+ Meer informatie

Overwinnen beërven !

9 minuten leestijd

Die overwint, zal alles beërven. (Openbaring 21 : 7)

Vrijwel algemeen verbreid is de overlevering, dat Johannes op hoge leeftijd een natuurlijke dood is gestorven. Hetgeen Tertullianus plm. 200 verhaalt dat Johannes om zijn belijdenis in kokende olie gedompeld zou zijn, zonder er schade van de ondervinden, is een legende, waarvan de oorsprong niet vast te stellen is. Vaster komt te staan, dat de wreedheid van Domitianus hem naar het ruwe en rotsachtige eiland heeft verbannen. Deze verbanning moet plm. 98 plaats gehad hebben, tijdens de regering van Domitianus, de eerste Keizer, die een vervolging tegen de Christenen buiten Rome instelde.

Maar heeft de banvloek ook de zilveren schedel getroffen, hij heeft het sterke hart van Johannes niet doen breken. En is hij om het woord van God en de getuigenis van Jezus Christus aan zijn liefhebbende gemeente onttrokken, de gemeenschap met de Heere, de hoge vreugde van zijn leven, blijft. Onverbrekelijk is de band, die Johannes met Jezus verbindt. Weldra zal de verheerlijkte Jezus zelf, die nog nauwer en inniger vastsnoeren. Welk een diepe weg. Wat zal die Godsgezant wellicht dikwijls bedroefd zijn geweest, dat hij in zijn laatste dagen schier tot werkeloosheid was gedoemd, en niet zoals vroeger, omringd van scharen volks en met vuur kon getuigen van de verborgenheid der Godzaligheid, van dat heil voor schuldige zondaren, hetwelk er is in Christus Jezus. Doch de Heere keurde in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, iets anders, beter en nuttiger voor hem, want hoe zou hij hebben kunnen denken, welk een zalig voorrecht hem door God was weggelegd, en welke openbaring Gods hem zou bekend gemaakt worden. Hier mogen wij wel uitroepen: „O diepten des rijkdoms beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijne oordelen en onnaspeurlijk Zijne wegen.

Hoe merkt men op dat de Heere ook Zijn volk leidt naar Zijn eeuwige Raad, en wel door zulk een weg, waar God in verheerlijkt wordt en hun profijtelijk is. De oefeningen die God met Zijn volk houdt, worden in de diepte geleerd en Hij leidt Zijn kerk door de afgronden heen.

Johannes dan op het eiland Patmos, zijnde in de geest op de dag des Heeren. Ziet daar hoort hij achter zich een indrukwekkende stem, als de toon van een bazuin, zeggende: „Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en laatste. Verbaasd en ontsteld op het zo geheel onverwacht horen dezer woorden, niet wetende vanwaar zij kwamen en wie ze sprak, keert hij zich om; maar wie beschrijft nu zijn ten top geklommen ontroering?

Wat aanschouwt hij daar? Zeven gouden kandelaren en in het midden daarvan een gestalte van een heerlijk persoon. Majesteit en heerlijkheid bedekte geheel Zijn wezen. Wie mag dat zijn? Een zijner medemensen is het niet, want een bovennatuurlijke glans schittert van Hem af.

Het is de Zoon des Mensen, het is de Koning van het heelal. Daar valt Johannes aan Zijn voeten. Doch Christus legt de rechterhand op hem en zegt tot hem: „Vreest niet, Ik ben de eerste en de laatste. „Dat is, van eeuwigheid, eenswezens met de Vader en Hij blijft dezelfde tot in eeuwigheid. Die leeft, dat is naar Zijn Godheid. Ik ben dood geweest, dat is, naar Zijn menselijke natuur, terwijl Hij nu tot in der eeuwigheid naar beide leeft. Ik heb de sleutels der hel en des doods, dat is de macht om u van dood en hel te verlossen, en de vijanden daarin te werpen.

Wat een weldaad voor Johannes. Hij die hem van het visnet geroepen had, die hij als lijdende, stervende, opgestane en naar de hemel varende Borg en Middelaar had leren kennen, mag hij nu als de verheerlijkte Koning aanschouwen. Ja zulk een, Die de voorbidder bij do Vader voor Zijn volk bevonden wordt. Welgelukzalig dat volk, die Hem zo mag leren kennen.

In dit hoofdstuk ziet Johannes een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, met het nieuwe Jeruzalem, versierd als Christus' bruid. Hij hoort een stem uit de hemel waardoor God belooft, dat IIij hun God zal zijn en alle tranen van hun ogen afwissen. Deze stem roept Hem ook toe, hun de erfenis te zullen geven. Niet alleen die strijdt, maar die overwint zal alles beërven. Ook staat er niet, die overwonnen heeft, maar die overwint. Dus hier wordt een strijdperk getekend. In Psalm 89 wordt gesproken van een strijdperk in dit leven. Welke vijanden heeft nu de kerk des Heeren op aarde? De wereld, satan en het verdorven vlees. Paulus getuigt: „Het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees". Elk kind des Heeren heeft zijn eigen strijd. Hoe menigmaal is het in hun hart „In mij is geen kracht tegen zulk een grote menigte." Zullen ze nog volharden? Immers die alleen zullen za-

