+ Meer informatie

BESLUITEN VAN DE GENERALE SYNODE URK-MARANATHA/NUNSPEET 2013

46 minuten leestijd

A. KERKORDE (TEKST)

de synode besloot onderstaande artikelen te wijzigen of aan te vullen:

Artikel 4, lid 4b. te wijzigen:

4.b. 1. Een kerkenraad die van plan is een beroep uit te brengen op een predikant of beroepbaar gestelde kandidaat uit een kerkgemeenschap in het buitenland waarmee wij geen of beperkte correspondentie onderhouden, zal in een vroeg stadium van het beroepingswerk aan deputaten buitenlandse kerken om advies vragen. Deputaten geven dit advies schriftelijk en gemotiveerd. In dit advies wordt specifieke aandacht geschonken aan de situatie van het kerkverband van de te beroepen predikant, de opleiding in diens kerken en overige relevante informatie.

Vervolgens zal de kerkenraad de gemeente bijeenroepen voor een stemming. Deze stemming is nog voorlopig en onder voorbehoud van het advies dat de classis geeft. Wanneer de stemming positief verlopen is, vraagt de kerkenraad vervolgens advies aan de classis. De classis zal dit advies pas geven nadat zij heeft kennisgenomen van het schriftelijke advies van genoemde deputaten. Wanneer het inzicht van de classis niet in overeenstemming is met de mening van deputaten, zal de classis het nemen van een beslissing opschorten. De classis zal de zaak opnieuw behandelen in aanwezigheid van de deputaten naar art. 49 K.O. en van minstens drie deputaten van het deputaatschap buitenlandse kerken.

Wanneer de classis haar goedkeuring heeft gegeven, brengt de kerkenraad het beroep daadwerkelijk uit. Indien de desbetreffende persoon de roeping van de gemeente aanneemt, zal hij niet tot de bediening van Woord en sacramenten in de Christelijke Gereformeerde Kerken worden toegelaten en in de gemeente die hem beriep, bevestigd worden, vóór hij zich ter classisvergadering met gunstige uitslag heeft onderworpen aan een colloquium doctum. Voordat dit colloquium kan plaatsvinden, dient een predikant bij deze classis een afschrift van zijn beroepsbrief en een verklaring van aanneming te overleggen. Daarnaast levert hij ook enkele goede getuigschriften in aangaande zijn belijdenis en levenswandel. Een beroepbaar gestelde kandidaat levert bij de classis een getuigschrift in als bewijs dat hij de vereiste studie aan een universiteit of theologische (hoge)school heeft volbracht en toegelaten is om te staan naar het ambt van dienaar des Woords. Ook hij levert daarnaast enkele goede getuigschriften in aangaande zijn belijdenis en wandel. Bij het colloquium doctum wordt eenzelfde mate van kennis vereist als bij een gewoon peremptoir examen in de Christelijke Gereformeerde Kerken. De classis zal bij elk colloquium worden bijgestaan door de deputaten naar art. 49 K.O.

4.b.2. Wanneer het gaat om een predikant of beroepbaar gesteld kandidaat uit een kerkgemeenschap waarmee wij volledige correspondentie onderhouden of een predikant die voorheen de Christelijke Gereformeerde Kerken heeft gediend en is overgegaan naar een kerkgemeenschap waarmee wij beperkte of volledige correspondentie onderhouden, dan zal dezelfde gedragslijn gevolgd worden als bij een predikant die binnen ons eigen kerkverband beroepen wordt; alleen met dit verschil dat onder leiding van de classis en in aanwezigheid van deputaten naar art. 49 K.O. niet een colloquium maar een broederlijk gesprek zal plaatsvinden. In dat gesprek gaat het om de wederzijdse herkenning inzake de leer, met name op punten die in (een van beide) kerkverbanden of in de actuele kerkelijke situatie een bijzondere rol spelen. Kerkenraden wordt geadviseerd de hulp van een classicale begeleidingscommissie in te roepen om zowel de betreffende predikant of kandidaat als de kerkenraad met raad en daad bij te staan tijdens zijn ‘kerkelijke inburgering’ (Acta 2007, art. 126 nr. 4).

