+ Meer informatie

Over woestijnvaders en protestantse kluizenaars

Wijsheid uit de woestijn (II)

13 minuten leestijd

Onlangs werd het volgende verhaal verteld. Enkele jongeren, afkomstig uit een van de Nederlandse protestantse kerken, beoefenden op bepaalde tijden een vasten. Zij waren getroffen door de vele keren dat in de bijbel - zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament - sprake is van vasten- en boetedagen, van tijden van stille afzondering voor verootmoediging en gebed.

Ze kenden weliswaar het woord van Christus dat de bruiloftskinderen niet vasten terwijl de Bruidegom bij hen is. Maar ook dat de dagen komen zouden Waarin de Bruidegom van Zijn discipelen is weggenomen en dat dezen dan zullen vasten.

In eerste instantie zal velen van ons de gedachte aan vasten en stille afzondering - kortom: ascese - nogal vreemd in de oren klinken. Is dat alles niet typisch onreformatorisch? Hebben bijvoorbeeld Luther, Zwingli en Calvijn niet afgerekend met allerlei ascetische strevingen, zoals die in de Roomskatholieke Kerk van hun dagen tot uitdrukking kwamen? Hebben zij vergeefs gewaarschuwd tegen een foutief heiligheidsstreven, tegen een valse verdienstelijkheid en een veronachtzamen van Gods goede gaven?

Inderdaad is het juist, dat het begrip „kloosterlijke ascese" geenszins behoort tot het reformatorisch taaleigen. Men leze er bijvoorbeeld de uitvoerige weerleggingen van Calvijn in - vooral het vierde boek van zijn Institutie op na.

Maar men realisere zich hierbij terdege, dat de kritiek van de Reformatoren zich niet zozeer richtte tegen de ascese als zodanig, alswel tegen de verwording daarvan. Wat er in het kloosterwezen van hun dagen van gemaakt was, daértegen stelden zij zich te weer. Fel was hun protest tegen de gedachte dat het leven als monnik of kluizenaar een soort ,,tweede doop" zou zijn, uitstijgend boven en verdienstelijker dan het gewone leven als Christen.

Er is hierbij evenwel óók de andere zijde, niet het minst in de calvinistische traditie. Naar bekend hebben sociologen als Max Weber en Ernst Troeltsch de houding van Calvijn en zijn navolgers ten aanzien van de wereld en de wereldse goederen gekenschetst als binnenwereldse ascese („innerweltliche Askese").

De vraag nu terzijde latend of zij in alles geheel juist karakteriseerden, toch moet wel gesteld worden dat er in het calvinistische levensgevoel een onmiskenbare spirituele terughoudendheid aanwezig is en dat deze het dagelijks leven op een duidelijke manier heeft gestempeld.

Men begreep in de wereld te zijn, maar niet ervan; Er was eeuwenlang een duidelijke vrees voor wereldgelijkvormigheid; de wereld was voor velen vooral in de latere tijd - tot een woestijn geworden, tot een oord vol bedreigingen en verlokkingen. De distantie bleef tastbaar en uitte zich in een „ascese" midden in de wereld. Er was voortdurend sprake van ,,geen uitleven in de tijd, maar inkeer in de eeuwigheid..." (Noordmans).

Ascetische trekken
Kloosterlijke ascese als een verdienstelijk werk werd scherp afgewezen. Evenwel, men behoeft zich slechts Calvijns visie op de levensheiliging in herinnering te roepen, om te weten dat daarin onloochenbaar ascetische trekken aanwezig zijn. Men zie bijvoorbeeld boek III van zijn Onderwijzing in de christelijke godsdienst. In dit deel van de Institutie schrijft de Hervormer enkele hoofdstukken over het leven van een Christenmens en accentueert hij daarin het kruisdragen, de zelfverloochening, de overdenking van het toekomstige leven.

Dit gedeelte vormt - kwantitatief gezien - slechts een gering onderdeel van zijn gehele werk. Maar is het zonder reden dat juist dit stuk ooit door de schrijver zelf - het was in 1550 - apart werd uitgegeven?

Voor zover ons bekend heeft Calvijn dit nooit met enig ander deel van zijn Institutie gedaan: we kunnen er het bewijs in zien, hoezeer hij de hier voorgedragen zienswijze op het christelijke leven essentieel achtte. Trouwens de in boek III klinkende tonen zijn óók te horen in de rest van de Institutie: verwezen zij slechts naar de positieve uitspraken over het vasten in boek IV.

