+ Meer informatie

De schoolstrijd

6 minuten leestijd

(5.)

Stand der partijen.

Eén fase in de schoolstrijd was nu afgesloten, de strijd om vrijheid. Deze vrijheid lag verankerd èn in de grondwet èn in de onderwijswet van 1857. Deze vrijheid, zowel als de bestaansmogelijkheid zouden van nu af aan fel verdedigd moeten worden tegenover hen, die het op de ondergang van de Christelijke School hadden toegelegd.

Een vooraanstaande plaats werd onder deze bestrijders ingenomen door Prof. Hofstede de Groot, de voorman van de zgn. Groninger richting, welke de godheid van Christus loochende en ijverde voor een Christendom boven geloofsverdeeldheid. Deze Hofstede de Groot had bijzonder grote invloed op het onderwijs als inspecteur èn als voorzitter van het N.O.G. (Nederlandse Onderwijzers Genootschap). Bovendien ook nog via de kansels, waar met name de jonge Hervormde predikanten zijn inzichten uitdroegen. Hij was een voorstander van Bijbels onderwijs op de scholen om de zedelijke waarde, maar daarbij moesten de Joodse leerlingen zoveel mogelijk ontzien worden. Wat bleef er zo over van Christelijk onderwijs op de Openbare school?

Verder in hun bestrijding gingen vele Liberalen; deze propageerden een openlijke afkeer van het Christendom, hetwelk leerde, „dat de vlekkeloos heilige een vader zou hebben geboden zijn eniggeboren zoon te slachten", dat deze „geen vergiffenis kon schenken aan zich bekerende zondaars zonder het schuldeloos sterven van zijn eigen mensgeworden zoon." Dit noemden zij bijgeloof en miskenning van de opperste wijsheid.

Deze taal was erger nog dan de neutraliteit van de Groningers. Het was ongeloof spropaganda van de ergste soort, welke ook gevoerd werd door mannen van het schooltoezicht.

De Joden waren zelfs wars van een kwasie-Christelijk karakter van de openbare school; de Bijbel stond bij hen op de index!

Het is te begrijpen dat waar de Openbare School in handen was van in hoofdzaak deze drie groepen (de Groninger richting, de modernen en de Israëlieten), deze steeds meer ontkerstende.

Helaas waren ook bij de voorstanders van de Christelijke school verwerpelijke ideeën. Wèl waren allen het er na 1857 over eens, dat de Openbare school had afgedaan als inrichting voor een werkelijk Christelijke opvoeding. Nu Groen zag, dat op facultatieve splitsing der Openbare school niet te rekenen viel, spande hij onvermoeid zijn krachten in voor de vrije Chr. School met de Bijbel. Daarin volgden hem wel nagenoeg alle vrienden, maar toch waren er geschilpunten. De Ethischen (Beets bijv.) waren wars van dogmatisch gefundeerd onderwijs. Bij de anderen was er nog weer verschil, of het ondenvijs dogmatisch gefundeerd moest zijn (natuurlijk een vrij rekkelijke uitdrukking!), dan wel of er onderwijs in de belijdenisschriften zelf, speciaal de Heidelbergse Catechismus, gegeven moest worden. Dit laatste stonden de meeste Afgescheidenen voor.

Nieuwe strijd.

Er was in de stichting van scholen na 1857 enige verslapping ingetreden, welke zeer begrijpelijk was.

In de eerste plaats was het nog lang niet genoeg doorgedrongen, dat de openbare school niet deugde voor kinderen wier ouders de Doopsbelofte hadden afgelegd. De afglijding van de Openbare School was een langzaam proces en in het zenden van de kinderen naar die school lag een zekere traditie: vader en grootvader hadden er ook hun onderwijs genoten!

Voorts: er was zoveel geld nodig voor de stichting van een eigen school: alles moest zelf bekostigd worden. En het waren meestal niet vele rijken en niet vele edelen.

Daarbij kwam de smaad en veelal broodroof voor hen, die het waagden hun kinderen te zenden naar een Chr. school.