Artikel 5, lid 4d. te wijzigen:

Als de classis een verklaring van bevoegdheid heeft afgegeven zal hij de formulieren van enigheid staande de vergadering ondertekenen. (zie voor het ondertekeningsformulier bijlage 39) en kan de kerkenraad overgaan tot zijn bevestiging.

Artikel 13 te wijzigen:

Art. 13. Als een dienaar des Woords door ouderdom, ziekte of om andere reden niet meer in staat is tot uitoefening van zijn ambt behoudt hij niettemin de eer en de naam van dienaar des Woords en heeft de kerk die hij gediend heeft, naar behoren in zijn levensonderhoud te voorzien.

Dezelfde verplichting heeft de kerk in het algemeen ook ten opzichte van weduwen en wezen der dienaren.

De gezamenlijke kerken onderhouden een algemene kas tot steun aan de plaatselijke kerken voor de verzorging van emerituspredikanten. Aan de generale synode is het beheer opgedragen.

Met ingang van 1 januari 2013 wordt aan deze verplichting ook invulling gegeven door een deelname in het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW).

1.

a. De emeritaatverklaring geschiedt op aanvraag van de belanghebbende via de kerkenraad door de classis, bijgestaan door de deputaten van de particuliere synode. Indien niet wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd emeritaat wordt aangevraagd, dienen attesten van twee geneesheren te worden overgelegd. In deze attesten dienen de geneesheren ook aan te geven in hoeverre er in de komende jaren medisch gezien nog uitzicht is op gehele of gedeeltelijke terugkeer in de ambtelijke dienst en/of deelname aan het arbeidsproces op andere wijze. (2004)

b. Emeritering mag niet plaatshebben indien de tuchtmaatregel van schorsing van toepassing is.

c. Bij ongeschiktheid van een dienaar die nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, is de kerkenraad gehouden hem twee jaar ziekteverlof te geven, behoudens de situatie waarin het duidelijk is dat de dienaar niet meer in actieve dienst zal kunnen terugkeren, zulks naar het gezamenlijk oordeel van kerkenraden en deputaten art. 13 K.O.. De procedure voor het aanvragen van emeritaat kan na een periode van tenminste één jaar ziekteverlof worden gestart, maar uitkering kan pas ingaan twee jaar na de eerste ziektedag.

d. De classes zijn gehouden bij gevallen van emeritering beneden de AOW-gerechtigde leeftijd te onderzoeken of de in art. 13 bedoelde ongeschiktheid tot de dienst mogelijk heeft opgehouden en dus het emeritaat moet worden ingetrokken. Door deputaten art. 13 K.O. wordt ingaande het jaar 2005 elke drie jaar bij de betreffende classes nagegaan of deze bepaling wordt toegepast.
De desbetreffende classes dienen daartoe op aanvraag van deputaten art. 13 K.O. een schriftelijke verklaring in omtrent de uitkomst van het periodieke onderzoek. Een geneeskundig onderzoek door een of meer door de classis aangewezen geneeskundigen is onderdeel van het onderzoek. De betreffende predikant is verplicht aan het geneeskundig onderzoek mee te werken. De kosten daarvan komen ten laste van de emeritikas. (2004)

2. De generale synode spreekt uit:

a. dat de classes, bijgestaan door de deputaten art. 49 K.O., met alle ernst ernaar zullen staan om het beginsel van art. 13 K.O. te handhaven, volgens welk beginsel slechts aan dienaren des Woords die door ouderdom, ziekte of om andere reden onbekwaam geworden zijn tot uitoefening van het ambt, emeritaat wordt verleend, alsmede in enkele andere gevallen;

b. dat bij aanvragen voor emeritering beneden de AOW-gerechtigde leeftijd de verklaringen van geneeskundigen als objectieve gegevens doorslaggevend dienen te zijn. De classes zijn gerechtigd van de aanvragende dienaar des Woords te vragen, dat hij zich onderwerpt aan een geneeskundig onderzoek door een of meer door de classis aangewezen geneeskundigen;

c. dat de classis van elke emeritaatverlening binnen veertien dagen kennis dient te geven aan deputaten art. 13 K.O. (1977);

d. dat de deputaten art. 13 K.O. verplicht zijn op aanvrage van de betrokken kerkenraad de emeriterende kerk financiële steun te bieden overeenkomstig de daarvoor geldende regels.

