+ Meer informatie

Bijbelse lijnen voor kerk en samenleving

51 minuten leestijd

Inleiding

De vraag naar de taak, die christenen in de samenleving hebben te vervullen, is in de wereld van vandaag klemmend geworden. Steeds duidelijker wordt het, dat onze maatschappij geen christelijk karakter (meer) draagt. Een beroep op de norm van Gods Woord is bij de wetgeving in ons land nauwelijks meer een factor die meetelt. Wie pleit voor een christelijke samenleving komt daarmee feitelijk in de hoek van een machteloze minderheid terecht.

Daartegenover wordt het verschijnsel steeds sterker, dat vanuit de kerken en de theologische wetenschap met grote nadruk wordt gestreefd naar beïnvloeding en verandering van de samenleving. Een kerk, die in haar denken en handelen niet op de wereld is gericht, op de verhoudingen tussen mensen en groepen en belangen, een kerk, die zich in de prediking alleen bezig houdt met de ziel en de zaligheid van haar leden, en die in haar optreden naar buiten slechts „zielen” zoekt te winnen, — zo’n kerk mist de aansluiting met het heden waarin wij leven, zegt men.

Zo is enerzijds de maatschappij niet of nauwelijks meer open voor het evangelie, en zijn anderzijds de kerken zeer open voor de samenleving.

Het schijnt, dat deze twee feiten met elkaar moeten strijden. Voor velen blijkt dat niet zo te zijn.

En dat heeft daarmee te maken, dat lang niet voor iedereen het woord „christelijk” dezelfde betekenis heeft. Velen vinden het niet noodzakelijk, dat de heerschappij van Jezus Christus wordt erkend of geloofd, wil er sprake zijn van „christelijk”.

Als de kerk eraan bijdraagt, dat de samenleving „menselijk(er)” wordt, is voor veel theologen en andere kerkleden tenvolle aan de roeping van de kerk en de christenen voldaan.

Tegen deze achtergrond hebben de opstellers van dit geschrift gezocht naar de aanwijzingen van de bijbel met betrekking tot de vragen van kerk en samenleving. Want die moeten worden doordacht en doorlicht.

In dit stuk gaat het om de principiële lijnen. Hoe dit alles in de diverse samenlevingsverbanden praktisch geconcretiseerd dient te worden, zal opnieuw een stuk bezinning vragen.

Hier vindt U in elk geval een aantal grondlijnen, verdeeld over de volgende hoofdstukken:

1. Kan en moet het heil in Christus gestalte krijgen in de samenlevingsverbanden van deze wereld?

2. Het Koninkrijk van God en deze wereld.

3. De betekenis van wet en evangelie voor de samenleving.

4. De antithese tussen het Rijk van God en het rijk van de antichrist.

Hoofdstuk 1

KAN EN MOET HET HEIL IN CHRISTUS GESTALTE KRIJGEN IN DE SAMENLEVINGSVERBANDEN VAN DEZE WERELD?

Het heil is voor alles de redding van mènsen

Gods verlossend handelen in Christus richt zich allereerst en centraal op de mens, die door zijn zonde vijand van God geworden is. De mens had immers ook de centrale plaats ontvangen in Gods scheppingswerk. Geschapen naar Gods beeld, oefent hij heerschappij uit over alles wat God gemaakt heeft (Gen. 1 : 26-28; Psalm 8). De gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid van de mens is beslissend voor het lot van de hele schepping.

Door de zonde van de mens is de wereld onder de macht van de boze gekomen en daardoor aan de ijdelheid onderworpen (Rom. 8 : 20).

In het verlossingswerk van God wordt daarom ook de mens opgezocht. Het heil in Christus betekent dan ook in de eerste plaats: het opheffen van de vijandschap en het herstel van de gemeenschap tussen God en mens. Dat is het doel van Christus’ plaatsbekledend lijden en sterven en van zijn opstanding.

Alleen als de mens weer wordt wat hij naar Gods bedoeling moet zijn, kan ook de schepping de verlossing, waar ze reikhalzend naar uitziet, ontvangen. Haar bevrijding kan alleen bestaan in de „vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods” (Rom. 8 : 19, 21).

Het heil is echter niet tot mensen beperkt: het gaat ook de schepping aan

Als het heil zich primair en centraal op de mens richt, wil dat nog niet zeggen, dat de verlossing in Christus versmald mag worden tot de verlossing van mensen, laat staan tot de redding van zielen. Het heeft, juist als het zich op de mensen richt, gezien diens positie in de schepping, een allesomvattende betekenis en beoogt niet minder dan de vernieuwing van alle dingen (Openb. 21 : 5), van hemel en aarde (Openb. 21:1). Deze aanduidingen sluiten aan bij Gen. 1 en zo wordt de volle realisering van het heil gekarakteriseerd als vernieuwing van de schepping. Dat wil niet zeggen, dat de oorspronkelijke schepping terzijde wordt gesteld en vervangen. In de Nieuw-Testamentische tegenstelling tussen „deze wereld” en de „komende wereld” (Matth. 12 : 32; Mark. 10 : 30; Ef. 1 : 21) mag „deze wereld” niet worden vereenzelvigd met de „schepping”. Het gaat in de beide delen van deze tegenstelling om twee bedelingen — oud en nieuw — die binnen de geschiedenis van de schepping zich voordoen.

Ook wanneer het woord „wereld” (kosmos) de negatieve betekenis heeft van de wereld in haar verlorenheid en vijandschap tegen God en Christus (o.a. Joh. 7 : 7; 15 : 18v; 16 : 8, 33) neemt dat niet weg, dat dit ook de wereld is, die door God als zijn scheppingswerk in liefde wordt vastgehouden en tot welker behoud Christus is gekomen (o.a. Joh. 3 : 16v; 12 : 47; 17 : 21).

De verzoening, die Christus „door het bloed zijns kruizes” tot stand gebracht heeft, omvat dan ook niet minder dan „alle dingen” (Col. 1 : 20). (Hier is de volgorde zelfs omgekeerd als welke we boven constateerden: eerst vs 20 „alle dingen”, dan vs 21 „ook u”).

Daarom kan het heil worden aangeduid als de komst van het Koninkrijk. Gods komen in Christus heeft als doel: het volle herstel van zijn koningschap over alles wat Hij geschapen heeft.

Het is dan ook onmogelijk om het heil in Christus enerzijds en de wereld anderzijds als fundamenteel onverenigbare grootheden te zien. Integendeel, het heil wil gestalte aannemen in de door God geschapen wereld.

Over de verhouding van Oud en Nieuw Testament

Deze stelling kan nog nader toegelicht worden als we letten op de verhouding tussen het Oude en het Nieuwe Testament.

De betrokkenheid van het verlossingswerk op de door God geschapen werkelijkheid is namelijk alleen in te zien wanneer we het Nieuwe Testament blijven lezen tegen de achtergrond van het Oude Testament. Dáár vinden we immers, reeds vanaf het eerste vers, de openbaring aangaande deze wereld als de door God geschapen wereld, die daarom van Hem is. Dáár treft ons de intense aandacht voor het aardse leven in al zijn facetten als het terrein waar het leven-met-God geleefd wil worden. Dáár vindt ook de proclamatie van het koningschap Gods als een heerschappij, die (weer) de hele aarde wil omvatten, zijn wortels.

Het is dan ook slechts ten dele juist om de verhouding van Oud en Nieuw Testament te vatten in termen als „aards, zinnelijk, lager, voorlopig” tegenover „hemels, geestelijk, hoger, definitief”.

Zo stelde Calvijn, dat „ofschoon de Here ook oudtijds het hart van zijn volk wilde richten op de hemelse erfenis … Hij toch die erfenis gaf te aanschouwen en in zekere zin te smaken onder aardse zegeningen …, maar dat Hij nu … die lagere wijze van oefening achterwege laat en onze harten rechtstreeks richt tot de overdenking van die genade”. In deze zin schreef ook Bavinck over de „geestelijke en eeuwige weldaden onder Israël ingekleed in zinnelijke vormen” en „het geestelijke en eeuwige hult zich in het gewaad van het natuurlijke en tijdelijke” en elders: „het vergeestelijkte Oude Testament, dat is, het Oude Testament van zijn tijdelijke, zinnelijke vorm ontdaan, is het Nieuwe Testament”.

