+ Meer informatie

PASTORAAL REKENEN MET DE DUIVEL

12 minuten leestijd

1. Het probleem van herkenning

De vraag

De vraag werd mij gesteld of de duivel uit het pastoraat verdwenen is. Op die vraag heb ik een aarzelend negatief antwoord als het om onze kerken gaat. Wie wat wijder om zich heen kijkt, ziet vormen van speciaal pastoraat waar uitdrukkelijk met de realiteit van de duivel gerekend wordt. In de pastorale opvang van drugsverslaafden, die soms ook te maken hebben met occulte praktijken en invloeden, is men zich vaak wel bewust van wat de duivel soms rechtstreeks kan aanrichten. In het bijzonder heeft men vanuit de pinksterbeweging en de charismatische beweging pastorale methoden ontwikkeld om te bevrijden van de invloeden van de boze. Iemand als dr. W.C. van Dam heeft in een aantal publicaties aandacht gevraagd voor de ‘dienst der bevrijding’, zoals die door hem en anderen werd gepraktiseerd.

Als er onder ‘gereformeerden’ al besef is van de realiteit van duivel en demonen, dan bestaat dikwijls het idee, dat degenen die daar verstand van hebben pinksterbroeders zijn, of charismatische christenen. Daar vind je immers duiveluitdrijvingen en dergelijke. Sommigen weten ook nog dat de Rooms Katholieke Kerk een eeuwenoude praktijk heeft van exorcisme (duiveluitdrijving), waarvoor de liturgische voorschriften in het Rituale Romanum nauwkeurig omschreven zijn. De toepassing daarvan is overigens voorbehouden aan een priester die daarvoor uitdrukkelijk verlof van zijn bisschop heeft. Of in de reformatorische kerken met de duivel gerekend wordt op een manier die recht doet aan de realiteit is de vraag. Misschien roepen we soms te gemakkelijk dat de duivel rondgaat als een briesende leeuw zonder dat we hem echt herkennen in zijn listen (2 Kor. 2:11).

Signalen

Die herkenning is natuurlijk van groot belang. Daarop te wijzen is niet overbodig. De indruk van blinde vlekken onder ons in dit opzicht lijkt grond te hebben. Ik wijs er slechts op, dat de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1971 een in meer hedendaagse taal bewerkte versie van het avondmaalsformulier heeft vastgesteld, waaruit de lijst met ergerlijke zonden uit het klassieke formulier is weggelaten. Naar de reden daarvoor moeten we gissen, want de Acta bevatten noch het rapport van het desbetreffende deputaatschap noch dat van de synodale commissie. Het lijkt echter, dat onze vaderen van dertig jaar terug niet in staat waren, of het niet zinvol achtten, een meer hedendaagse concretisering te geven aan aanduidingen als “afgodendienaars; allen die gestorven heiligen, engelen of andere schepselen aanroepen (..), alle tovenaars en waarzeggers, die vee of mensen, mitsgaders andere dingen zegenen, en die aan zulke zegening geloof hechten..”

Dat concreet spreken over zonde niet alleen bijbels gezien, maar ook uit pastoraal oogpunt van groot belang is, zullen vandaag weinigen ontkennen. Althans, dat hoop ik maar… Dat de aangehaalde aanduidingen juist op het terrein liggen waar de duivel zich sterk maakt, werd en wordt vermoedelijk te weinig gezien. Het gaat hier over de zonden tegen het eerste en het tweede gebod, waarbij inderdaad rekening moet worden gehouden met de aspiraties van satan. Bij deze zonden komt niet alleen het bidden tot Maria en andere heiligen in beeld, maar ook alles wat op het terrein van het spiritisme ligt: het contact zoeken met geesten van overledenen. Veel van onze jongens en meisjes komen met het”ouija-bord”in aanraking, het zogenaamde “glaasje draaien”, waar om boodschappen van overledenen wordt gebeden. Wat is er in de CD-collectie van een aantal te vinden, dat openlijk naar satan lonkt? In de wereld van de alternatieve geneeswijzen is, naast zaken die “neutraal” zijn, ook heel wat te vinden dat onder de categorie toverij of waarzeggerij moet vallen. Het is niet zo moeilijk dat bijvoorbeeld van magnetiseurs en andere paranormaal begaafden aan te wijzen. In het hanteren van het avondmaalsformulier werd echter de actualiteit van deze zonde kennelijk niet herkend, niet door gebruikers van het oude, ook niet van het nieuwe formulier.

