+ Meer informatie

AANHOREN, MEEPRATEN OF TEGENSPREKEN?

9 minuten leestijd

Maar zelden zal een huisbezoek worden afgelegd waarbij niet op één of andere manier de prediking ter sprake komt. In de traditie van het huisbezoek vormt de vraag naar de zegen op en het nut van de prediking een standaardvraag. Mijn persoonlijke ervaring is - en wellicht ook van veel anderen - dat een gesprek over de zondagse Woordbediening (ik gebruik met opzet deze wat ouderwetse aanduiding) gevaar loopt te blijven hangen in het informeren naar het waardeoordeel van de gemeente over de prediking. De standaardvraag naar de prediking krijgt dikwijls standaardant-woorden. ”Ja hoor, we hebben een fijne dominee. Met genoegen gaan we zondags naar de kerk. Hij boeit zo hè? ’t Is elke keer weer nieuw. Waar haalt hij het vandaan, denken we wel eens. En ook de kinderen vinden het helemaal niet erg om twee keer mee te gaan. Nee hoor, wat ons betreft mag hij nog heel lang hier blijven.” Huisbezoekers noteren zo’n positieve reactie graag en ter bemoediging van de predikant wordt zij bij het rapport in de kerkeraadsvergadering met even veel genoegen weergegeven.

Algemene vraag

Als een gesprek over de prediking niet verder komt dan een algemene vraag naar het waardeoordeel van en een algemeen antwoord daarop van de bezochte gemeenteleden, heeft dat niet zoveel betekenis. Als het goed is reikt zo’n gesprek dieper. De zegen van de kerkgang wordt niet alleen of allereerst bepaald door het met genoegen kunnen luisteren, doordat de boodschap boeiend en misschien zelfs prikkelend wordt gebracht. Bepalend is of men er echt vreugde aan mag beleven, doordat men ervaart dat de prediking in het leven van elke dag en in de moeiten waarmee dat leven is omgeven, houvast biedt, richting wijst, troostend of vermanend; of men in de verkondiging de stem van de Here God hoort doorklinken en of men mag ondervinden dat het zicht op de grote geloofsgeheimenissen die in de verkondiging aan de orde komen, wordt verdiept en verrijkt. En als daarop dan in positieve zin kan worden geantwoord, is dat iets om dankbaar voor te zijn.

”Ik kan niet zeggen dat ik er veel aan heb”

Maar huisbezoek doende ambtsdragers ontmoeten ook mensen, die met de prediking in de gemeente waartoe zij behoren, minder of helemaal niet gelukkig zijn. ”Ik kan niet zeggen dat ik er veel aan heb”, is een uitlating die meer dan eens wordt gehoord. Te behoudend, te modern, te strak, te weinig Evangelisch, de volle waarheid komt niet tot zijn recht, weinig origineel, veel te beschouwend, saai, ouderwets woordgebruik, niet beeldend genoeg, aan het begin weet je al wat aan het eind zal worden gezegd, het zijn even zovele kwalificaties waarmee malcontente kerkgangers hun oordeel over de prediking geven. In veel gevallen blijkt dat men van zijn of haar ontevredenheid tegenover de voorganger(s) zelf nog geen enkele biijk heeft gegeven of het zou moeten zijn door een frequente absentie in de eigen samenkomsten, die door de pastor natuurlijk niet onopgemerkt is gebleven. Nu er dan tóch huisbezoek komt, maakt men graag van de gelegenheid gebruik van de kritiek die men heeft, iets te laten blijken.

”De prediking is goed en daarmee uit”

Wat staat broeders ambtsdragers, die op deze kritiek stuiten, te doen? Meepraten? Dat gebeurt, heel voorzichtig en soms heel openlijk. ”Ja, ik kan mij uw bezwaren wel een beetje voorstellen, zelf heb ik ze eerlijk gezegd ook een beetje” is een reactie die niet zeldzaam is. En misschien is men in die reactie soms ook wel eerlijk.

Men herkent zichzelf soms in de klachten die bezochte broeders en zusters uiten, en men vindt het dan moeilijk te doen alsof men er zelf anders over denkt. In alle voorzichtigheid valt men de kritiek dus maar een beetje bij.