Op deze wijze wordt te zeer voorbijgezien aan het feit, dat juist in deze gerichtheid op de aarde en het aardse leven een zeer wezenlijke trek in het werk van God aan de orde komt. Hij, die verlost, is de Schepper van het aardse leven. En zijn verlossende werk omspant de volle breedte van zijn scheppingswerk. Daarom moet de sterke nadruk, die het Oude Testament legt op de waarde van de aardse tijdelijke goederen, van blijvende betekenis geacht worden.

En de boodschap van het Nieuwe Testament is in dit opzicht niet ànders dan die van het Oude. Wel is het zo, dat deze breedte van Gods werken in het Nieuwe Testament een minder centrale plaats inneemt dan in het Oude Testament. In het Nieuwe Testament staat het publieke leven meer aan de rand van het gezichtsveld.

Eén van de dingen*), die daarbij bedacht moeten worden is, dat een aantal zaken die wezenlijk behoren tot de inhoud van het evangelie van Jezus Christus alleen in het Oude Testament voorkomen en alleen hierom niet in het Nieuwe Testament aan de orde worden gesteld omdat ze met het hele Oude Testament bekend worden verondersteld.

Fundamenteel is, ook op dit punt, de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament. Het is daarom geboden, het Nieuwe Testament nooit te isoleren van het Oude, hetgeen zou leiden tot een spiritualistisch en dualistisch verlossingsbegrip. Wat het Nieuwe Testament zegt over de verlossing in Christus dient verstaan te worden vanuit het „tegoed” dat het Oude Testament ons terzake van de breedte van Gods werken biedt.

Echter: in hoeverre wordt dit gerealiseerd in „deze” wereld?

Dat is de kardinale vraag, die gesteld moet worden. In hoeverre kan het heil gestalte aannemen in de wereld vóór de wederkomst van Christus, en nader bepaald: in haar samenlevingsverbanden?

Bij het beantwoorden van deze vraag moet voorop staan dat met Christus’ komst in deze wereld het heil present is. Met zijn komst is het Koninkrijk gekomen. Door zijn dood en opstanding is de beslissende wending van oud naar nieuw een feit geworden. Bij zijn hemelvaart is alle macht in hemel en op aarde aan Hem gegeven, en gezeten aan Gods rechterhand regeert Hij alle dingen. Denken we van hier uit, dan moet gezegd worden: het heil is present in deze wereld.

Maar daarmee is niet alles gezegd. Want beslissend is nu wat het Nieuwe Testament zegt over de wijze waarop het heil in Christus nu reeds present is.

Het heil in Christus is present op de wijze van de Geest

Het heil in Christus is present op de wijze van de Geest. Dat houdt verband met de centrale plaats van de mens in Gods werken, zoals die hierboven is getekend. De Heilige Geest zorgt dat het Woord der verzoening aan mensen wordt verkondigd, dat mensen tot geloof en bekering komen, en dat er een gemeente wordt vergaderd en gebouwd.

Als we stellen, dat het heil in Christus present is in de wereld zien we dat dus allereerst in de kerk van Christus. De Heilige Geest schept de gemeente tot een gemeenschap waarin Gods bedoelingen met het samenleven van mensen gerealiseerd beginnen te worden. Maar bovendien wil de Heilige Geest de leden van de gemeente ook brengen tot een leven in gehoorzaamheid aan Gods geboden in de aardse samenlevingsverbanden.

Daar hebben ze naar de maat van de hun gegeven mogelijkheden het licht dat in Christus is opgegaan te doen schijnen.

De heiliging, waarin en waartoe ze geroepen zijn (1 Thess. 4 : 3, 17; 1 Petr. 1 : 15v) wordt merkbaar in alle levensverbanden waarin ze gesteld zijn. Zie ook Matth. 5 : 13-16 („Gij zijt het zout der aarde”) en verder Rom. 6 : 19-22; 8 : 4; Ef. 5:8-17; Filipp. 4 : 8, 9; Tit. 2 : 11-14; 3 : 1, 2, 8; 1 Petr. 2 : 11-17.

Maar: zonder geloof en bekering is er geen delen in het heil

Als echter een verbinding tussen „heil in Christus” en de samenlevingsverbanden wordt gelegd, waarbij de noodzaak van de verkondiging van het evangelie van de verzoening met God in Christus, en van geloof en bekering uit het oog verloren wordt, dan wordt het wezen van het heil vergeten. Alsof buiten geloof en bekering tot God om van heil te spreken zou zijn.

Iets anders is, dat het evangelie in zijn voortgang zo doorwerkt in een samenleving dat ook niet-gelovigen er in hun opvattingen en levenswijze door beïnvloed worden en dat mede als gevolg daarvan de structuren van de samenleving een verandering ondergaan; temeer omdat deze doorwerking van het evangelie kan aansluiten bij beseffen aangaande Gods wil, die door Gods goedheid ook in de gevallen mens aanwezig zijn (Rom. 2 : 14, 15). Maar van heil is slechts daar te spreken waar mensen door de Heilige Geest van binnenuit vernieuwd worden, en in de gemeenschap met Christus worden geplaatst. Slechts „wie in Christus is, is een nieuwe schepping”, 2 Cor. 5 : 17.

Beperktheid van de doorwerking van het heil

Het Nieuwe Testament legt er bovendien nadruk op, dat de realisering van het heil door het werk van de Geest in de gelovigen in deze bedeling ten dele blijft, Filipp. 3 : 10-14.

Hierbij komt, dat het Nieuwe Testament geen direkte aanwijzingen, laat staan een program heeft voor het tot stand brengen van veranderingen in de samenleving. Wel leert het christenen, hoe zij, als mensen die vernieuwd worden, hun plaats hebben in te nemen in de samenleving om zo van binnenuit vernieuwend daarop te kunnen inwerken. Illustratief daarvoor is Paulus’ houding tegenover de slavernij (o.a. Filemon: 16 - de slaaf is voortaan ook broeder! ).

Blijkbaar is de rechtstreekse bedoeling van de boodschap van het Nieuwe Testament niet de hervorming van de samenlevingsverbanden, maar bevat het wel een boodschap, die in haar uitwerking consequenties heeft voor de samenleving.

Is er aanleiding, gezien het eeuwenlange voortgaan van de geschiedenis na de afsluiting van het Nieuwe Teseament en gezien de veranderde positie van de christenen ten opzichte van die in de Nieuwtestamentische tijd, deze rangorde van het Nieuwtestamentische spreken los te laten? Het komt ons voor, dat ook wanneer we als christenen ons geroepen weten te werken aan verandering van structuren, we dan toch de beperktheid van dat streven moeten zien. Kunnen structuren „bekeerd” worden zonder dat de mensen het zijn?

Heeft het Koninkrijk van God werkelijk een gestalte ook daar waar de Koning niet uitdrukkelijk wordt erkend?

De gestalte van het heil kan in deze bedeling slechts voorlopig zijn

De vraag naar de mogelijkheid van het zichtbaar worden van het heil in deze wereld wordt nog klemmender wanneer we zien, dat het heil weliswaar present is, maar tegelijk gewikkeld is in een permanente strijd met de vijandelijke machten. Christus heerst als Koning temidden van zijn vijanden (1 Cor. 15 : 25).

Het voorgaande brengt immers met zich mee, dat tussen de aanvankelijke en definitieve realisering van het heil een periode komt te liggen waarin de boodschap van de verzoening moet uitgaan over heel de wereld.

Deze periode wordt gekenmerkt door het „nu reeds”, maar tevens door het „nu nog niet”. De macht van de zonde en de boze, hoewel in wezen overwonnen, laat zich nog krachtig gelden, en bepaalt mede het karakter van deze wereldbedeling, zelfs — in verzet tegen de komst van Christus en het werk van de Geest — in toenemende mate. Zo zien we in het evangelie van Johannes de „wereld” (kosmos) optreden als de grote tegenspeler van de Verlosser. En in de Openbaring aan Johannes staat tegenover de heerschappij van het Lam de machtsontplooiing van de draak en de beesten, die het hele wereldleven in hun greep krijgen.

De gemeente moet er dan ook op rekenen, dat haar bestaan in deze wereld een bestaan in verdrukking (thlipsis, Joh. 16 : 33) is en in nood (anangkè, 1 Cor. 7 : 26).

