+ Meer informatie

GOD BLEEF ROEPEN

8 minuten leestijd

HET BEGIN

Met Gods stem is alles begonnen.

De HERE doet zich kennen aan zijn stem. Hij spreekt en de hele schepping is daar. Wat we dan vooral begrijpen, is dat het ons begrip te boven gaat. Maar het geloof ziet in het spreken van God de essentie van alles liggen. Ook de essentie van het kennen van God. In het paradijs hoorden we de stem van God. We wisten wat Hij bedoelde. Daar was geen enkele aanleiding op een dogmatische manier de vraag naar de roeping te stellen. Het was een kwestie van luisteren, en daarbij zat niets in de weg. Tot de zonde kwam. Daarna verborgen de mens en zijn vrouw zich bij het horen van de HERE God tussen het geboomte in de hof. (Gen. 3:8).

HET WONDER VAN GODS ROEPSTEM

Dat God daarna niet zweeg, maar bleef spreken, is even belangrijk als de schepping. Dat maakt verschil tussen alles en niets. Toen wij in onge-hoor-zaamheid God van ons hadden afgeschud, verwierpen wij de grond onder onze voeten. Dat kon het einde van alles zijn.

Toen liet God ons drie dingen zien:

• dat wij in plaats van nog bij het leven te horen, zelf de dood over ons hadden uitgeroepen;

• dat Hij Zich door onze zonde toch zijn schepping niet liet ontnemen;

• dat Hij niet ophield tot ons te spreken.

Dat laatste is het wonderlijkste. De HERE God bleef spreken. We noemen vaak Gen. 3:15 de moederbelofte: ‘Ik zal vijandschap zetten..’ Dat heeft ook goede grond, want daar wordt zichtbaar welke weg God verlossend met de mens wil gaan. Je zou echter ook dat eerdere woord van God de moederbelofte kunnen noemen: ‘Waar zijt gij?’ (Gen. 3:8).

De hele Bijbel draagt dat spoor. Wij lopen weg, en God loopt achter ons aan. Ook in Gods verbond met de mens, met Abraham en zijn nakomelingen, en later met Israël, blijft het zo! En het is diep verwonderlijk dat het spreken van God toch niet stopt. De hele geschiedenis blijft als het ware binnen de lijst van Gen. 3.

Bij deze stand van zaken begrijpen we dat het wezenlijk is voor ons heil, dat dáár het begin ligt: God die de zondige mens roept. Er kunnen dan echter wel vragen opkomen, en die krijgen steeds weer een plaats in theologische en kerkelijke gesprekken over de heilsorde.

IS DE ROEPING WEL ECHT HET BEGIN?

Diverse vragen komen uit bij die ene: Is de roeping wel echt het begin? Anders gezegd: Kunnen we wel iets met de roepstem van God? Zijn soevereine welbehagen heeft toch bij voorbaat in handen wat er met zijn roepstem wordt gedaan?

Dat is in de eerste plaats de vraag naar de uitverkiezing. De Schrift leert toch dat zijn roepstem zeker gehoord zal worden door degenen de uitverkorenen? En dat ligt vast van vóór de grondlegging der wereld…(o.a. Ef. 1:4). Wie de stem van God horen, en beantwoorden met geloof, doen dat toch niet uit henzelf, maar danken het aan Gods genade! En de keerzijde — degenen die niet uitverkoren zijn, die kunnen dan toch geen gehoor geven aan die roeping?

Inderdaad kunnen wij zo een hele keten van vragen stellen, op basis van onze logica. Via de herkenning van dit soort logica heeft de soevereiniteit van God stof tot spot gegeven aan ongelovige schrijvers met een calvinistische achtergrond. Maarten ’t Hart, Jan Wolkers, Jan Siebelink, Martin van Amerongen en velen meer zijn er op stuk gelopen, en vinden juist zo breed gehoor.

Het is goed om te zien dat die logische keten van vragen daar tussen zit. Maar wanneer wij die vragen steeds maar rond laten spelen in ons beperkte denken, horen we de stem niet meer van God die roept.

Net zo kan het toegaan met de vraag naar de wedergeboorte. Dat is toch het werk van de Heilige Geest in het hart van een mens, waardoor die gehoor geeft aan de roepstem. Dat staat er immers van Lydia: ‘De Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd’ (Hand. 16:14)? Dat klopt toch met een woord als Romeinen 9:16 — ‘Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God die Zich ontfermt’? En ‘dus’ gaat er aan de roepstem van God een ander goddelijk ingrijpen vooraf.

Een valkuil die in de loop der eeuwen al heel wat theologische ongevallen heeft veroorzaakt, is inderdaad het toepassen van onze logische redeneringen op wat de Here God tegen ons zegt. Dan hebben we telkens weer een excuus, een ‘ja, maar’ tegenover de Here. Adam en Eva hadden zo in het paradijs een heel goede reden om bevreesd te zijn en zich voor God te verbergen. Wanneer we dat ook op theologisch niveau gaan doen, staat het er niet best met ons voor.