Een andere reactie is die van het zonder commentaar laten van de kritische opmerkingen, het niets terugzeggen. Ook dàt gebeurt. Soms gebeurt dat op de manier van eroverheen of erlangsheen praten. Er wordt dan niet rechtstreeks op de kritiek ingegaan, maar men probeert er - soms heel handig - met wat algemene opmerkingen omheen te praten. In zekere zin is dat de gemakkelijkste manier.

De kritiek die men hoort wordt handig ”onder het vloerkleed geveegd” en zo ontkomt men er aan tegengas te moeten geven en ontgaat men de plicht er bij de rapportage in de kerkeraadsvergadering verslag van te doen.

Een derde manier van reageren is de kritiek, gerechtvaardigd of onterecht, zonder meer afwijzen. De prediking is goed en daarmee uit.”Men kan misschien wel eens een beetje meer van het ene en wat minder van het andere willen, maar wat u vertelt horen we nergens anders, dus moet het aan u zelf liggen”, ook met dàt argument wordt wel eens op kritiek ingegaan.

Meest verantwoorde opstelling

Ik wil graag een poging doen aan te geven wat bij kritiek van de gemeente op de prediking de meest verantwoorde opstelling van de ambtsdragers is. Om die te kunnen kiezen, is allereerst nodig dat men als ouderling, belast met het toezicht op de prediking, zelf een goed oordeel heeft over de vraag of in de zondagse prediking van de eigen predikant, als het op de inhoudelijkheid aankomt, het hart van het Evangelie en de essentiële noties van het geloof in en het leven met de Here God doorklinken en of deze dingen in herkenbare woorden en gericht op de praktijk van het leven aan de gemeente worden voorgehouden. Dat oordeel kan men zich persoonlijk vormen maar men kan er ook als kerkeraad in zijn geheel een gedachte over hebben. Van het laatste behoort eigenlijk sprake te zijn. Gelukkig de kerkeraad die in zijn vergaderingen van tijd tot tijd de prediking op de agenda heeft staan om samen met de predikant na te denken over de vraag of de boodschap van Gods heil voor mens en wereld, in haar volle breedte en diepte in de zondagse samenkomsten aan de orde komt. En het is om dankbaar voor te zijn als de predikant daarin zelf spontaan meedenkt, ontvankelijkheid toont voor gedachten en suggesties die onder de zegen van de Here God tot een beter verstaan door en een verdiept inzicht bij de gemeente kunnen leiden. Door daarmee als ambtsdragers regelmatig samen bezig te zijn, rust men zichzelf en elkaar toe om op de juiste manier met de gemeente op huisbezoek over de zondagse verkondiging na te denken.

Een tweede voorwaarde is dat men in alle gesprekken over de prediking de boodschap in deze zin los van de boodschapper ziet, dat niet al te veel het menselijke in de beoordeling meespeelt. Natuurlijk, in de verkondigers hebben we te maken met mensen van vlees en bloed, die naar eigen karakter, opvoeding, ontwikkeling en zelf verworven inzichten de zondagse verkondiging met eigen persoonlijke dingen aanlengen, maar primair gaat het om een weging van het hart van de boodschap bij het licht van Schrift en confessie. Wie in de beoordeling van prediking te veel laat meespreken wat de prediker persoonlijk kenmerkt, is op een verkeerd niveau bezig. Dat maakt het spreken over de verkondiging al te menselijk en het onttrekt aan de prediking het gezag waarmee het elke zondag tot de gemeente bedoelt te komen.

Dat gezag wordt bepaald door de vraag of de door een mens bedachte woorden en zinnen, werkelijk de geest van het Evangelie ademen, waardoor voor de gemeente duidelijk wordt dat in die menselijke woorden Gods stem doorklinkt.