Het waren deze en dergelijke gedachten - we komen er straks nog kort op terug - die ons bezighielden bij het doornemen van een ter recensie ontvangen boekje onder de titel „Wijsheid uit de woestijn".' Het verscheen enige maanden geleden bij Gottmer in Haarlem, die het te zamen met de Belgische uitgeverij Altiora te Averbode op de markt bracht, (75 pag., prijs ƒ 12,90).

De schrijver, Thomas Merton, verzamelde hierin een 150-tal uitspraken van en verhalen over woestijnvaders uit de vierde eeuw en voorzag dit geheel van een inleiding. Belangrijk is te constateren, dat dit uitgaafje niet op zich staat, maar met vele andere boeken over meditatie en spiritueel leven het fonds van de uitgevers vormt. Blijkbaar bestaat er een flinke belangstelling voor uitgave en heruitgave van oude en nieuwe „mystieke" teksten!

Nu zou het vrij gemakkelijk zijn een publikatie als deze met enkele woorden af te doen. Staan de erin beschreven woorden en daden van kluizenaars en monniken niet ver buiten onze belevingswereld? Is hun vlucht naar der woestijn geen pure desertie geweest, een soort struisvogelgedrag ten opzichte van de problemen van hun tijd? Zijn de geestelijke ervaringen van deze ,,eenzaten" niet in strijd met wat wij onder geloofsbevinding plegen te verstaan?

Wie alleen dit boekje en vooral de daarin gegeven inleiding van Merton als leidraad voor zijn oordeelsvorming neemt, zou gelijk hebben met een besliste afwijzing. Dit is allemaal weinig zeggend, niet het minst voor wie naar reformatorische visie wil oordelen.

Piëtisme
Er is evenwel veel meer te melden. In ons eerste artikel hebben we de achtergrond van de woestijnvaders in een wat breder verband gesteld en daarbij enke- Ie van hun woorden en bevindingen doorgegeven. Nu gaat het ons vooral om een nadere bezinning op hun ascetisch ideaal, op het woestijnmotief dat bij hen sterk naar voren komt en op hun gedachten over de geestelijke vernieuwing van de mens.

Het is opvallend, dat in het Duitse Piëtisme aan het eind van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw een geheel nieuwe belangstelling te bespeuren valt voor deze oude Egyptische kluizenaars en monniken.

Gottfried Arnold geeft in deze tijd hun levensbeschrijvingen en uitspraken opnieuw uit. In 1700 verschijnt te Halle zijn „Vitae patrum of het leven van de oudvaders en andere godzalige personen". De schrijver stelt het ascetische Christendom van de „oudvaders" tegenover de dode orthodoxie van zijn tijd: toen was er waarlijk geestelijk leven, ascese, streven naar heiliging; nu is er de doodsheid en de dorheid, de woordkramerij van een levenloos Christendom.

Arnold wil met dit werk de vromen van de reformatorische kerken een stichtelijk boek in handen geven. In de inleiding ervan schrijft hij een uitvoerige apologie van het kluizenaarsbestaan. Hij beroept zich hierbij op diverse uitspraken van Luther: Luther heeft weliswaar op vele plaatsen het bijgeloof van monniken en andere eenzamen bestreden, maar hij heeft zich ook dikwijls in positieve zin geuit.

En niet alleen hij: ook reformatorische theologen als Andreas Rivetus, Antonius Marcellinus of Gisbertus Voetius hebben zich over het eenzame leven in gunstige zin uitgelaten. Trouwens, ook het hogelijk gewaardeerde boekje van Thomas a Kempis „Over de navolging van Christus" is vol lofspreuken op de eenzaamheid.

Macarius
Arnolds boek maakt indruk. Voor zijn visie op de christelijke boetvaardigheid, de heiliging en de christelijke volkomenheid roept hij de oude woestijnvaders te hulp.

Inzonderheid Macarius, wiens homilieën hij in Duitse vertaling laat verschijnen, is een kroongetuige. Via Arnold wordt dit meditatieve boek een van de meest geliefde stichtelijke werken van het Duitse Piëtisme en oefent het aldus Ernst Benz - inzonderheid op de radikale stroming daarin een sterke invloeduit.

Genoemde Macarius werkt trouwens ook in de Nederlanden door: men zie daarvoor in het bijzonder de in 1977 te Utrecht verdedigde dissertatie van dr. J. H. van de Bank.

Laatstgenoemde meldt ook, dat Arnolds geschrift over de woestijnvaders reeds in 1701 te Amsterdam in Nederlandse vertaling verschijnt: „Het Leeven der voornaamste Oudvaders of Woestyniers, bij een vergaarderd en met een Voorreede voorzien". Ook andere werken van Arnold komen in onze taal uit en spreken van zijn liefde voor de oude woestijnvaders.

