig te luisteren en bezig te zijn met de dingen van de eeuwigheid tot verkrijging van de rust des geloofs, was het priëel daartoe eveneens geplaatst.

De Pelgrim had op moeten staan toen hij uitgerust was van zijn vermoeidheid, waarmee hij in de rust van het zo lieve priëel gekomen was. Lief was hem deze plaats voor zolang hij zich mocht verlustigen in de liefde van zijn Heere. En dat is hij nu kwijt.

Nu zit hij onbewust ter neder, beseft het niet wat schade hij daarmee zijn ziel berokkent tot smaad van zijn Koning. De slaap der zorgeloosheid heeft zijn handen traag en zijn knieën slap gemaakt. De rol die hij met zorg bewaarde in zijn borstzak, krampachtig vast hield om er in te lezen tot vertroosting van zijn hart en ter versterking van zijn geloof, is hem uit de hand gevallen.

Zitten wij met trage handen en slappe knieën terneder, dan is dat tengevolge van onze zorgeloosheid. We laten de rol van Gods getuigenis uit de hand vallen en de slappe knieën weigeren te gaan in de weg der gehoorzaamheid. En met dat alles gaat men soms zuchten zo onmachtig te zijn, en zeggen: mocht de Heere nog eens kracht schenken. Maar dat is niet het beleven van onze onmacht in afhankelijkheid van de Heere, doch een strelen van die onmacht. De Schrift zegt: „Daarom richt weder op de trage handen en de slappe knieën”. En hoe u dat doen moet?

Wij hebben in de eerste plaats onze traagheid te bekennen, daar wij toegaven aan de slaap der zorgeloosheid. Wij eindigen met al het goede, dat de Heere schonk, in het vlees. Met dat te bekennen is het nog mogelijk de Heere te smeken om ontferming en op te staan voor het gaan in de weg der gehoorzaamheid.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.