Deze periode van strijd kan daarom nog niet de definitieve realisering van het heil brengen; ze is van (snèl) voorbijgaande aard (1 Cor. 7 : 29 en 31 slot). Door dit alles wordt de roeping van de christen om te leven in alle verbanden van het aardse bestaan niet opgeheven. Ze wordt er wel door bepaald, op de wijze die bv. in 1 Cor. 7 : 25-40 wordt aangegeven.

Er is in het Nieuwe Testament een spanningsverhouding tussen deze roeping, en het beeld dat het Nieuwe Testament ons laat zien van een in het nauw gedreven gemeente die in deze wereld weinig of geen ruimte krijgt tot ontplooiing van de krachten van het Koninkrijk, en die daarom met des te meer verlangen uitziet naar de volle openbaring van dat Koninkrijk bij de komst van haar Here.

In deze bedeling zal de gestalte die het heil kan krijgen dan ook een zeer onvolkomene, fragmentarische en aangevochtene blijven.

Zelfs lezen we van duivelse imitatie van gestalten van het heil (Openb. 13; 2 Thess. 2 : 9) en van een samenleving, die in al haar verbanden is verworden tot een antichristelijke „stad van de mens”, Babylon, het volstrekte tegendeel van het nieuwe Jeruzalem, dat daarna neerdaalt van boven (Openb. 17 en 21 : hoer tegenover bruid!). Daar zullen alle gestalten van het heil in de samenleving zijn te niet gedaan!

Nog eens: Oud en Nieuw Testament

In dit verband dient nog iets te worden toegevoegd aan hetgeen reeds gezegd werd over de verhouding van Oud en Nieuw Testament.

Dat de betrokkenheid van de verlossing op de schepping, en dus op de breedheid van Gods verlossend werk, in het Nieuwe Testament niet met zoveel woorden aan bod komt als in het Oude vindt zijn oorzaak niet alleen hierin, dat (zie boven) het Nieuwe Testament veronderstelt hetgeen in het Oude Testament al aan de orde kwam. Het komt ook voort uit een Nieuwtestamentische concentratie op de diepte van Gods verlossend werk.

Want terwijl in het Oude Testament het aardse leven volle aandacht krijgt, wordt daar toch ook duidelijk gesteld, dat het heil voor en in dat aardse leven alleen te verwachten is vanuit (het herstel van) de relatie met God, vanuit het leven in zijn verbond, en de bekering tot Hem. Elk streven het aardse leven op te bouwen en te genieten buiten deze relatie en haar herstel om, valt onder Gods oordeel. Alleen zó is bijvoorbeeld de maatschappelijke en politieke prediking van de profeten te verstaan. Welnu: op deze relatie met God en haar herstel, en hetgeen daar voor nodig is en daarbij aan de orde komt, concentreert zich de boodschap van het Nieuwe Testament. Daarbij blijkt, zowel door Jezus Christus als door de Heilige Geest, en zowel met betrekking tot het leven van de enkeling als aangaande het lot van de wereld, zulk een diepe weg te moeten worden gegaan dat daardoor de breedheid van Gods werken — niet wordt lósgelaten, maar wel wordt gezien als een zaak, die pas in de toekomst, bij de wederkomst, ten volle aan de orde kan komen.

We zullen in dit verband niet moeten zeggen, dat het Nieuwe Testament over heel andere dingen spreekt dan het Oude. Het is veeleer zo, dat het Oude Testament heel diep doorvraagt op de aan de orde gestelde thema’s en dan op problemen stuit, waar het Nieuwe Testament het antwoord volledig op geeft.

De roeping in déze wereld en het uitzien naar de toekomende hebben elkaar nodig

Alleen de komst van Christus zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde meebrengen.

Dit besef kan de gelovigen ervoor bewaren te versagen in hun roeping in het aardse leven.

Het kan hen óók bewaren voor een krampachtigheid in het streven naar veranderingen in het hiernumaals, die vreemd is aan het Nieuwe Testament. Typerend hiervoor is de overgang, die we vinden in Jakobus 5. Na een felle aanklacht tegen het maatschappelijk onrecht in vs 1-6 volgt in vs 7 „hebt dus (!) geduld, broeders, tot de komst des Heren”. Terecht is er op gewezen, dat deze geduldprediking pas komt nadat het protest heeft geklonken. Het geduld, waartoe Jakobus oproept, is dus niet te denken zonder het protest, dat voorafging. We zullen dan ook eerst dit protest terdege op ons moeten laten inwerken en er de consequenties uit trekken, en niet te spoedig overschakelen op vs 7. Maar opvallend is het wel, dat dit profetisch protest gevolgd wordt door déze oproep, die niet fungeert als een kontrast ermee, maar als een toepassing ervan.

Men zou het tegendeel verwachten, als conclusie van het protest, namelijk een hevige strijd, een doelbewust streven naar verandering van de verhoudingen. Het moet worden gezegd, dat deze gevolgtrekking ligt buiten het gezichtsveld van Jakobus en zijn tijd, maar ook, dat in deze verbinding van protest en geduld een element ligt, dat blijvend de houding van de gemeente moet stempelen, en dat haar profetisch protest tegen onrecht vrij doet zijn van radicalisme.

De verhoudingen in de wereld gáán ons ter harte. En dat zal óók blijken. Maar voor werkelijk uitzicht op de toekomst moeten we verder kijken. Onze verwachting reikt verder dan ons protest!

Het is veelzeggend, dat het Nieuwe Testament alleen van een allesomvattend uitzicht in de wereldgeschiedenis spreekt, wanneer het gaat over:

— de machtspositie van Jezus Christus (Matth. 28 : 18; Ef. 1 : 20-22);

— de daarmee verbonden opdracht tot evangelieverkondiging (Matth. 28 : 19; vgl. 24 : 14; Col. 1 : 23);

— de antichristelijke machtsontplooiing (Openbaring), en

— de voleinding (idem).

Hoofdstuk 2

HET KONINKRIJK VAN GOD EN DEZE WERELD

Wat is het Koninkrijk van God?

Met de term Rijk, of Koninkrijk, van God, wordt niet door ieder hetzelfde bedoeld. Dezelfde vraag als boven reeds gesteld met betrekking tot de grenzen van het heil (blz. 18vv), geldt ook aangaande het Koninkrijk van God.

Kan men van het Koninkrijk van God spreken daar waar mensen niet persoonlijk tot geloof in Christus gekomen zijn? Met andere woorden:

In hoeverre nemen Gods bedoelingen gestalte aan in structuren en verbanden, in instituten en wetten, zonder dat er van persoonlijke erkenning van Jezus als Here sprake is?

Of nog nader toegespitst: Is het heil van het Rijk op te delen in:

1. persoonlijk door het geloof deel hebben aan de zaligheid, aan de verzoening en vernieuwing door Jezus Christus, en

2. verkeren in een samenleving, die de vormende en vernieuwende invloed van de geboden van God en het evangelie van Jezus Christus heeft ondergaan?

Dat het tweede van belang is, zal niemand mogen ontkennen. Maar is van zo’n samenleving of van zo’n stukje samenleving te spreken als van een stukje realisering van het Rijk van God?

Vooral H. Berkhof, in zijn boek „Christelijk geloof” heeft in dit verband wel gesproken over een heiliging, die de Geest voltrekt door geheiligde mensen, als instrumensen van zijn liefde. Maar ook niet-gelovigen heten evenzeer als de gelovigen dragers te kunnen worden van het objectieve heiligingswerk van de Geest. De vernieuwing van de mens zal niet tot stand komen zonder de vernieuwing van de wereld. God heeft de mens immers geschapen als mens-in-de-wereld. En daar de Geest geen half werk doet, gaat het vernieuwingswerk van de Geest in de wereld overeenkomstige wegen als het vernieuwingswerk van de Geest in de mens.

Daarbij kunnen dus ook degenen, die buiten de bijzondere werking van de Geest om zich voor de onderhouding en verheffing van de wereld verantwoordelijk weten, evenzeer als de gelovigen, dragers worden van dit objectieve heiligingswerk van de Geest. Christus is als Hoofd van zijn gemeente ook gesteld tot Hoofd van heel de mensenwereld. De gelijkvormigheid aan zijn beeld is niet alleen bedoeld voor enkelingen, maar voor de mensheid in haar geheel en dus ook voor de wijze van haar samenleven. Daarom richt de Geest zich ook op dit tweede. (Christelijk geloof, blz. 520-540).