3. Als een predikant emeritus wordt verklaard, gelden de volgende regels:

a. het emeritaat gaat in de op de dag, daarvoor door de classis bepaald;

b. vanaf de datum waarop het emritaat ingaat, behoudt hij nog drie maanden het genot van traktement en pastorie dan wel van een andersoortige uitkering zoals de uitkering voortijdige ambtsbeëindiging; een predikantsweduwe behoudt gedurende drie maanden na het overlijden van haar echtgenoot het recht op het volle traktement en op het bewonen van de pastorie. Uitkeringen van PFZW over deze drie maanden worden in mindering gebracht op het doorbetaalde volle traktement;

c. na het verstrijken van die termijn begint de uitkering tot het bedrag waarvoor de gemeente zich garant heeft gesteld, als in de beroepsbrief omschreven en overeenkomstig de richtlijnen, door de generale synode vastgesteld in de instructie voor de deputaten art. 13 K.O.;

d. de bovengenoemde termijn van drie maanden geldt niet bij emeritering of overlijden van een predikant die bijzondere arbeid verrichtte naar artikel 6 K.O. en zijn traktement niet ontving van zijn kerkenraad of van enig deputaatschap in onze kerken; (1986)

e. bij emeritering na toepassing van de bepaling 1c begint de uitkering op de datum van emeritering, met dien verstande dat de kerkenraad deze uitkering dient aan te vullen tot het onder 3b genoemde genot. (1992)

4. Bij het overlijden van een predikant, hetzij in actieve dienst of na reeds verleend emeritaat, die een weduwe en/of kinderen nalaat, verzoekt de desbetreffende kerkenraad binnen veertien dagen na dit overlijden aan deputaten art. 13 K.O. financiële steun ten behoeve van de voorziening in het levensonderhoud van de weduwe en/of haar kinderen.
Tevens wordt, in geval van het overlijden van een predikant in actieve dienst, door de desbetreffende kerkenraad het pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) geïnformeerd. Bij overlijden van een emerituspredikant informeren de nagelaten betrekkingen PFZW.

5. Er is geen bezwaar een emerituspredikant tot deputaat te benoemen.

6. Een predikantsweduwe die hertrouwt, heeft geen recht meer op een uitkering uit de emeritikas. Als de echtgenoot, met wie zij als weduwe is getrouwd, komt te overlijden, krijgt zij met ingang van de datum van dit overlijden weer aanspraak op de weduwe-uitkering uit de kas, echter met aftrek van inkomsten die zij geniet als gevolg van haar laatste huwelijk.
De uitkeringen van PFZW aan de predikantsweduwe worden levenslang uitgekeerd, ongeacht haar burgerlijke status.

7. Uit de algemene kas tot steun aan de kerken ten behoeve van de verzorging van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen kan geen steun verleend worden ter verzorging van broeders die volgens art. 3 K.O. de kerken met het spreken van een stichtelijk woord hebben gediend, of van hun weduwen en wezen.

8. Eventuele gehele of gedeeltelijke voorziening in het onderhoud van haar die een ongehuwde predikant heeft verzorgd, behoort tot de competentie van de desbetreffende kerkenraad.

(Instructie voor de deputaten art. 13 K.O.: bijlage 7. Concept-akte van emeritaatverklaring voor predikanten: bijlage 53)

Artikel 21 te wijzigen:

Ontmoeting met Israël, evangelisatie en zending

Art. 21. Aan de roeping om het evangelie bekend te maken, willen de kerken als volgt gestalte geven:

a. zij zoeken de ontmoeting met Israël waarin zij met vrijmoedigheid getuigen en verantwoording afleggen van de hoop die in hen is (Hand. 28: 20,31; 1 Petr. 3:15);

b. Zij richten zich met de verkondiging van het evangelie tot hen die van het evangelie vervreemd zijn;

c. zij richten zich met de verkondiging van het evangelie tot hen die nog niet voor het christelijk geloof zijn gewonnen.