lig worden. Hoe zuchten zij als ze lezen: Zijt getrouw tot der dood en Ik zal u geven de Kroon des Levens. Wat een tormenten komen op de ziel aan. „Zijn listen zegt Paulus, „zijn ons niet onbekend". De strijd van het volk des Ileeren begint, wanneer Zijn Geest in de ziel komt te werken, maar zal ook doorgaan tot het einde toe. Het is een ellendig en een arm volk, een geplukt, geplunderd en bestreden volk. De satan schiet zijn pijlen op hen af. Hoe spant de wereld zijn strikken en netten uit, om dat volk er in te vangen. Om niet te spreken van David, die in de strik gevangen werd, van Noach, enz.

Maar ook Lot die de vlakte van Sodoin kwam te kiezen, heeft dat moeten ervaren. Toch is het een volk dat wel eens iets van die overwinning inleeft en dat tegen alle listen, haat en verdorvenheden.

Niet in eigen kracht, maar in Hem, die de dood verslonden heeft tot overwinning. Hij heeft de dood teniet gedaan, degene die het geweld des doods had, dat is de duivel. Hiertoe is de Zone Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. Als wij in eigen kracht tegen de zonde willen worstelen, weet de satan zeer goed, dat hij zich te slapen kan leggen, maar in Hem zijn ze meer dan overwinnaar.

Dan was Jakob bedekt voor de toorn van Ezau. De jongelingen wandelden in de oven. Daniël kon geen kwaad overkomen in de kuil. Dewijl Petrus bevrijd werd uit de gevangenis, en de heilige Engelen Eliza beschermden tegen de macht der Syriërs. Jeremia roept uit, Hoofdstuk 16 : 19, „O Heere Gij zijt mijn Sterkte", en Jesaja in Hoofdstuk 12 : 2 „Ik zal vertrouwen en niet vrezen.". Daarom roept de Engel tot Johannes: Vreest niet, want de leeuw uit de stam van Juda heeft overwonnen."

Door het geloof wordt de wereld overwonnen. Leest Hebreën 11.

Wat een weldaad om niet alleen zulk een toevlucht te kennen, maar ook een toevlucht te mogen hebben tot Hem, die een verberging is tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed.

Ook leest men het tegendeel in het Goddelijke woord. Judas en Achitofel worden door een boze geest uit de hel gedreven en verhingen zich. Kaïn wordt gekweld en Saul valt in zijn eigen zwaard. Doch David vervolgd en hij draagt het. Job door zijn vrienden verzocht en hij bezwijkt niet, de apostelen in de kerker geworpen en zij verblijden zich. Christus wordt in de woestijn verzocht en Hij wederstaat de duivel. Nu kan dat volk overwinnen en dat alles in Hem, die zich voor hen overgaf. Wie zal de liefde verklaren, als het Sion Gods daar eens ingeleid wordt. Door duizenden beschreven, maar door niemand naar waarde doorgrond. Om de breedte, de diepte, de lengte en de hoogte van Christus liefde te begrijpen, moeten wij eerst de maat nemen van onze zonden. Is Christus door lijden tot heerlijkheid ingegaan, zo zal het volk ook door lijden ingaan in de eeuwige zaligheid. Zo zegt de tekst: Die overwint, zal alles beërven". Niet veel, maar alles. Ezau zei: Ik heb veel". Jacob: Ik heb alles". Dat alles, is de volheid van geestelijke en eeuwige goederen, naar ziel en lichaam beide. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen Gods. Zij nu kinderen en erfgenamen zijnde, zo is hun erfenis God zelf. „Ik zal hen tot een God zijn." Gods heilgoederen welke in de schoot Zijner algenoegzaamheid opgesloten liggen. „Ik zal hun geven de gewisse weldadigheden Davids. Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven". Gelijk God hen van eeuwigheid veror^ dineerd heeft tot aanneming tot kinderen. (Efeze 1 : 5). Nu had Hij tegelijk in het eeuwige testament, hen tot erfgenamen aangesteld. Hun namen waren in de hemel in het boek des Levens geschreven. Paulus schrijft in Coloss. 1 : 12, Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht. En Petrus in 1 Petrus 1 : 3—4, Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. Hier worden alle verdiensten uitgesloten. Want wat ze in de heerlijkheid zullen ontvangen, hoezeer ook verband houdende met hetgeen ze deden en waren op aarde, is geen vrucht van hun strijd. Maar zij zullen het beërven, d.w.z. het wordt hen gegeven, zonder dat ze er iets aan kunnen toebrengen. Gelijk ze niet overwonnen hebben in eigen kracht zo zullen zij die erfenis deelachtig worden door Hem, die door Zijn Borgwerk hun die weldaden doet beërven.

Mogen zij hier wel eens iets van die erfenis inleven, de volle erfenis zullen zij echter hiernamaals verkrijgen.

Dan zal Christus van de Troon Zijner heerlijkheid zeggen: „Komt in gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van voor de grondlegging der wereld."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.