O.i. is een dergelijke splitsing in de visie op het Rijk niet te aanvaarden.

Het Rijk is daar waar gehoorzaamd wordt aan de Koning van het Rijk.

Het is een voorrecht, dat er van Gods geboden, en van het evangelie van Jezus Christus, zo’n kracht uitgaat, dat daardoor zelfs een stukje van de samenleving wordt gevormd en hervormd, ook wanneer er geen persoonlijk geloof in de Here Jezus Christus is. Maar het valt ons niet mogelijk in zulke gevallen te spreken van het Rijk van God.

De noodzakelijkheid van het geloof in de Here Jezus Christus wordt duidelijk gesteld in Joh. 3 : 18 en 36 „Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld”; „Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, doch wie de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op Hem”.

De noodzaak van het herscheppend werk van de Heilige Geest wordt in hetzelfde hoofdstuk aangewezen, vs 5 „tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan”.

Alleen door het gelóóf wordt het Koninkrijk van God dus werkelijkheid. Dat is persoonlijk. En wat daarvan zichtbaar wordt is in deze bedeling nog maar beperkt en voorlopig.

Dit moet ons er niet toe brengen ook beperkt en voorlopig over het Koninkrijk Gods te spreken! Het Koninkrijk is er. Maar (zie boven, blz. 18), op de wijze van de Geest — dat is ook door het geloof alleen kenbaar. Het gaat primair om de verkondiging en de kennis van Jezus Christus. En om de gehoorzaamheid van ieder aan Hem.

De invloed van het Rijk Gods op de wereld

Waar gehoorzaamheid gevonden wordt aan de Koning, Jezus Christus, daar gaat ook iets van de gelovigen uit. Daar zijn ze het licht der wereld (Matth. 5 : 14). Maar dan is nog niet de hele wereld licht. Dan is de wereld nog niet tot Rijk van God geworden. Dan is daar nog de ongeloofshouding van de meesten, die in de samenleving leven en handelen.

Men heeft voor de omschrijving van deze invloed al sedert de tijd der reformatie wel de term gebruikt van „wereldrijk” om aan te duiden, dat er naast het eigenlijke Rijk Gods nog een terrein is, waar de heerschappij van Christus in de wereld zichtbaar wordt. Deze term „wereldrijk” zou kunnen suggereren, dat dit „rijk” duidelijk zichtbaar en afgegrensd waar te nemen is. De werkelijkheid is echter veel meer dynamisch. Nooit wordt in deze wereld iets bereikt, dat „af” is. Nergens zal de opbouw van de samenleving zó onderworpen zijn aan de heerschappij van Christus, dat de gelovigen er de opdracht tot lichtend licht en zoutend zout zijn bij zouden kunnen vergeten.

Zeker mag van de invloed van het geloof en van de gelovigen zegen verwacht worden voor de wereld. Men zou kunnen spreken van een conserverende en beschermende invloed. Vgl. de tien rechtvaardigen, die het oordeel over Sodom en Gomorra nog zouden hebben afgewend (Gen. 18 : 22-33).

Maar dit is nog niet hetzelfde als „objectieve heiliging” of „heiliging van de structuren door de Heilige Geest” zoals Berkhof het noemt. Het is overigens opvallend, dat hij voor zijn stelling geen schriftbewijs aanvoert.

Deze gedachte, dat de Heilige Geest los van de gelovigen de structuren heiligt, heeft heel gemakkelijk in de praktijk de consequentie, dat het zich opstellen ten opzichte van een bepaalde structuur (de humaniteit) in de plaats wordt gesteld van het geloof in Jezus Christus. Hier dreigt het gevaar van een heilsweg buiten het geloof om.

Dat een christen, juist vanuit zijn burgerschap van het Koninkrijk met heel zijn leven en werken een roeping heeft, en in feite van betekenis is voor de wereld, en ook verantwoordelijkheid draagt voor die wereld, blijft het belangrijkste gegeven.

Dat die verantwoordelijkheid ook zijn grenzen heeft, zal hierna nog aan de orde moeten komen.

Tekenen van het Rijk?

Het is voor velen gemeengoed geworden te spreken van „tekenen van het Rijk”, die in de samenleving moeten worden opgericht.

Over het present-zijn van het Koninkrijk Gods is reeds gesproken. Daar moet niets van worden afgedaan. Alleen — de werkelijkheid van het Koninkrijk Gods is wezenlijk alleen kenbaar door het geloof. Te spreken van een objectief waarneembare gestalte van het Rijk is daarom niet mogelijk. Zelfs de kerk van Jezus Christus, zoals die onder ons bestaat, valt daar niet mee samen.

Men kan daarom wellicht nog het beste spreken van „tekenen”. Tenslotte wordt van dat Rijk van God wel het een en ander zichtbaar. Het probleem wat zich daarbij voordoet is echter: wàt kan er worden geclaimd als „teken van het Rijk van God”?

Vaak gaat het in dit verband om hetgeen wordt aangeduid als „gerechtigheid”. Maar kan alles wat aan „gerechtigheid” in deze wereld tot stand wordt gebracht „teken van het Rijk” worden genoemd?

In het algemeen mag gezegd worden, dat het begrip gerechtigheid zelden „sec” of zo men wil: in zijn louter bijbelse betekenis voorkomt. Het blijkt steeds weer gevuld te worden met zaken die van elders komen. Wie bijvoorbeeld de inkomensnivellering in de huidige samenleving als een zaak van gerechtigheid ziet, moet wel bedenken, dat met dit zo verstane begrip gerechtigheid een bepaalde visie op de verhouding van maatschappij en enkeling meekomt. Die visie is zelfs maatgevend voor wat gerechtigheid inhoudt. Gerechtigheid fungeert steeds binnen een bepaald kader. Het is niet denkbeeldig, dat dit kader eerder door een bepaalde ideologie bepaald wordt dan door de bijbel.

In de bijbel wordt niet een algemeen begrip van gerechtigheid gehanteerd. Gerechtigheid is voor Israël datgene, dat overeenkomt met de beloften van God. Zo zijn de gerechtigheden van de Here voor Israël een omschrijving van zijn verlossend handelen, dat hen naar Zijn belofte toekomt. Het berust op zijn verbond met zijn volk. Op dezelfde wijze is de gerechtigheid ook de norm voor het handelen van het volk. Het is hun verplichting tegenover de Here, die zich aan hen verbonden heeft. Zo is het Israëls roeping de hulpelozen te helpen, niet vanuit een algemeen menselijk besef van gerechtigheid, maar uit een weten en een doen van wat uit het verbond, uit de verbondenheid met de Here voortvloeit.

Dit bijbelse begrip gerechtigheid heeft intussen wel grote betekenis voor de samenleving. Daarbij moet worden erkend, dat het een dynamische norm is. Men kan niet voor alle eeuwen in één formule inhoudelijk vastleggen wat gerechtigheid is. De sociale gerechtigheid ziet er in een samenleving als die van Israël onder het Oude Testament anders uit dan in de twintigste eeuw in West-Europa. Wel kan het omschreven worden als het markeren van een vaarroute, waar men binnen moet blijven.

De bakens van de gerechtigheid zijn dan: recht doen aan de naaste, zodat hij tot zijn recht komt. De ander mag niet tekort gedaan èn niet overvraagd worden. Wie daarbuiten gaat, pleegt onrecht. Dat geldt zowel naar de kant van de miskenning van het recht van de naaste als naar de kant van de overvraging van de een ten gunste van de ander. Dit laatste is zeker voor onze samenleving een belangrijk gezichtspunt.

Voor de uitwerking van de zin der gerechtigheid is nog altijd de wet der tien geboden van de hoogste normatieve betekenis. Dat zegt ook tegelijk iets wezenlijks van het „kader”, waarin de gerechtigheid wordt gezocht.

Geen anoniem christendom

Wanneer voor het deel hebben aan het heil en het deel uitmaken van het Rijk het geloof niet een beslissende voorwaarde wordt geacht, is het niet zo vreemd, dat men komt tot een pleidooi voor het zogenaamde anonieme christendom, ook wel aangeduid als „de kerk buiten de kerk”.

