+ Meer informatie

EEN GESCHIEDENIS VAN DE CLASSIS

3 minuten leestijd

Met de regelmaat van de klok verschijnen er kloeke delen in de serie ‘Theologie en geschiedenis’, onder redactie van onze hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht prof. dr. H.J. Selderhuis. In deze serie verschijnen promoties op het gebied van de kerkgeschiedenis, die aan een Nederlandse universiteit verdedigd worden. Ik noem als voorbeeld het proefschrift van prof. Baars ruim een jaar geleden. Nu ligt er op mijn bureau een doorwrochte studie over de geschiedenis van de classicale vergaderingen. De verschijning van de Ontwerp-kerkorde van 1994, maar vooral de uitoefening van het classicale scribaat, dat de auteur een drietal jaren was toevertrouwd, prikkelde hem tot onderzoek naar verschillende classicale typen.

Dat is niet zonder belang. De classicale vergadering is immers bij uitstek het platform waarbij het kerkverband zichtbaar wordt: afgevaardigden van plaatselijke kerkenraden ontmoeten elkaar rond de Schrift en delen in eikaars zorgen én wijsheden. Althans, zo hoort het zijn, maar al op de eerste bladzijden van de studie (blz. 39) ziet men hoe ideaal en werkelijkheid soms ver van elkaar af liggen.

De auteur duikt in de geschiedenis van de reformatie en gaat de ontwikkelingen na die geleid hebben tot wat wij nu als ‘classis’ kennen. Eerst komen allerlei typen tot 1816 ter sprake; dat is een belangrijk jaartal: het Algemeen reglement doet immers zijn intrede en de classis verwordt tot een soort bestuurslaag, die niet meer gevoed wordt door geloofsvragen en -zaken. De lijn van de Dordtse Kerkorde (hoofdstuk 3) vindt men meer terug in het gereformeerde type van kerkregering. In de Kerkorde van de PKN smelten het oude hervormde en oude gereformeerde type samen. De classicale vergadering krijgt een sleutelpositie in het kerkelijk leven als de provinciale ‘bovenlaag’ verdwijnt (de NHK kende nog de provinciale kerkvergadering). Zij fungeert als een middenweg tussen een top van bovenaf en een van onderop georganiseerde basis (met deze woorden laat de kerkregering van de PKN zich meer typeren dan met de woorden ‘breder’ en ‘minder’).

De auteur is vrij sceptisch, als ik het goed zie, over de vraag of de classis, zoals deze nu in de PKN functioneert, zal kunnen bijdragen aan een werkelijk kerkelijk gesprek (blz. 531), maar terecht stelt hij dat het antwoord op deze vraag slechts in de toekomst beantwoord kan worden. Voor ons doemt er bij lezing van dit proefschrift een vraag op: in hoeverre beantwoorden ónze classicale vergaderingen aan deze norm? Twee maal per jaar (minimaal) ontmoeten afgevaardigden van kerkenraden elkaar op deze vergadering. De rondvraag naar art. 41 K.O. brengt ons bij het hart ervan: het met eikaars wel en wee meeleven. Maar niet altijd kijken we elkaar daarbij in het hart. Soms laten we ons eigen hart gesloten, uit angst voor geestelijke beschadiging — en dat moet toch een oorzaak hebben. Soms zoeken we het hart van de ander ook niet, en stellen we ons tevreden met het nalopen van onze formeel-kerkelijke regels. Terwijl dat toch slechts het begin kan zijn van wat wij samen beogen…

n.a.v.: C. Van den Broeke, Een geschiedenis van de classis. Classicale typen tussen idee en werkelijkheid (1571–2004). Uitg. Kok Kampen 2005, 597 blz., € 39,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.