De bepalingen hiervoor worden door de generale synode vastgesteld.

Onder de tekst van artikel 21 in kleine letter:

De Paascollecte zal geheel bestemd zijn voor deputaten Kerk en Israël; de Pinkstercollecte voor de zending. (1931, 1950).

Instructie voor de deputaten Kerk en Israël: bijlage 19.

Formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords ten behoeve van het werk van Kerk en Israël, zie Acta 2013.

Artikel 38 lid 4 toevoegen:

4. Kerkenraden van met opheffing bedreigde gemeenten worden voor advies en bijstand verwezen naar de visitatoren van de classis.

Artikel 51 te herzien:

De verhouding tussen de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland en kerken in het buitenland wordt voor zover het de Christelijke Gereformeerde Kerken betreft, geregeld door de generale synode.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkte en volledige correspondentie met buitenlandse kerken.

A. Beperkte correspondentie omvat:

1. het voor elkaar openstellen van de avondmaalstafel;

2. het openstellen van de kansels voor bezoekende predikanten, volgens de regeling van art. 4, lid 5 K.O.;

3. het zo mogelijk bijwonen van elkaars synoden door middel van afgevaardigden, die een adviserende stem kunnen hebben;

4. het aan elkaar toezenden van de acta van de synoden;

5. het bieden van geestelijke steun bestaande in:

a. het onder de aandacht brengen van elkaars geestelijke en kerkelijke problemen met wederkerige pogingen tot hun Schriftuurlijke oplossing;

b. het elkaar waarschuwen ten opzichte van geestelijke gevaren die opkomen, zich verbreiden en de kerk van Christus willen beheersen;

c. het oefenen van correctie op elkaar in liefde bij verslapping ten opzichte van de belijdenis en de praktijk des geloofs eenmaal de heiligen overgeleverd;

6. gemeenschappelijke activiteiten in gebieden waarvoor een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid geldt, waarbij gedacht kan worden aan het bieden van stoffelijke steun en samenwerking of overleg inzake zending en theologische opleiding.

B. Volledige correspondentie omvat de bovengenoemde bepalingen met de volgende aanvullingen:

7. het over en weer aanvaarden van attestaties van elkaars leden;

8. het over en weer aanvaarden van attesten van predikanten die een beroep hebben aangenomen;

9. het raadplegen van elkaar inzake ingrijpende maatregelen zoals bijvoorbeeld eventuele herziening van belijdenis of kerkorde, en wijziging van correspondentie.

C. Naast deze vormen van correspondentie onderhouden onze kerken een derde relatievorm, aangeduid als ‘contact’. Hierbij wordt met name gedacht aan Schriftgetrouwe kerken in Oost-Europa die niet de gereformeerde belijdenis hanteren, maar waarmee het wel nuttig en zinvol is om contact te onderhouden.

Contact omvat:

1. samenwerking, waaronder verstaan wordt bijvoorbeeld het aanbieden van ondersteuning en samenwerking op terreinen waarop een gezamenlijke verantwoordelijkheid ligt, het elkaar raadplegen met betrekking tot zendingswerk en theologische toerusting;-

2. het bieden van geestelijke ondersteuning onder andere in de volgende omstandigheden:

a. in geval er binnen het betreffende kerkverband spanningen of conflicten mochten ontstaan;

b. wanneer het hoofd dient geboden te worden aan gevaren die de kerk van buitenaf bedreigen;

c. wanneer er afdwaling is in leer of leven.

Artikel 52, lid 1 toe te voegen:

De ondertekening door de evangelist naar art. 4 K.O. zal plaatsvinden bij het onderzoek van de evangelist.