Toetsing van principiële kritiek

Welnu, als ambtsdragers op huisbezoek in dit alles duidelijkheid voor zich zelf hebben, plaatst dat hen in de juiste positie om naar eventuele kritiek vanuit de gemeente te luisteren. Zij kunnen die kritiek dan op juiste waarde schatten, de argumenten waarmee die kritiek wordt onderbouwd, eerlijk wegen, ongerechtvaardigde kritiek ter plekke weerleggen en dingen die overweging verdienen, aanhoren en meenemen naar de kerkeraadsvergaderingen om in de broederkring besproken te worden. Het moeilijkst is de toetsing van principiële kritiek, kritiek die het schriftuurlijk/confessionele gehalte van de prediking raakt en kritiek die ontevredenheid en ongenoegen uitdrukt over het ontbreken van een praktische spits naar het leven van de hoorders toe. Al naar de geestelijke ligging van mensen verschilt, kiest men voor de beoordeling van de prediking verschillende uitgangspunten en het is voor ambtsdragers maar wat moeilijk om daarbij met wijsheid en onderscheidingsvermogen aan te voelen voor welke kritiek men zich ontvankelijk moet tonen en wat met beslistheid als niet ontvankelijk moet worden afgewezen. In kritiek op de prediking zitten dikwijls veel subjectieve elementen. Men hoeft daaraan als ambtsdrager overigens niet voorbij te zien. Elk mens benadert de dingen vanuit zijn of haar eigen denk- en leefwereld en dat heeft men in beginsel te respecteren. Maar de legitimiteit van verlangen en bezwaren met betrekking tot de prediking, dienen wel te worden getoetst aan de Heilige Schrift en aan wat de belijdenis daaromheen zegt. Kennis dáárvan is voor een ambtsdrager daarom onontbeerlijk. En soms komen dingen naar voren die helemaal niet van principiële aard zijn. Om enkele voorbeelden te noemen. In de gemeente van Christus is het bevattingsvermogen niet bij alle leden even groot. Er zijn altijd mensen voor wie, bijvoorbeeld in de leerdienst, de dingen niet altijd even gemakkelijk verteerbaar zijn. Jonge mensen willen nog wel eens komen met de klacht dat de preken in hun gevoel ver afstaan van de werkelijkheid van het leven zoals zij die ervaren. Het valt hun zogezegd moeilijk zondags relatie tussen die twee te zien. Dat te weinig lijnen naar het leven van elke dag worden getrokken, kan overigens ook een klacht van ouderen zijn. Een klacht kan ook zijn dat de prediking te veel aan indringende levensvragen van onze tijd voorbijgaat. Er zou meer te noemen zijn. Dingen als deze kunnen in alle rust worden doorgesproken en wat reëel is of lijkt, moet vervolg krijgen door het met de predikant te bespreken, die er - voorzover dat in zijn vermogen ligt - het zijne mee zal willen doen.

Achter de predikant blijven staan

Wat van dit alles zij, één ding moet voor ouderlingen op huisbezoek in het gesprek over de prediking vaststaan: welke kritiek er ook op hen afkomt, terecht of onterecht, zij moeten uit respect voor het heilige ambt dat hij waarneemt en met het oog op het gezag waarmee de Here God zijn dienaren het Woord laat verkondigen, tot elke prijs achter de predikant blijven staan. Ook als er fundamentele en op het eerste gehoor terechte kritiek wordt geleverd? Ook dan, want als die kritiek terecht is, treft die óók de ambtsdragers zelf. Vanuit de hen opgelegde plicht op de prediking toe te zien, hadden zij zelf al eerder dienen te hebben onderkend wat er aan schort en zij hadden dat al eerder tot onderwerp van bespreking moeten maken.

Over de prediking wordt in kerkeraadsvergaderingen veel te weinig gesproken. Ook ná de zondagse samenkomsten wordt in veel kerkeraadskamers maar zelden iets gezegd. Nog maar kort geleden vertrouwde een gastpredikant mij toe het een zegen te vinden als er na de dienst eens iets tot bemoediging, aanvulling of desnoods als correctie wordt gezegd. In eigen gemeente maakte hij dit nooit mee. Er openlijk over praten, zich samen broederlijk bezinnen op de vraag wat de uitwerking van de prediking in de gemeente mag zijn, wat misschien in de geestelijke ontwikkeling van de gemeente extra accent behoeft, het is heilzaam naar alle kanten en het voorkomt kerkelijke moeiten en conflic-ten, die niet zelden hun wortel hebben in verschil van mening over de prediking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.