Op het feit dat op dit vlak met de realiteit van de duivel te rekenen is kom ik nog terug. Ik geef slechts aan, dat we op blinde vlekken in ons eigen onderscheidingsvermogen moeten letten. De vraag: ‘Is de duivel uit het pastoraat verdwenen?’ kan wellicht beter worden vervangen door de vraag of predikanten en ouderlingen, die geroepen zijn tot pastoraat, wel net als Paulus van de duivel kunnen zeggen: ‘Zijn gedachten zijn ons niet onbekend.’

Niet alles is demonisch

We moeten intussen wel een nuchtere waarschuwing toevoegen. Enerzijds is er wel alle aanleiding om zeer attent te zijn op de duivel. Er staan heel wat waarschuwingen in die richting in Gods Woord. Daarom: voor vruchtbare lezing van het vervolg is het lezen van de bijbelse verwijzingen van belang. We moeten de boze weerstaan (Ef. 6:10–20; Jak. 4:7; 1 Petr. 5:9), hem geen voet geven (Ef. 4:27), ons niet door hem laten verleiden (2 Kor. 11:3vv), en dóórhebben hoe hij zich zelfs, in grote vriendelijkheid, als een engel des lichts voordoet (Matt. 4:1–11; 2 Kor. 11:14).

We dienen in alle pastorale gesprekken wel satan en zonde uit elkaar te houden. Die twee hebben echter veel met elkaar te maken, dat werd in het paradijs al duidelijk. En er is een mate van ongehoorzaamheid aan God de Here die voor Hem gelijk komt te staan met de hoogst ernstige kwalificatie “toverij” en “afgoderij”, zoals bij koning Saul het geval was (1 Sam. 15:23). Van essentieel belang in de pastorale roeping van de kerk is het en blijft het te spreken over zonde, en gerechtigheid en oordeel. Daarvan overtuigen is het werk van de Heilige Geest, maar een pastor mag daarbij worden ingeschakeld (zie Joh. 16:8–15).

Wanneer er reden is over speciale invloeden van de boze te spreken, betekent dat dus niet dat mensen alleen maar slachtoffer zijn. Er zal altijd reden zijn schuld te belijden. Juist wanneer satan op een ernstige manier de relatie met God heeft verstoord en verziekt, zal de weg van concreet schuld belijden nodig zijn (1 Joh. 1:9). Het woord “belijden” bestaat nooit in vaagheden, ook niet in vrome vaagheden. Het zal altijd volstrekt duidelijk zijn waar het over gaat (Ps. 32:5; 51:5vv). Wanneer het over zonden gaat, op welk terrein ook, dan moet dat op een duidelijke manier gebeuren. Ook het belijden moet een duidelijke erkenning zijn, en geen ontwijking. De verontschuldiging ‘De slang heeft mij verleid’ (Gen. 3:13) leidde in het paradijs nergens toe…

2. Satans gedachten

Verband met de zonde

Als we vragen naar de manier waarop de duivel werkt, naar wat karakteristiek is voor zijn strategie, moet gekeken worden naar zijn opzet bij het verleiden van de mens. Zijn toeleg is geweest de mens in opstand te laten komen tegen God, zoals hij zelf ook had gedaan. “Als God zijn” (Gen. 3:5) was precies wat hij zelf beoogde. De leugenaar en de vader der leugenen, zoals Jezus hem noemt (Joh. 8:44) is echter op niets anders uit dan op het kapot maken van de mens. Hij heet immers ook de moordenaar van den beginne (idem). De mens die zich vrij maakt van God, denkt daardoor groot te worden; hij graaft echter zijn eigen graf. In die zin is er verwevenheid tussen satan en zonde, dat in de zonde en de gevolgen daarvan precies uitkomt waar het de boze met de mens om te doen is. De mens raakt God en zichzelf kwijt.

