+ Meer informatie

Minderheden moeten huwelijk sluiten naar eigen culturele normenpatroon

Weduwe Simon Vestdijk pleit in dissertatie voor interreligieus recht

4 minuten leestijd

UTRECHT - Erkenning van het religieus recht van minderheden, met name om hun huwelijken naar eigen normen te sluiten, is wenselijk. Dat stelt drs. A. C. M. Vestdijk-van der Hoeven in het proefschrift "Religieus recht en minderheden" waarop zij vandaag in Utrecht promoveert. Het huwelijks- en echtscheidingsrecht van de religieuze minderheidsgroeperingen in Nederland moet daarom gelijkgesteld worden aan het civiele huwelijks- en echtscheidingsrecht. Dat vereist weliswaar een aanpassing van onze civiele rechtsorde, maar is zeker niet onmogelijk, aldus haar conclusie.

De promovendus, weduwe van de schrijver Simon Vestdijk, voert een pleidooi voor rechtspluralisme. Een pluralistisch rechtsstelsel zou volgens haar ten goede komen aan de Nederlandse rechtsorde en ook de integratie van de allochtone bevolkingsgroepen bevorderen.

Mevrouw Vestdijk schenkt in haar onderzoek aandacht aan de rooms-katholieke, protestantse, joodse, islamitische en hindoestaanse rechtsstelsels ten aanzien van huwelijksrecht c.q. echtscheidingsrecht. In de huidige rechtspraktijk is een joods, hindoestaans of islamitisch huwelijk niet rechtsgeldig en moeten deze groepen dus tweemaal trouwen. Mevrouw Vestdijk pleit daarom voor aanpassing van de rechtsorde aan dit religieuze recht van deze minderheden.

Gescheiden

De promovenda wijst erop dat sinds 1796, de stichting van de Bataafse Republiek, kerk en staat gescheiden zijn. Sindsdien is er ook een centrale rechtsorde gegroeid, een eenheidsstaat met een centraal gezag. In de loop van de negentiende eeuw kwamen de eerste wetboeken tot stand. Mevrouw Vestdijk constateert dat veel christelijke normen een plaats hebben gevonden in de overheidswetgeving. Maar de maatschappelijke situatie is de laatste decennia volgens haar veranderd, doordat steeds meer niet-christelijke groeperingen een plaats krijgen in de samenleving. Mevrouw Vestdijk bestrijdt de gedachte dat het privaatrechtelijk georiënteerde huwelijks- en echtscheidingsrecht gerekend moet worden tot 'de openbare orde'. Men moet de christelijke grondslagen van ons recht (die niet noodzakelijk zijn voor handhaving van de rechtsorde) volgens haar onderscheiden van de fundamentele waarden die voor alle delen van de bevolking gelden. Daarbij kan het religieuze recht van minderheden erkend worden zonder dat de rechtsorde wezenlijk wordt aangetast, aldus een van haar belangrijkste conclusies.

Haken en ogen

Mevrouw Vestdijk erkent dat de aanpassing van het recht van minderheden best haken en ogen hééft. Dat blijkt uit haar onderzoek van de diverse religieuze rechtsstelsels van rooms-katholieke, protestants-christelijke, joodse, islamitische en hindoestaanse opvattingen over huwelijk en echtscheiding. Erkenning van het joodse en het canonieke (rooms-katholieke) huwelijk heeft de minste consequenties voor het civiele recht.

Wat het islamitische huwelijk betreft zou men aan de eis van monogamie nadrukkelijk moeten vasthouden. Bij de hindoestanen is er slechts een aanvulling met administratiefrechtelijke voorschriften nodig.

Met betrekking tot echtscheiding is er echter meer aanpassing nodig. Dat geldt vooral voor joden en moslims.

Daar hebben vrouwen blijkbaar minder rechten dan in ons civiele echtscheidingsrecht. Vestdijk wijst er terecht op dat de oorzaak hiervan ligt in het feit dat ons civiele echtscheidingsrecht meer geseculariseerd is dan ons huwelijksrecht. Juist omdat ons echtscheidingsrecht in dit opzicht beïnvloed is door maatschappelijke opvattingen in de laatste decennia, is het extra moeilijk om tot erkenning te komen van joodse en islamitische huwelijksontbindingswijzen, aldus mevrouw Vestdijk.

Projectie

Mevrouw Vestdijk is beïnvloed door de opvattingen van haar overleden echtgenoot, die leerde dat het verschijnsel religie een zaak is van menselijke projectie. Zowel recht als religie verklaart de promovendus vanuit de sterke drang in de mens naar ordening. „Het streven naar de natuurlijk-volmaakte mens, het zoeken naar de religieuze ervaring en bevrediging, komt voort uit de mens zelf'. Ook de betekenis van hemel, hel en laatste oordeel in het christendom verklaart mevrouw Vestdijk als beïnvloed door jodendom en mythologie van de oude wereld.

Op basis van het non-discriminatoire beginsel van de grondwet, neergelegd in de nieuwe versie van 1983, is het volgens de promovenda niet juist te stellen dat men ook religieuze minderheden zou moeten verplichten tot het houden van de wetten van onze rechtsorde. Zij pleit daarom voor een „interreligieus recht". Een pluralistisch rechtsstelsel zou ervoor moeten zorgen dat de minderheidsgroepen niet buiten onze rechtorde verkeren maar werkelijk geïntegreerd worden. Met handhaving van de eisen van de openbare orde en de rechtszekerheid is erkenning van dit religieuze recht van minderheden zeer wel mogelijk, aldus haar pleidooi.

Het proefschrift is uitgegeven door Gouda Quint te Arnhem, telt 338 bladzijden en kost 72,50 gulden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.