Daarom werd in 1859 opgericht de vereniging voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs met Groen als erevoorzitter, welke de oprichting van scholen krachtig bevorderd. Het gevolg was, dat er in de 60-er jaren zoveel scholen bijkwamen, dat de voorstanders van het openbaar onderwijs zich reeds ongerust gingen maken, hoewel daar allerminst reden voor was, want alle voordelen waren aan hun kant: het aantal openbare scholen was zeer veel groter (in schier elke plaats was er een); ze werden beschermd en bekostigd door de gemeentebesturen; hadden voldoende onderwijzers en een overvloed van leerkrachten.

Toch gaan de voorstanders van het openbaar onderwijs middelen beramen om de bijzondere scholen te treffen en ze vinden deze middelen!

1. In enkele honderden gemeenten werd ingevoerd het kosteloos openbaar onderwijs. De ouders die Chr. onderwijs wensten, betaalden nu dubbel. Eerst door het schoolgeld, dat aan de Chr. Scholen wel aan de hoge kant moest zijn. En dan nog eens via het belastingbiljet om de openbare school te bekostigen. Wat is dat voor menige ouder een zware strijd geweest, als het laatste dubbeltje omgekeerd moest worden, om dan toch te kiezen voor de Christelijke school!

2. Door de verplichte vaccinatie in te voeren, waartegen toen nog alom in het land gemoedsbezwaar was bij het Gereformeerde volksdeel. Zo werd om deze reden in 1864 een school gesloten.

3. Volgens de Grondwet moest de Overheid zorgen dat allerwege voldoende lager Onderwijs gegeven werd. Met een beroep op deze grondwettelijke bepaling werden nu alom Openbare Scholen gebouwd, zelfs daar waar dit slechts voor 2 of 3 leerlingen begeerd werd, zoals bv. te Wons in Friesland.

4. Zelfs werd, als concurrentiemiddel!, soms de Bijbel en de Catechismus op de Openbare School ingevoerd, bijv. in Zuid Beijerland. In feite was dit een Wetsovertreding, die nu veelal door de vingers gezien werd!

Grote offers!

Protesteren in de Kamer en aandringen op subsidie voor de Bijzondere Scholen was vruchteloos. Subsidie? Die kon elke school krijgen, mits haar karakter gelijk was aan dat van de Openbare School. Terecht merkte één van de afgevaardigden op: „Dat staat gelijk met te zeggen: „Ik zal U pensioen geven, mits ge sterft."

Ontzaglijk zijn de offers geweest die in die tijd gebracht zijn, èn door de besturen, èn door de ouders. Treffend is het voorbeeld van de moeder, die geen schoolgeld kon betalen en dan de 35 cent geeft die haar kinderen gekregen hebben met het Nieuwjaar wensen. Een ontroerend eenvoudig briefje gaat erbij: „Moge de Heere dit weinigje zegenen."

Maar óók zijn de offers groot van de zijde van de onderwijzers. De salarissen zijn laag, de klassen zeer groot, soms over de 100 leerlingen. Velen zijn oud geworden voor hun tijd en in de bloei van hun leven ten grave gesleept. En dan lokte het Openbare Onderwijs met hogere salarissen, kleinere klassen, mooiere lokalen en betere leermiddelen. En bicven ze dan bij het Chr. Onderwijs, dan kregen ze bij het lagere salaris nog schimp en smaad.

Daarbij kwam dat de Chr. Onderwijzers nog grotendeels moesten zorgen voor eigen Chr. leerboeken, met name leesboeken. Sedert 1800 waren boeken in gebruik op de Openbare School van het slag van de „Brave Hendrik", dat meer dan 50 drukken beleefd heeft. Hierin worden 2 hoofddenkbeelden voorgesteld:

1. Hendrik is deugdzaam en kan daarop de eerkroon bij God verwachten en

2. Om in de hemel te komen moeten de kinderen hem navolgen.

Waren er al boekjes in een enigszins Christelijke geest (al kwam dit maar uit in een gedicht), dan werd dat, vooral na de wet van 1857 nog gewijzigd. Bijv. de versregel: „Wie in Christus Jezus sterft", werd veranderd in: „Wie in vroom vertrouwen sterft."

Het is duidelijk dat voor de Chr. School eigen boekjes nodig waren. Goed werk is verricht door ds de Liefde en door H. J. van Lummel. Goed werk, vooral als we ze vergelijken met wat thans veelal op de markt gebracht wordt ten behoeve van het Chr. Onderwijs.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.