Wanneer we in de Bijbel horen hoe de roepstem van God klinkt, en hoe dan zonder ‘ja maar’ een antwoord komt, dan hebben we het duidelijk voor ons. Het voorbeeld van Lydia nog een keer. De Here opende haar hart, en daarom ontving ze de woorden van Paulus met geloof als een evangelische roepstem. Maar het was haar niet meegedeeld, dat de Here haar tot dat antwoord bracht! Voor haar was het horen van het Woord het eerste. De roepstem van God. En ze hoorde! Pas achteraf heeft ook Lydia begrepen, dat het niet aan haarzelf te danken was dat ze aan de Here gehoor gaf, maar dat het genade was! Voor haar was en voor ons is het Woord van God — en met name de prediking daarvan — het zaad der wedergeboorte (zie 1 Petr. 1:23–25).

De orde waar mensen mee te maken krijgen, is dat de stem van God altijd de eerste is. En als Hij roept, wie zijn wij dan om aan Hem uit te leggen, dat het eigenlijk zo niet kan? Moeten wij aan de Here duidelijk maken, dat er uitverkiezing moet zijn voordat wij kunnen spreken? Moeten wij eerst in ons eigen hart de tekenen van wedergeboorte waarnemen voordat we de Here en zijn Woord ernstig kunnen nemen?

Die orde van God is er wel, maar alleen achteraf. Als een wonder van genade!

De Here Jezus heeft zijn discipelen eerst geroepen: ‘Volg Mij’. En ze kwamen. Pas later maakte Hij hun duidelijk: ‘Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen…’ (Joh. 15:16). Het begin ligt inderdaad bij de roeping. Die is altijd het eerste.

ERNSTIG EN KRACHTDADIG

Dat over de roeping wel verder is nagedacht is begrijpelijk. De vraag kwam op of de roeping voor degenen die er gehoor aan geven, en voor degenen die doof blijven, dezelfde roeping is. Die vraag kan makkelijk ook weer de kleur van een excuus krijgen. Dan is de ongelovige altijd onschuldig aan zijn ongeloof. Die weg hebben we al ontmaskerd. Toch wordt ook in onze belijdenis wel onderscheid gemaakt. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in art. 24: ‘Wij geloven, dat dit ware geloof, in de mens voortgebracht door het horen van het Woord van God, en door de werking van de Heilige Geest, hem doet wedergeboren worden en maakt tot een nieuwe mens’. In art. 35 wordt van het nieuwe leven gezegd: het ‘wordt hun gegeven in de tweede geboorte, die geschiedt door het Woord van het Evangelie in de gemeenschap met het lichaam van Christus; dit leven is niet aan allen gemeen, maar alleen de uitverkorenen Gods bezitten het.’

De Heidelbergse Catechismus zegt in zondag 21, dat Christus Zich door Woord en Geest een gemeente vergadert, en in zondag 25, dat de Heilige Geest in onze harten het geloof werkt door de verkondiging van het Evangelie.

In de Dordtse Leerregels gaat het in hoofdstuk III/IV, 11 en 12 over de ware bekering en over de wedergeboorte (waarmee hetzelfde bedoeld wordt). Ook daar gaat het over de prediking, maar dat niet alleen, want iets uitvoeriger wordt het werk van de Heilige Geest getekend: Hij verlicht niet alleen hun verstand door de Heilige Geest (…), maar dringt ook tot in hun binnenste door met de krachtige werking van die vernieuwende Geest.

Het laat zich denken waarom men daarom wel heeft onderscheiden tussen de ‘uitwendige’ en de ‘inwendige’ roeping. Niet zo’n geweldige manier van spreken, want gemakkelijk wordt de uitwendige roeping door het evangelie gekwalificeerd als ‘slechts’ uitwendig. Beter is dan te denken aan wat in hetzelfde hoofdstuk van de DL gebeurt, in par. 8 en 10, dat eerst gesproken wordt over de ernstige roeping, en vervolgens over de krachtdadige roeping, die door Gods Geest werkelijk tot nieuwe leven leidt. Je kunt tegenover de krachtdadige roeping niet zo goed van een roeping spreken die ‘slechts’ ernstig is!

Tegenover de ernstige roeping staat het ongeloof des te meer als diepe schuld. Tegenover de krachtdadige roeping beseft het geloof, dat behouden worden niet anders is dan genade.

Laat onze logica dan maar niet kloppend te krijgen zijn, Gods orde mag aanbeden worden. Ondoorgrondelijke genade, dat God bleef en blijft roepen. En dat Hij het altijd meent!

Prof. dr. J.W. Maris is emeritushoogleraar dogmatiek aan de TU Apeldoorn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.