Verband met religie

Satan heeft echter ook een oogmerk, dat op hemzelf is gericht. Door de mens — aangesteld tot onderkoning over Gods schepping — te doen vallen, schept hij ruimte om zichzelf als “overste van deze wereld” te gaan gedragen (Joh. 12:31; 14:30; 16:11). Dank zij onze zonde wordt hij “als God”, en kan hij zich zelfs tegenover de Here Jezus bij de verzoeking in de woestijn met een schijn van recht als de hogere autoriteit doen gelden. Maar in het verlengde van deze motieven ligt satans verlangen naar verering. Opmerkelijk is in heel wat bijbelgedeelten de verbinding tussen de duivel en de afgoderij. Op het hoogtepunt van zijn machtsontplooiing heeft hij zijn doel bereikt: de aanbidding van de draak (Op. 13:4). Al eerder blijkt in de bijbel die verbinding tussen afgodische aanbidding en de boze geesten (Deut. 32:16–17; Ps. 106:36–38; Zach. 13:2; 1 Kor. 10:20–21).

Op dit punt liggen belangrijke aandachtspunten voor het pastoraat. Er zijn terreinen die zonde tegen het eerste gebod meebrengen. En die daarom nog intensiever dan bij andere zonden het geval is, voor de boze een deur openen. Ons afhankelijk maken van zijn macht en van zijn kennis in het bedrijven van afgoderij en waarzeggerij, geeft hem eer en laat hem binnen in ons leven. Slechts een enkel voorbeeld: bij de inwijding in de uit het hindoeïsme stammende ‘Transcendente Meditatie’ wordt een offer van (o.a.) bloemen aan een overleden goeroe gebracht. Bij het zoeken van genezing bij een magnetiseur die — en dat is eerder regel dan uitzondering — met spiritisme te maken heeft, zoeken we hulp bij Gods vijand. Astrologie bedrijven is belijden, dat wij van de “kosmos” afhankelijk zijn in plaats van God, van het schepsel in plaats van de Schepper (Rom 1:25). Hoe kan dat zonder gevolgen blijven voor een mens?

De ernst van deze zonden was voor Israël al duidelijk. Deuteronomium 18:9–14 spreekt duidelijke taal, die op veel andere plaatsen terug komt.

Gevolgen

In het licht van de strategie van de duivel — de moordenaar van den beginne! — zal het zoeken van een door de HERE verboden weg niet zonder gevolgen blijven. Ik wijs op een paar plaatsen in Gods Woord. Jesaja 8:19–22 tekent de benauwdheid en de duisternis van wie God inruilt voor de helper uit de afgrond. Hoe duister was het einde van koning Asa, toen hij in plaats van de HERE heidense, afgodische heelmeesters raadpleegde voor zijn kwaal (2 Kron. 16:11–14). Diep was de nacht voor koning Saul, nadat hij het waarzeggende medium in Endor had geraadpleegd. Een dag later pleegt hij zelfmoord op het slagveld (1 Sam. 28 – 31).

Niet voor niets spot de profeet van de HERE met afgodendienaars en astrologen. In zijn oordeel is duidelijk hoe reddeloos zij zijn als ze zich niet bekeren (o.a. Jes. 47:9–15). Tovenaars en waarzeggers staan onder degenen die in het koninkrijk Gods niet zullen binnengaan (o.a. Op. 21:8; 22:15). Dat zijn de ernstigste gevolgen: een eeuwig oordeel van God.

Maar de psychische en geestelijke gevolgen zijn er ook. Ik volsta met het signaleren van een aantal dingen die de attentie van een pastor moeten trekken als hij ze opmerkt. Iemand vertelt, dat hij boos wordt wanneer gepreekt wordt over Jezus Christus en Die gekruisigd. Iemand kan ternauwernood de vloeken die in hem opkomen binnenhouden. Iemand is zozeer toegesloten voor het evangelie, dat er alleen nog maar gejammer overblijft: ‘Het is toch niet voor mij.’ Iemand kan beslist geen rust vinden voor het gebed. Iemand moet altijd maar aan de dood denken. Soms kunnen ook bepaalde verslavingen, zekere perversiteiten, uitingen van onbeheerstheid, niet kunnen loskomen van bepaalde gewoonten, onverklaarbare depressieve klachten aanleiding vormen aan de invloed van de boze te denken. Ik formuleer met opzet voorzichtig. Denkend vanuit de kennis van de listen van satan, er altijd op gericht mensen, zelfs zijn meest toegewijde dienaren, kapot te maken, is een grote pastorale fijngevoeligheid en voorzichtigheid geboden. Het gaat om zorgvuldige attentie, niet om snelle etiketten. Dat is ook de stijl van de grote Herder der schapen. Hij walst niet over de schapen heen. Hij kent ze.