Op grond van de universele betekenis van het werk van Christus wordt gesteld, dat ook zij die niet geloven, toch in het heil van Christus kunnen delen. Er wordt op gewezen, dat het geloof geen creatieve noch constituerende factor is in het heil. In Christus geeft God niet de mogelijkheid van het heil, dat door de mens moet worden gerealiseerd, maar het heil zelf. Dit heil werkt door ook daar waar het evangelie niet wordt geloofd.

Hoewel hieruit niet de conclusie getrokken mag worden, dat zonder meer alle mensen in het heil delen, mag er toch geen sprake van zijn, dat alleen de gelovigen het exclusief zouden bezitten. In plaats van zo’n harde exclusiviteit moet eerder gesproken worden van een hoopvolle inclusiviteit. De kerk, zo stelt men dan, is niet de gemeenschap van de gelovigen, die in het heil delen in onderscheid van de ongelovigen, die niet in het heil delen, maar de gemeenschap van hen, die belijden wat zij en de anderen op grond van Christus’ heilswerk hopen te zijn. De kerk staat dan ook niet tegenover de wereld, maar is de blijde verkondigster van het heil, waarin zij, maar in beginsel ook de wereld met haar, deelt.

Het onderscheid tussen een gelovige en een anonieme christen is dat de eerste uitdrukkelijk het evangelie belijdt, en dat de laatste nog geen kennis kreeg van het evangelie, maar wel verborgen in het heil ervan deelt, en dat zijn leven met de bedoeling van het evangelie in overeenstemming is. Overal waar de barmhartige Samaritaan rondgaat in deze wereld is Christus. Het christendom is dáár waar de geringste broeder wordt gespijzigd, gelaafd en getroost, ook al kent men Christus niet.

In een bepaalde gradatie kan zo iedere godsdienst of levensovertuiging als een wettige worden erkend. Het heil wordt er immers in zichtbaar. Het christendom is weliswaar een godsdienst, die de andere godsdiensten geen gelijke rechten toekent, maar de andere godsdiensten kunnen als wettige gelden, zolang het christendom geen aanwijsbare gestalte kreeg bij een bepaald volk. De zin van de prediking van het evangelie in de wereld — meer in dialoogvorm dan als verkondiging — is de vergroting van de heilskansen, de opwekking van de reeds aanwezige genade, en de planting van de kerk. Maar anoniem waren de christenen al aanwezig, ook onder moslims, boeddhisten, humanisten, marxisten enz.

Door het zo te stellen wordt aan de absoluutheid, waarmee het evangelie spreekt, schromelijk te kort gedaan. Tegenover deze gedachten staat het woord van Jezus: „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij”. (Joh. 14 : 6).

Dat het geloof geen creatieve noch constituerende factor is in het tot stand komen van het heil, is waar. Het is echter wel de weg waarin God Zijn heil deelachtig maakt. Zo belijdt de Heidelbergse Catechismus in aansluiting aan de rechtvaardiging door het geloof alleen (zondag 23) „niet omdat ik vanwege de waarde van mijn geloof God behaag, maar omdat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof kan aannemen en mij toeëigenen”.

Het Woord van God doet ons weten, dat het geloof niet bestaat in een vage religiositeit noch in een humanistische levenshouding, maar in een bewust gericht zijn op Gods daden en beloften, in het betrachten van de gemeenschap met Christus, als vrucht van de wederbarende en vernieuwende werking van de Heilige Geest. Zonder dit geloof is het niet mogelijk God te behagen. (Hebr. 11 : 6; Joh. 3 : 5; Rom. 8 : 9).

Het gericht

De vraag naar de verhouding van het Koninkrijk van God en de wereld kan niet voorbijgaan aan de betekenis, die Gods gericht over de wereld hiervoor heeft.

De manier waarop Berkhof in zijn „Christelijk Geloof” hierover spreekt is weer opmerkenswaard.

Evenals het werk van de Heilige Geest in de enkele gelovige hier niet tot volle ontplooiing komt is dit ook met het werk van de Heilige Geest in de heiliging van de structuren niet het geval.

Het gericht zal dienstbaar zijn om het tot zijn voltooiing te brengen. Berkhof stelt dit gericht zich voor als een „spronggebeuren”, waarbij in de botsing tussen een „duizend-jarig rijk” enerzijds en een antichristelijke werelddictatuur anderzijds, alles plaats zal maken voor de totale heerschappij van God. „In het gericht wordt de scheefgegroeide en ontspoorde wereld gericht, recht gemaakt, zodat de vreemde wordt afgestoten en de heilige liefde van God alle verhoudingen gaat doordringen. God wordt niet alleen alles in allen (personen), maar ook alles in alles (structuren); daardoor wordt al het liefdeloze en zelfvoldane vernederd, en het hulpeloze en vertrapte verhoogd”. (Blz. 541). Het gericht zal de redding betekenen van de verdrukten en tevens de rechtvaardiging voor de barmhartigen. „Hun zal barmhartigheid geschieden zo waar God trouw is aan Zichzelf”. (Blz. 552). En „als God beoogt om de zonde uit te bannen en de zondaren te weerstaan, betekent het gericht over de verdrukkers tevens de redding van hun slachtoffers. Anders zou het niets betekenen”. Dat is de hoop voor de „miljoenen ontrechten, gediscrimineerden, vervolgden, vertrapten en gemartelden”, die „in dit leven nooit aan de bedoeling van God hebben kunnen beantwoorden, niet om hun eigen zonde, maar om de zonden van anderen”. (Blz. 551552).

Dat het bijbels getuigenis over het gericht ons moet brengen tot de erkenning van een eeuwige straf, wordt door Berkhof ontkend. De aandacht daarvoor behoort niet tto de kern van het kerugma. „De duisternis van verwerping en godverlatenheid kan en mag niet weggeredeneerd worden, maar kan en mag evenmin vereeuwigd worden”. En het laatste woord is dan: „In Gods naam hopen wij, dat de hel een louteringsweg zal zijn”. (Blz. 554).

Daartegenover willen wij opmerken, dat wat wij van Gods barmhartigheid denken en zeggen niet in strijd mag zijn met wat God van Zichzelf getuigt. Rom. 1 spreekt over de realiteit van Gods toorn, die van de hemel geopenbaard wordt over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen (ook in andere religies en ideologieën) als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Buiten het geloof in Christus om blijft de werkelijkheid van Gods toorn. Wel ontvangen zij, die het evangelie hebben gehoord, maar verworpen, zwaarder straf dan degenen tot wie het evangelie niet kwam.

Maar in het vuur van het gericht zal alleen kunnen bestáán, wat werkelijk deel is van het Koninkrijk der hemelen.

Dat betekent niet, dat sociale gerechtigheid buiten het geloof om van geen enkele betekenis is. Zoals de buitenlandse vorsten door God gebruikt werden om zijn plan met Israël door te zetten (Jes. 10 en 45), zo ook een samenleving, waar gerechtigheid heerst. Dat wil nog niet zeggen, dat die samenleving zelf een deel van het Rijk geworden is. Het Rijk is zo direkt met persoonlijke bekering en gehoorzaamheid verbonden, dat het niet mogelijk schijnt, daar buitenom nog van Rijk van God te spreken.

Wellicht kan hier Rom. 2 : 15 als parallel dienen. Daar staat over de heidenen, dat de werken der wet in hun harten zijn geschreven. En toch gaat daarover Gods gericht. Het zal hen niet verontschuldigen in het oordeel. Het tegendeel is zelfs het geval. Het feit, dat ze de enige God niet (er)kennen, doet hen schuldig staan (vgl. Rom. 1 : 20). Er kan dus niet zo maar gesproken worden van de waarde van de werken der ongelovigen voor de eeuwigheid.

Wie let op de schriftplaatsen, die wijzen op een continuïteit van heden en toekomst wat de werken betreft, zal ontdekken, dat het daar alleen gaat over de werken der gelovigen. Zie 1 Cor. 3 : 14; 2 Cor. 5 : 10; Gal. 6 : 8; Ef. 6 : 8; Col. 3 : 24-25; Openb. 14 : 13 en Openb. 19 : 8. De vraag of Openb. 21 : 24 („de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar”) bedoelt, dat in het nieuwe Jeruzalem „de winsten van de gemene gratie” worden ingedragen, wordt door meerderen op goede gronden ontkennend beantwoord.