In de ,,Historie der Kerken en Ketteren" luidt het met betrekking tot de oude kluizenaars: „Verders gaat het iemand, die de geschriften van deeze en de volgende tyden leest, eeven als wanneer men uyt een dor Woud in een vermaakelyken Lusthof komt". In plaats van theologische spitsvondigheden vindt men hier ,,veel zoetigheyd der goddelijke kragt".

Hollandse koopman
Zozeer spreekt het ideaal van de oude vaders in Egypte's woestijnen voor Arnold, dat hij zelf als kluizenaar gaat leven. Hij gelooft, dat deze manier van leven - zonder ze als heilsnoodzakelijk te beschouwen zoals in het ontaarde monnikendom - voor de eigen tijd wel eens een goddelijke roeping kan zijn.

Hij staat daarin merkwaardigerwijze niet alleen. De tijdgenoot Johann Henrich Reitz vermeldt in zijn Historie der Wedergeborenen verschillende protestantse kluizenaars. Onder hen bespreekt deze Duitse auteur ook een Hollandse koopman, daarbij zijn informatie halend uit een anno 1697 te Amsterdam verschenen geschrift: ,,De welsprekende Eremyt, ofte het wonderbaar leven en de verandering van een groot coopman in een hemelsgesinde kluyzenaar".

Hierin wordt op bijzonder interessante wijze verhaald, hoe een koopman zich eerst uitleeft in zijn werk en zijn - uiterlijke - gereformeerde godsdienst, preken hoort waarin allerlei geleerdheid overvloedig wordt uitgestald, maar uiteindelijk radikaal breekt met zijn weelderig bestaan en oppervlakkige godsdienstigheid en de eenzaamheid opzoekt. Het boek wordt besloten met dichtwerk van Jodocus van Lodenstein...

Binnenkamer
Met laatstgenoemde zitten we wat het woestijn- en kluizenaarsideaal betreft op een iets ander spoor. In de geschiedenis van de christelijke kerk zijn er namelijk telkens velen geweest, bij wie het motief van afzondering in de woestijn wel een grote rol speelt, maar dan in figuurlijke zin. Niet letterlijk vlucht men uit de wereld en zoekt de woestijn op om daar de eenzaamheid te vinden, maar het motief is verinnerlijkt.

Reeds bij de Moderne Devotie valt dit te constateren: De vlucht in de woestijn is de vlucht in de binnenkamer. In dit toevluchtsoord der stilte vinden de meditatie, de strijd, de zelfbeproeving en het gebed plaats. Zo blijkt het bijvoorbeeld in het invloedrijke boekje dat op naam staat van Thomas van Kempen.

Het is ook deze spiritualisering van het woestijnbeeld die doorklinkt in de liederen van Van Lodenstein, „de protestantse monnik". Naar ons inzicht moet vanuit deze achtergrond bijvoorbeeld een beroemd gedicht als ,,Eensaemheyd met God" verstaan worden:

,,O Woestijne!/ Daer verdwijne'/ Moet wat in de wereld blinckt;/ Daer mijn ooren/ Niets en horen,/ Daer mijn oog het al ont-sinckt./ O salig eensaam!/ Met Godt gemeensaem!/ Daer het al van Godtheyd blinckt!

's Wereits achten/ lck verachten/ Kan, in dese heyl-woestijn;/ Schatten, staten,/ Willig laten./ Al mijn lusten, sonderpijn./ O salig eensaam!/ Met Godt gemeensaem!/ Daar ick leev' op Hemels wijn!"

Soortgelijke motieven zijn ook bij tijdgenoten te horen. o.a. bij de Eibergense predikant Willem Sluiter, de „Gelderse Cats" die tegen het einde van zijn leven een eenzaam kluizenaarsbestaan leidt. Bij hen allen is er het zich terugtrekken in de innerlijke woestijn, het gebied van de ontmoeting met God. Gerhard Tersteegen zingt:

„O stille Wüsteney/ Von Welt von Sinnen frey/ Mit Gott im Grunde leben......"

Nog meerderen zouden te noemen zijn voor wie een ascetisch eenzaamheidsideaal bepalend is geweest. Dikwijls zijn daarbij in het Piëtisme de levensbeschrijvingen en spreuken van de oude kluizenaars als medidatie-lectuur gelezen! Zo kwamen velen tot een nieuwe levensstijl en tot ascetische levensheiliging.

