+ Meer informatie

KERKREGERING III

5 minuten leestijd

De vorige maal hebben wij iets gezegd over de onmisbaarheid en het grote belang van een goede, op Gods Woord gegronde. kerkregering.

Wij begirnen thans met er op te wiizen. dat wij in de Heilige Schrift de grondregels voor de regering der kerk vinden. Het is natuurlijk niet zo, dat we in de Bijbel een uitgewerkte kerkorde aantreffen met een bepaald aantal artikelen, maar het is wel zo, dat de beginselen, waarnaar de kerk geregeerd moet worden, duidelijk in de Schrift worden aangegeven. Na ernstige Schriftstudie, waarbij vooral Calvijn met grote ere moet worden genoemd, hebben onze vaderen een samenstel van kerkelijke regels ontworpen. dat wij de Kerkorde noemen. Dat hebben de gereformeerde vaderen in al de landen gedaan. waar de beginselen van de reformatie van Calvijn ingang vonden. in Frankrijk, in Nederland. in Schotland, enz. En nu zijn er zeker tussen deze Kerkorden allerlei verschillen aan te wijzen, maar in de beginselen zijn ze volledig met elkaar in overeenstemming: in de practische uitwerking en in allerlei zaken, de practijk van het leven rakende, gaan deze kerkorden dikwijls eigen wegen. Ik mag hier misschien wel even aanhalen, wat ik in het Jaarboek onzer kerken voor 1962 schreef: „Een deel van deze regels hebben de kerken van gereformeerde belijdenis in ons land rechtstreeks aan Gods Woord ontleend, bijv. dat er ambtsdragers moeten zijn, dat deze ambtsdragers gekozen moeten worden, dat de armen moeten worden verzorgd. dat het Woord en de Sacramenten moeten worden bediend, dat er tucht moet worden qeoefend, enz. Een ander deel van deze regels heeft men vastgesteld hetzij op grond van practische noodzakelijkheid of wenselijkheid. bijv. de bepalingen omtrent de diensttijd der ambtsdragers, het tweemaal samenkomen op de dag des Heren, de viering van de feestdagen en het houden van bid- en dankdagen. de catechismusprediking, enz.”

De rechtstreeks aan de Schrift ontleende bepalingen mogen nimmer worden opgeheven of veranderd. De andere regelingen mogen, als het belang der kerk dit eist, natuurlijk wel veranderd worden. Maar omdat het samenstel van regelingen, d.w.z. de Kerkorden, het eigendom is van alle kerken, die in verband met elkander leven, mag deze verandering alleen maar geschieden door de generale synode, d.w.z. door al de kerken saam, nooit door een kerkeraad of classis of particuliere synode, laat staan door een predikant of een andere ambtsdrager.

Het spreekt nu verder vanzelf, dat zij, die van Godswege de taak hebben ontvangen om de kerk te regeren, goed op de hoogte moeten zijn met de geldende regels, zoals die in de Kerkorde en in synodale bepalingen zijn vastgelegd. Dit is zo duidelijk, dat nadere toelichting overbodig moet heten. Ieder begrijpt, om er toch nog even iets van te zeggen, dat men om een land, een provincie, een burgerlijke gemeente te kunnen regeren, kennis moet hebben van de burgerlijke wetten, en zo kan ook ieder wel begrijpen, dat men om de kerk te regeren de kerkelijke wetten, om ze nu zo maar eens te noemen, moet kennen. ledere ambtsdrager heeft deze kennis nodig. Dit geldt beslist niet alleen voor de predikanten, dit geldt evenzeer van de andere ambtsdragers, inzonderheid van de ouderlingen. Dit willen we heel sterk benadrukken. Het is volkomen fout, als ouderlingen en diakenen denken of zeggen: „De dominee heeft in deze dingen gestudeerd, die zal het wel weten; wij zullen ons daar maar niet druk mee maken.” Neen, ook de andere ambtsdragers moeten zich hun verantwoordelijkheid goed bewust zijn. Zij mogen de verantwoordelijkheid, die God hun gegeven heeft, en die zij bij de beantwoording van de vragen van het bevestigingsformulier op zich genemen hebben, niet van zich afschuiven. En daarom dienen zij studie te maken van de kerkregering, om welbewust beslissingen te kunnen nemen overeenkomstig de regels van het kerkrecht. Onze gereformeerde vaderen hebben dan ook altijd zeer sterk op deze studie van het kerkrecht aangedrongen en wij kunnen hen hierin volkomen bijvallen. Sommigen wilden zelfs de gekozen ouderlingen examineren! Ik herinner hier aan wat de bekende Willem Teellinck schreef in zijn Noodtwendigh Vertoogh, Aengaende den tegenwoordighen bedroefden Staet, van Gods volck, Ter Goes. 1647, blz. 312: … want het oock de wijse onder ons niet en is, de persoonen, diemen tot Ouderlingen, oft Diaconen verkiest, tot eenigh byzonder examen te roepen, over hare wetenschap, gheestelijeke kennisse der waerheydt. ende behendigheydt in het beleyt der saken, al-hoe-wel den Apostel sulex oock schijnt te vereyschen, 1 Tim. 3 vers 10”. En wat de niet minder bekende Jacobus Koelman schijft in zijn Het ambt en de pligten der ouderlingen en diakenen, blz. 79: De beproeving van de verkozene Ouderlingen moet geschieden door den Leraar en het Ouderlingschap van de Gemeente, of in geval dat die ontbreken, door de Classis. En zij moeten beproefd worden, beide in opzigt van hunnen wandel, dat die onopsprakelijk en heilig zij, en ook in opzigt van hunnen kennis en ervarenheid in de dingen Gods, en van de bezigheden van zijn Huis, en van hunne bekwaamheid en geschiktheid tot de regering.” Koelman erkent, dat dit niet veel in gebruik is geweest in de kerk, maar zodeende zijn er vele onwetenden en ongeschikten en onbekwamen ingekomen, zoals hij zegt.

We laten deze zaak nu verder rusten, maar benadrukken nogmaals de noodzakelijkheid van ernstige studie van de kerkregering, tot heil van Gods kerk en daardoor tot eer van Gods Naam. In een volgend artikeitje kunnen we dan misschien iets zeggen over de wijze waarop dit het best kan gebeuren. om daarna enkele practische zaken van kerkregering aan de orde te stellen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.