Door het gericht heen zal de nieuwe aarde blijken niet het resultaat te zijn van de ontwikkeling, die wij in onze geschiedenis tot stand brengen. Zij is vrucht van Christus’ verlossingswerk.

Hoofdstuk 3

DE BETEKENIS VAN WET EN EVANGELIE VOOR DE SAMENLEVING

De vraag naar de norm

De christen, die zoekt naar zijn roeping met betrekking tot de samenleving in de wereld, moet ook komen op de vraag naar de norm voor het handelen in de samenleving.

Tot nu toe vonden we, dat het heil van het Koninkrijk Gods zeker van betekenis is voor de samenleving, waarin ook de gelovige geplaatst is, ook al is dan in die samenleving het Rijk zelf niet te zoeken.

Vanuit het burgerschap van het Rijk van God wordt een christen tevens geplaatst in de samenleving, waar hij samen met en te midden van niet-gelovigen zijn taak heeft te vervullen.

Hij wordt daarbij door niets anders geleid dan door wat hij in het Woord van God vindt. Daarin is de wijsheid, ook voor de maatschappij.

Tot het voornaamste, dat een christen doet teneinde een zoutend zout en een lichtend licht te zijn, hoort het uitdragen van die wijsheid, ook al zal de mate waarin die norm kan doorwerken, wel verschillend zijn, naarmate de weerstanden tegen het Woord van God vanuit de samenleving sterker zijn.

Hierbij moet naar verschillende kanten voor eenzijdigheid worden gewaakt.

Dat betreft met name de hantering van wet en evangelie.

Wet en evangelie moeten beide spreken in de samenleving

Het is niet zo, dat het evangelie bedoeld zou zijn voor de kerk en dat aan de samenleving de bijbel niets anders heeft te zeggen dan de voorschriften van de wet.

Het is ook niet zo, dat we er ten aanzien van de samenleving zijn met het evangelie, vooral zoals het wordt opgevat wanneer men spreekt van „evangelische inspiratie”.

Wellicht is de tweede eenzijdigheid vandaag actueler dan de eerste.

„Evangelische geïnspireerdheid” loopt daarbij de kans vooral als etiket te dienen van datgene wat de humanisering van de samenleving dient, zonder dat wordt gevraagd of deze inspiratie inderdaad opkomt uit de bewogenheid van het evangelie van Jezus Christus. Eerder is reeds gewezen op het belang van het ideologische kader, waarin men zijn begrippen hanteert, en waaraan men zijn bewogenheid ontleent.

Wet en evangelie kunnen daarbij gezien worden, gelet op hun bijbelse samenhang, als middel om elkaar en het gebruik van elk te verifiëren.

De bijbelse verhouding van beide is namelijk in elk geval zo, naast veel wat over wet en evangelie valt te zeggen, dat ze inhoudelijk elkaar gedurig vasthouden.

Wie spreekt van „evangelisch”, maar de norm van Gods wet buiten beschouwing wenst te laten, raakt niet slechts de wet, maar ook het evangelie kwijt.

En wie — omgekeerd — voor de samenleving alleen de geboden wil laten spreken, en het evangelie wil reserveren voor de gelovigen of de kerk, die heeft voorbijgezien aan het feit, dat juist de wet zelf vol is van hetzelfde heil, waar het evangelie van getuigt.

Hoe zouden wet en evangelie elkaar ook tegenspreken? Beide zijn Gods gave. Beide gaan uit van het soevereine recht van God over de samenleving en de mensheid. Hij heeft het te zeggen.

Ook worden we zowel vanuit de wet als vanuit het evangelie geconfronteerd met de geweldige realiteit van de zonde. Beide dringen ons ertoe de problemen van de wereld te onderkennen in hun wezenlijke diepte, namelijk de verstoring van de verhouding met God.

Bovendien wordt in beide, wet en evangelie, Gods bedoeling en Gods eis duidelijk. Hij wil een heilig, een geheiligd leven. Dat zegt de wet. En het evangelie verkondigt ons, dat Hij dat leven door Jezus Christus schenkt. Beide, en samen, werken wet en evangelie heen naar de verlossing, naar de heiliging, naar de gehoorzaamheid.

Duidelijk wordt dit zichtbaar in 1 Petr. 1 : 13-19, waar verwezen wordt naar de heiligheidseis van de wet (Lev. 11 : 44; 19 : 2; 20 : 7) als omschrijving van wat door de genade (vs 13) gegeven wordt; de gelovigen zijn vrijgekocht met het kostbare bloed van Christus (vs 19), en daarom worden ze opgewekt tot een nieuwe, geheiligde, levenswandel.

Wanneer nu ten aanzien van de vragen van de samenleving de eenheid van het Woord wordt losgelaten, en men wel van „het evangelie” wil spreken en van „evangelisch” (al of niet erdoor „geïnspireerd”), maar van Gods wet liever niet spreekt, dan is de vrees niet ongegrond, dat men een aantal evangelische noties van hun wortel losmaakt.

Wanneer begrippen als gerechtigheid, liefde, verantwoordelijkheid, roeping, worden losgemaakt van de kontekst, die ze in wet èn evangelie hebben, dan krijgen ze een geseculariseerde en daarmee onevangelische inhoud.

Het evangelie laat de wet niet los

De ethiek van het Nieuwe Testament, opkomend uit het evangelie, vertoont een gebondenheid aan de wet, zoals bv. duidelijk is gesteld in Gal. 5 : 23 „Tegen zodanige mensen is de wet niet”. Christus bevrijdt van de vloek der wet, maar daarmee heeft de inhoud van de wet niet afgedaan.

De christelijke vrijheid vindt haar levensruimte in een maximale gebondenheid aan de wet van Christus in een leven door de Geest (vgl. o.a. Rom. 8 : 4-13; Jak. 2 : 8, 12).

Juist in een evangelisch verstane heiliging speelt de wet een voorname rol. De imperatief (de opdracht, de wet) is de vrucht van de indicatief (de gave) van het heil in het leven van de gelovigen. Tevens heeft de imperatief (de wet) een critische functie als toetssteen van het geloof.

Deze verhouding, die in de eerste plaats het leven van de individuele gelovigen geldt, kan niet zonder betekenis zijn voor de samenleving. Zeker wanneer juist in verband met maatschappelijke vragen meer aandacht voor het evangelie dan voor de wet lijkt te bestaan, is het nuttig de gedurige verwijzing van de evangelische imperatief naar de normativiteit van de wet in herinnering te brengen.

Wanneer een „evangelisch” spreken een veronachtzaming van Gods geboden inhoudt in de praktijk, dan is het niet evangelisch meer.

Want het evangelie heeft de wet niet van haar normativiteit beroofd.

De wet bestaat niet zonder het evangelie

Omgekeerd kan ook het burgerlijke gebruik van de wet niet losgemaakt worden van Gods heilsbedoeling in Jezus Christus, met het oog waarop de wet mede gegeven is. Als de burgerlijke wetgeving van het Oude Testament wordt onderzocht, moet opvallen hoezeer die de geest ademt van de genade, waarin de God van Israël zijn volk wil doen delen.

Het hele leven staat onder de roeping tot heiliging; de verhouding tot God is niet een terrein, afgezonderd van de intermenselijke verhoudingen. De grondwet, juist voor de maatschappelijke verhoudingen is: „Heilig zult gij zijn, want IK, de HERE uw God, ben heilig” (Lev. 19 : 2). De verhouding tot Hem is de kern van de zaak!

Als motivering van een aantal voorschriften is het blijkbaar voldoende dat gezegd wordt: „Ik ben de HERE, uw God” (Lev. 19:3, 4, 10, 12 enz.).

De wetten, die betrekking hebben op de samenleving, getuigen van de genade, waar Israël zelf van moet leven. Zo bv. de wetten over de behandeling van vreemdelingen (Lev. 19 : 33-34; Ex. 22 : 21; 23 : 9; Deut. 24 : 17-18) — ze hebben als motivering: „omdat gij vreemdelingen zijt geweest in het land Egypte”.