Voor dit laatste valt bijvoorbeeld te denken aan Justinianus von Welz, de kluizenaar die aktief zending gaat bedrijven in Suriname, na eerst (men vergelijke dezelfde daad van graaf Von Zinzendorf) zijn adellijke titel afgelegd te hebben. Justinianus schept een modern anachoreten-ideaal: de eenzaam levende sluit zich niet af van de wereld, blijft ook meedoen met de eigen kerkelijke gemeente, kortom probeert in beide te werken tot eer van God en Zijn Rijk.

Wesley
Overeenkomstige trekken zijn te vinden bij de gebroeders Wesley. In hun studententijd raken zij diep onder de indruk van de omstandigheden in de Oude Kerk, niet in het minst van de levenswijze der Egyptische eenzaten, John Wesley bericht in zijn dagboek hoe hij, op weg naar Amerika, in een vliegende storm geboeid doorleest in Macarius.

Ook uit zijn levenswijze blijkt de invloed van de woestijnvaders: hij vast dikwijls, gebruikt het soberste voedsel, slaapt op de grond en onthoudt zich van wijn.

In Amerika zijn hem trouwens al protestantse kluizenaars voor geweest: in de wouden van Pennsylvania leven diverse van oorsprong Duitse Piëtisten in ascese. Er is ook hun klooster Ephrata, een protestants-christelijke gemeenschap waar onthouding, gebed en meditatie verbonden zijn met zeer aktieve dienst aan de naaste. Niet ten onrechte is er door Ernst Benz op geattendeerd, dat het deze en dergelijke figuren zijn die aan het begin stonden van de Amerikaanse geestesgeschiedenis!

Evangelische kruimels
We sluiten af. Een boekje over oude woestijnvaders gaf enige stof tot bezinning. De vraag is onvermijdelijk: Heeft een en ander ons vandaag nog iets te zeggen? Of - om met Luther te vragen - Zijn hier kruimels van de evangelische tafel die niet met het afval weggeworpen mogen worden?

We menen van wel. De ruimte laat ons niet toe dit breedvoerig uit te werken. We duiden daarom slechts enkele zaken aan.

Allereerst attenderen we erop, dat een zeker ascetisch levensideaal vanaf het allereerste begin in de christelijke kerk is voorgekomen. Het Nieuwe Testament legt daar op vele plaatsen getuigenis van af en de latere kerkgeschiedenis bewijst het telkens. We weten van ernstige ontsporingen, maar we willen ook in herinnering roepen dat bijvoorbeeld Calvijn de positieve elementen in zijn visie op het leven van een christen heeft opgenomen. Ze vormen er zeker een wezenlijk bestanddeel van.

Maar het gaat hierbij uiteindelijk om de levensheiliging! Dit is een belangrijk gegeven dat alle aandacht verdient wanneer in de Reformatie en bijvoorbeeld in de bloeitijd van de Nederlandse Nadere Reformatie zich ascetische trekken openbaren, mogen die niet gezien worden als blijken van een levensverachting. Integendeel, uiteindelijk wil men het verworven persoonlijke en maatschappelijke leven tot een echt zuiver christelijk leven maken. Het doel van de ascese is de oproep tot de heiliging van het leven. Te betreuren is wel dat in later tijd bij sommigen veel van dit oorspronkelijk evenwicht is zoekgeraakt.

Zoeken
Een tweede en laatste overweging. Is het geen ten volle serieus te nemen signaal, wanneer in onze tijd velen op zoek gaan naar echte geestelijke ervaring maar dan terecht komen bij allerlei Oosterse wijsheid en religie? Onze Westerse prestatie- en consumptie maatschappij bevredigt hen niet, veel kerkelijke verkondiging laat hen in de kou staan en men wendt zich ,,Oostwaarts". Heeft de christelijke Kerk voor hen geen antwoord meer?

Bezinning op deze vraag lijkt ons dringend geboden. En dan is het goed zich daarbij vooral rekenschap te geven van de ook voor heden uitermate waardevolle momenten uit de eigen christelijke traditie! We wezen al op enkele piëtistische doorvertalingen van oude idealen voor de eigen tijd. Te noemen zijn vele schatten uit de klassiek-gereformeerde tijd. Ze zijn naar onze mening de aandacht ten volle waard.

Nu moge het er nooit om gaan een oude, waardevolle traditie nieuw leven in te blazen door die zomaar te herhalen. Dat is een onmogelijkheid. Maar we zijn we ervan overtuigd, dat veel van de oude schatten naar hun intenties doorvertaald zouden moeten worden voor het heden, omdat er zeer wezenlijke dingen in gezegd zijn. Uiteindelijk zijn ze niet waardevol omdat ze oud en eerbiedwaardig zijn, maar enkel en alleen omdat ze de evangelische Boodschap willen laten doorklinken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.