3. Pastoraal handelen

Bijbels

Pastorale hulp en vermaning zullen geworteld moeten zijn in het Woord. Denkend aan wat hierboven is gezegd over de samenhang tussen onze schuld en de macht van satan, zal er geen hulp zijn zonder nadruk te leggen op de verzoening door Christus. Hij kwam de werken van de duivel verbreken (1 Joh. 3:8). Op Golgota is de vervulling van de moederbelofte gegarandeerd: de kop van de slang vermorzeld. Dan zal belijden en vergeven nodig zijn. Er zullen grondige gesprekken nodig zijn, want de vorst van de duisternis blijft graag verborgen (occult). Wie naar reiniging en bevrijding verlangt, zal echter van overgave weten.

Dat houdt in, dat er niet op een ander terrein een stuk onreinheid en onheiligheid voor de Here wordt achtergehouden. Niet één hand open voor de Here, en de andere op de rug.

Rechtvaardiging en heiliging horen bij elkaar! Er is geen scheiding in Christus (1 Kor. 1:30).

Praktisch

Slechts een paar opmerkingen kan ik nog maken als het over de praktijk gaat. Nuttig is wellicht de opmerking, dat de Here Jezus bij zieken wel de handen oplegde, maar bij gebondenen en bezetenen niet. De charismatische handelwijze is in dit opzicht een verkeerd voorbeeld. Een snelle handoplegging en uitdrijving komt daar dikwijls in de plaats van een zorgvuldig pastoraat. En als er meer aandacht is, gaat die soms uit naar het ondervragen van demonen. Alsof de vader der leugenen een bron van informatie kan zijn.

Van belang is dat de pastor zich zelf voorbereidt voor Gods aangezicht. Dat in zijn eigen hart geen open deuren zijn voor de boze, in onreinheid of hebzucht of welke andere zonde ook.

Heel praktisch is, dat een ernstig pastoraal gesprek waarbij een soort confrontatie met het rijk van de boze plaats vindt, beter niet alleen kan worden aangegaan. Een vertrouwde en geestelijk volwassen broeder, die als een Aäron of een Hur biddend participeert, en de voorbede van enkele vertrouwde anderen (die geen nadere vertrouwelijke informatie hoeven te ontvangen) is van belang. In sommige gevallen is het beter een vertrouwd vrouwelijk gemeentelid mee te nemen dan een mannelijke mede-ouderling.

Praktisch en heel helder moet het doel van de gesprekken zijn. Het gaat om het behoud van een zondaar. Wanneer de pastor met aanvechtingen van de boze te maken krijgt, kan het ook voor hem zwaar zijn; hij zal om Gods bescherming voor zichzelf en ook voor zijn gezin bidden. Maar het perspectief is evangelisch! Zo ruim als Gods beloften. Laat er de realiteit van zonde zijn, en van de macht van de boze die een mens gevangen kan houden in diepe nood, er is ook de nog veel grotere realiteit van ‘Gij omringt mij met jubelzangen van bevrijding.’ (Ps 32:7)

Een uitvoeriger tekening van deze verbinding en van de strategie van de boze dan hier mogelijk is gaf ik in een paar artikelen in De Wekker, jaargang 109 (2000), nr. 48, 49 en 50.

Prof. dr. J.W. Maris is hoogleraar dogmatische vakken aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn.

Onderstaand artikel werd recent gepubliceerd in De Wekker. Voor die lezers van Ambtelijk Contact die het niet eerder onder ogen kregen, is het wellicht interessant er kennis van te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.