Veel voorschriften zijn aan te wijzen, die dezelfde gezindheid vragen. Het volk moet oog en hart hebben voor de naaste. Zie bv. over de rechtvaardige rechtspraak Ex. 23 : 6-8; Lev. 19 : 15 en over de eerbied voor de ouderdom Ex. 20 : 12 (!) en Lev. 19 : 32. Veel maatregelen dienen de bescherming van sociaal zwakkeren: geen uitstel van betaling aan een dagloner (Lev. 19 : 13; Deut. 24 : 14-15); primaire levensbehoeften mogen niet als onderpand worden genomen (Deut. 24 : 6, 10-13);

de nalezing van de oogst moet blijven staan voor de armen (Lev. 19 : 9-10; Deut. 24 : 19-21);

men mag geen rente aannemen van een verarmde broeder (Lev. 25 : 35-38; vgl. Ex. 22 : 25 en Deut. 23 : 19-20).

Slaven genieten in de wet van Mozes een aanzienlijke rechtbescherming, kompleet met een „werk- en rusttijdenbesluit” (Lev. 25 : 44-46; Deut. 15 : 13-15; 21 : 10-14; 23 : 15-16; Lev. 25 : 39-43).

Ook de dieren genieten bescherming; zij zijn Gods schepsel. Zie bv. Deut. 22 : 6-7 over het uithalen van vogelnesten; Ex. 23 : 4-5 en Deut. 22 : 4, waar zelfs de ezel van een vijand bescherming moet genieten. Vgl. verder nog Ex. 23 : 29; Lev. 22 : 28; 25 : 7 en Deut. 25 : 4.

Kenmerkend voor de maatschappelijke wetgeving in Israël is de wet op de sabbat, en het sabbats- en jubeljaar. De HERE is de eigenaar van alles, ook van de grond. Wij zijn slechts de rentmeesters. Niemand mag zich een oppermachtig gezag aanmatigen. Een goede samenleving is er niet bij de gratie van de juiste machtsverhoudingen tussen diverse sociaal onderscheiden groepen, of van verschillende economische factoren, maar een goede samenleving zal er zijn bij de gratie van de HERE, en van een juiste verhouding tot Hem en zijn geboden. Het hele leven mag het ritme van arbeid en rust van God de HERE zelf weerspiegelen. Dat is een regel vol van genade voor de samenleving. En wat in het sabbatsjaar vanzelf groeit is voor de armen en voor de dieren! (Zie Lev. 25 passim).

De geboden bedoelen méér dan het uiterlijke gedrag te beïnvloeden

Karakteristiek voor de sociale wetgeving in Israël is het zware accent op ieders persoonlijke verantwoordelijkheid. Het lijkt niet wèl mogelijk hier een onderscheiding aan te brengen in structurele en persoonlijke aspecten. De sociale wetten staan nergens los van de eisen van een persoonlijke ethiek. Het lijkt ook van betekenis voor de huidige situatie dit op te merken.

Vernieuwing van structuren mag en kan een eis zijn van christelijke sociale ethiek en christelijk sociaal handelen. Maar met de vernieuwing van de structuren op zichzelf is men er nog niet. Het is de mens, die voor het functioneren van de structuren verantwoordelijk is. God heeft alles onder de voeten van de mens gelegd (Ps. 8), daarom behoort het tot de sociale ethiek de plaats van de mens in de schepping tot gelding te brengen.

Alleen vanuit de visie op de mens als beeld Gods en op de aarde als Gods schepping, waarover de mens heerschappij te voeren heeft, zal men de juiste kijk kunnen krijgen op de structuren of instituten van de samenleving.

Vandaar die persoonlijke gerichtheid van Israëls sociale wetgeving. Ieder wordt daarin gedurig aangesproken op de houding van het hart. De HERE vaardigt het voorschrift uit: „Gij zult uw broeder in uw hart niet haten” (Lev. 19 : 17). En in Lev. 25, in de wet op de instelling van het jubeljaar, staat over degene, die om het verlies van zijn grond tot aan het jubeljaar als dagloner moet dienen bij zijn schuldeiser: „zo zal hij als een dagloner van jaar tot jaar bij hem zijn; deze zal bij u niet met hardheid over hem heersen”. (Lev. 25 : 53). Dit is met structurele maatregelen niet te bereiken. Toch is het essentieel voor bijbels, evangelisch gefundeerde verhoudingen.

Juist hier is het raakvlak van wet en evangelie. Het evangelie verandert de gezindheid. Daarom eist God het ook van ons. In dit opzicht is het Nieuwe Testament niet anders dan het Oude. Beide stellen de mens coram deo — voor Gods aangezicht — in al zijn relaties.

In de strijd, die Paulus te voeren heeft tegen het Judaïsme verzet hij zich juist tegen het hanteren van geboden, die losgemaakt zijn van de — met heel de wet verweven — geëiste gezindheid van het hart. (Zie o.a. Gal. 5; Rom. 13 : 8-10).

Als Christus vrijmaakt van de wet, dan is dat van die ceremoniële verplichtingen, die Hij vervuld heeft, maar niet van de gezindheid, die de wet eist, en die door Hem ook wordt geschonken. Het grote gebod blijft gehandhaafd (Matth. 22 : 37-40). Structurele maatregelen in de samenleving zullen er mede aan moeten worden gemeten of ze dáár ruimte aan geven.

Jezus Christus heeft de wet in volmaakte liefde vervuld, en leert ook de zijnen de wet van God lief te hebben. Vanuit het evangelie is dat een centraal gegeven voor personele èn sociale ethiek.

Hoofdstuk 4

DE ANTITHESE TUSSEN HET RIJK VAN GOD EN HET RIJK VAN DE ANTICHRIST

Een bijbels gegeven

Dat er sprake moet zijn van een antithese wordt bepaald door wat de Heilige Schrift zegt over het Rijk van God en het rijk van de antichrist. Van het Koninkrijk Gods werd reeds vastgesteld:

— het ìs gekomen met de komst van Christus;

— het heeft in deze bedeling nog een voorlopig karakter en wacht op de voleinding;

— deelhebben aan dit Koninkrijk vraagt een door de Heilige Geest gewerkte bekering en persoonlijk geloof.

Deze gegevens brengen met zich mee, dat niet van het universele karakter van het Rijk van God te spreken is als een onaangevochten feit.

Weliswaar strekt de komst van het Rijk Gods zich naar heel het geschapen leven uit, maar in alle schriftgegevens hierover wordt de spanning van het gelóóf voelbaar. „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Matth. 28 : 18) zegt Christus. Maar de erkenning daarvan is in eerste instantie beperkt tot de gemeente. Die neemt in de zichtbaarwording van het Rijk Gods dan ook een belangrijke plaats in. „En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld, en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt”. (Ef. 1 : 22-23). De gemeente is het door God verkoren en geroepen volk, dat in het heil van het Rijk mag delen.

Maar juist als het gaat om de invloed, de uitstraling van het Rijk op het terrein van de wereld, van de samenleving, wordt duidelijk, dat de wereld door nog een andere invloed wordt beheerst.

Heeft Christus alle macht in de hemel en op de aarde gekregen, dat neemt nog niet weg, dat de duivel de „overste van deze wereld” heet (Joh. 12 : 31; 14 : 30; 16 : 11). Wat hij op deze aarde tot stand brengt, wordt in zijn uiteindelijke doorwerking zichtbaar als het rijk van de antichrist. Voor de satanische oorsprong ervan zie 2 Thess. 2 : 9 en in het boek Openbaring de relatie tussen de draak en de beesten, bv. Openb. 13 : 4.

Kenmerkend voor dit rijk is, dat het zich tegen al wat van God is verheft (2 Thess. 2:4). Paulus denkt in dit schriftgedeelte wel aan een persoon (antichrist), dit neemt echter niet weg, dat de antichrist ook bij Paulus niet los te denken is van heel de aan God en Christus vijandige macht en gezindheid in de geschiedenis. In 2 Thess. 2 : 7 wordt ook duidelijk verband gelegd tussen de mens der wetteloosheid en de ontwikkeling, die op zijn verschijning uitloopt. Zoals Christus een persoon is, maar tevens één is met allen, die in Hem geloven en onder zijn heerschappij staan, zo is ook de antichrist niet maar een goddeloos individu, maar een concentratie van goddeloosheid, die reeds voor hem uitgaat en die allen, die hem bij zijn verschijning volgen, met hem tot een eenheid verbindt.

Vóór de mens der wetteloosheid uit gaat de werking der wetteloosheid.

In het Nieuwe Testament is nogal enige variatie ten aanzien van het spreken over de antichrist.

Johannes spreekt van „vele antichristen”, en vooral van de geest van de antichrist, die betiteld wordt als de „geest der dwaling” tegenover de „geest der waarheid” (1 Joh. 4 : 1-6), die onderkend moeten worden.

Uit Openb. 13 blijkt hoe totalitair het optreden is van de antichrist. Er is zelfs sprake van een „aanbidding van de draak”. Dat wijst bovendien ook op het religieuze karakter van het rijk van de antichrist. Ook Paulus wijst dit aan. Hij — de antichrist — zet zich in Gods tempel (2 Thess. 2:4). Hij matigt zich dus goddelijke eer en verering aan.

Betekenis voor de kerk en haar roeping

Vanuit de schriftgegevens komt de noodzaak op ons af om de geesten, die werkzaam zijn in deze wereld, te onderscheiden (1 Joh. 4 : 1; 1 Cor. 12 : 10; Hebr. 5 : 14). De antichrist met zijn invloedssfeer is niet onmiddellijk in zijn wezen kenbaar uit zijn uiterlijke verschijning. Er is zelfs sprake van een aanlokkelijkheid: „verlokkende ongerechtigheid voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden” (2 Thess. 2 : 10).

Het is een sluipend gevaar, dat onderkend moet worden. Het gaat om een aardse macht, die zich de rol van Christus zelf aanmatigt. Zelfs de kerk zou antichristelijk kunnen worden. Immers als de kerk, of haar leer, of het ambt of wat dan ook, op de plaats van Chrstus komt te staan, is men voor de verleiding van de antichrist bezweken. Overal waar men Christus niet helemaal en volledig de Heiland, de Verlosser laat zijn, waar men zijn werk voor een deel of zelfs geheel wil overnemen of in iets anders laten opgaan, hebben wij te maken met het antichristelijke.

Dit maakt onze eerder genoemde bezwaren tegen het spreken van een „anoniem christendom” nog klemmender. Wat christelijk lijkt, maar waar Christus’ Naam niet beleden wordt, moet met gelovige argwaan op zijn waarde, of liever op zijn „waarheid” (1 Joh. 4 : 6) getoetst worden.

Het is overigens opmerkelijk dat voor de gelovigen, zoals Calvijn stelt, het bijbelse spreken over de antichristelijke macht en de antichrist zelf fungeren kan als een stuk vertroosting. In dit verband wordt dan gewezen op o.a. Hand. 3 : 21. Het Koninkrijk van God is pas begonnen, het moet door allerlei moeiten heen, maar het kómt zo tot zijn voltooiing. De macht van de antichrist is overwonnen; daarom staat Openb. 12 vóór Openb. 13!

Boven het rijk van de antichrist staat de macht van God en de overwinning van Christus. Het geloof heeft daar weet van. De ongerechtigheid zal niet aan het oordeel ontkomen; niet in de tijd, „want de toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden” (Rom. 1 : 18), en vooral ook niet in de voleinding, „Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen”. (2 Petr. 3 : 7; vgl. Openb. 21 : 8).

Maar op het terrein van de wereld ontmoeten deze twee werkelijkheden, deze twee rijken, elkaar gedurig.

Het karakter van het Rijk van God, en dat van het rijk van de antichrist, doen deze ontmoeting de aard hebben van een antithese, een tegenover elkaar staan, een tegengesteld zijn aan elkaar.

En hoe meer de eindtijd nadert, des te meer zal de antithetische houding van de gelovige, die de geesten heeft leren onderscheiden, moeten toenemen. Deze opstelling zal een duidelijke plaats ontvangen in het leven van de gelovigen, alsmede in het midden van de christelijke gemeente.

Het „hoe” van de antithese

Dat de antithese een bijbels gegeven is, en dat dat ook een roeping met zich mee brengt voor de kerk en de gelovigen in de positie, die ze in de wereld innemen, is duidelijk.

Dat dit in de praktijk niet eenvoudig is, kan ook duidelijk zijn.

Van de gelovigen en van de kerk mag een antithetische levenshouding gevraagd worden. Die moet echter niet verward worden met een negatieve levenshouding. Integendeel! De antithese komt immers op uit het grootste „positieve” feit in de wereldgeschiedenis: de overwinning van de Here Jezus Christus.

Van die antithetische levenshouding wordt o.i. in de huidige situatie van kerk en samenleving weinig zichtbaar.

Is de oorzaak van deze gesignaleerde opstelling misschien te wijten aan het feit, dat hoe meer de „religie” van het rijk van de antichrist toeneemt, des te minder de antithese wordt onderkend en beleefd?

Denk bv. aan de geest der dwaling, die God zendt (2 Thess. 2 : 11).

Heeft dit wellicht ook te maken met een geseculariseerde vulling, die aan de begrippen „Koninkrijk Gods”, „gerechtigheid”, „heil” wordt gegeven, zoals hiervoor besproken? In elk geval is het een feit, dat de vroegere leer van de antithese aan kracht heeft ingeboet.

Toch blijft de vraag naar het „hoe” van de antithese een antwoord vragen. Het gaat er om. in hoeverre wij de antithese in de praktijk institutioneel gestalte geven.

Het Nieuwtestamentische spreken over de vreemdelingschap (1 Petr. 1 : 1; Hebr. 11 : 13-16; Joh. 17 : 11, 14) wijst ons de goede richting. De houding van de vreemdelingschap is een antithetische houding, maar wel positief gevuld vanuit het begrip solidariteit, als dienst, meeleven en liefde, mèt de in het vreemdeling-zijn gegeven begrenzing.

Toch is het „hoe” hiermee nog niet voldoende gevuld. Deze fundamentele begrippen moeten toegespitst worden naar concrete situaties, die zich voordoen in de samenleving. Want èn als individuele gelovigen èn als gemeente maken we deel uit van de samenleving. Ook daar moeten naar Gods Woord „wet en evangelie” als norm worden gehanteerd.

Soms wordt geponeerd, dat, wanneer gevraagd wordt naar bepaalde concretiseringen in de situatie van nu, de bijbel ons in de steek laat. Wie echter de bijbel goed leest en gebruikt komt tot een andere conclusie. Leven bij de bijbel opent hier wel degelijk uitzichten.

We vinden er meer direktheid en eenvoud dan men zich wel voorstelt. Het „hoe” zal zich dan ook vooral moeten toespitsen daar waar het Woord verkondigd wordt. Dat is „toerusting”.

Bij deze ambtelijke toerusting gaat het in alles erom heen te werken naar de „nieuwe mens” (bekering) — en zijn relaties tot God, tot zijn medemens en tot de natuur.

Dit houdt dan tevens in: als christen in de samenleving verkeren in verantwoordelijkheid èn met een antithetische opstelling.

Hierin ligt de wortel van de roeping van de kerk en hiermee is ook een belangrijk stuk van het „hoe” aangegeven.

De verkondiging op de zondag is daarbij ook uitgangspunt voor de dagelijkse ambtelijke bearbeiding van de gemeente, waarbij het de bedoeling zal moeten zijn het ambt der gelovigen in de drie bovengenoemde relaties te doen functioneren (vgl. Ef. 4 : 11-12).

Dit alles kan geen statisch karakter hebben. Zoals het beeld van de antichristelijke macht zich steeds sneller wijzigt, zo zal ook de verkondiging en de toerusting hiermee rekening hebben te houden.

Onderkennen en vertalen zijn in dit verband belangrijke elementen.

Bij het zich toespitsen van de tegenstelling tussen het Rijk van God en het rijk van de antichrist zal de kerk in toenemende mate geconfronteerd worden met de vraag of ze ook als kerk niet zal moeten spreken. De christenheid verkeert in dit opzicht in een spanningsveld, — dat overigens weer geheel terug te brengen is tot en bepaald wordt door de vulling van de bijbelse antithese.

In die spanning zal de kerk alleen op de juiste manier staande blijven als zij leeft in het vaste geloof in de overwinning, die ze heeft in de Here Jezus Christus, en als ze daarom standvastig is, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat haar arbeid niet vergeefs is in de Here. (1 Cor. 15 : 57-58).


*) Zie verder ook blz. 20 „Nog eens: Oud en Nieuw Testament”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.