Artikel 60, lid 5 toe te voegen:

5. het sacrament van de heilige doop kan aan pleegkinderen worden bediend en daarbij zijn de volgende richtlijnen van toepassing:

a. het gaat om een pleegzorgsituatie naar Nederlands recht;

b. er is sprake van een langdurige plaatsing, zodat er een waarborg is dat de pleegouders de opvoeding naar de eis van het verbond van God kunnen bieden;

c. de langdurige plaatsing blijkt uit een verklaring van de instantie die het kind in het pleeggezin heeft geplaatst;

d. het verlangen naar de doop voor hun pleegkind leeft bij de pleegouders;

e. de kerkenraad heeft zich kunnen overtuigen van de goede motivatie van de pleegouders;

f. de kerkenraad heeft zich ingespannen om – afhankelijk van de leeftijd van het te dopen kind – de doop voor te bereiden d.m.v. een pastoraal gesprek met het kind;

g. 1. er is schriftelijke toestemming van de biologische ouder(s) en bewilliging van de instantie die het kind in het pleeggezin heeft geplaatst en – indien van toepassing – de gezinsvoogd om het dopen toe te staan;

2. er is schriftelijke toestemming van de voogd en bewilliging van de instantie die het kind in het pleeggezin heeft geplaatst, in geval er sprake is van ontzetting van de biologische ouders uit het ouderlijk gezag;

3. in geval van ontzetting van de biologische ouders uit het ouderlijke gezag is, zo mogelijk, de mening van die ouders gevraagd (hoewel deze niet doorslaggevend hoeft te zijn, maar wel meegewogen dient te worden).

B. NIEUWE EN HERZIENE BIJLAGEN IN DE KERKORDE

1. BIJLAGE 7 (art. 13 K.O.)

gewijzigd:

Bijlage 7 A

De bepalingen in deze bijlage 7A hebben betrekking op een verdere uitwerking van art. 13 K.O. en betreffen de uitkeringen die tot en met 2013 zijn ingegaan. Hieronder worden ook verstaan weduwen- en wezenuitkeringen die na 2013 kunnen opkomen door overlijden van de emerituspredikant die tot en met 2013 een uitkering genoot.

Ook gelden deze bepalingen voor de in artikel 23 genoemde categorie predikanten.

De artikelen 1 tot en met 4 en 20 tot en met 23 betreffen algemene bepalingen.

Vanaf art. 5 tot en met 19 zijn de regels met betrekking tot de uitkeringen opgenomen.

Art. 1. De plaatselijke kerken zijn verplicht overeenkomstig Gods Woord in het levensonderhoud van hun emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen op een verantwoorde wijze te voorzien. De kerken hebben aan deze verplichting uitdrukking gegeven in art. 13 K.O.

Art. 2. Er bestaat een algemene kas, die gerechtigd is aan de plaatselijke kerken uitkeringen te doen om aan de in art. 1 bedoelde verplichtingen te helpen voldoen. In overleg met de desbetreffende kerkenraden kunnen de uitkeringen uit de kas ook rechtstreeks aan de belanghebbende emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen worden gedaan.

Art. 3. Het beheer van de kas is opgedragen aan zeven deputaten, die daartoe machtiging en instructie ontvangen van de generale synode. De voorzitter, de eerste en de tweede penningmeester en de vier deputaten worden benoemd door de generale synode voor de periode die ligt tussen de benoemende en de volgende generale synode. Zij zijn herbenoembaar. Voor de vier deputaten worden ook secundi benoemd.

Deputaten zijn verplicht op aanvraag van de desbetreffende kerkenraad steun te verlenen, overeenkomstig de in deze instructie gestelde regels.

Art. 4. Wanneer deputaten art. 13 K.O. van een classis bericht van emeritaatverlening hebben ontvangen, zenden zij aan de desbetreffende kerkenraad een formulier met verzoek de daarop gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Art. 5. De uitkeringen uit de kas aan de emerituspredikanten en de predikantsweduwen worden afgeleid van een door de generale synode vastgestelde uitkeringsgrondslag. Dit is vanaf 2012 138% van het middelloon (gemiddelde van de aanvaarde minimumtraktementen gedurende 37 jaren), aangepast met een eventuele indexatie per 1 januari van elk jaar.

Aan deputaten is opdracht gegeven jaarlijks te onderzoeken of indexatie van de uitkering kan plaatsvinden.

Deputaten stellen hiertoe beleid op. Het beleid wordt getoetst aan de ontwikkelingen in de maatschappij, de financiële positie en de vermogensopbouw van de emeritikas.

Art. 6. De uitkeringen worden per kwartaal bij vooruitbetaling gedaan.

Art. 7. Een emerituspredikant met de AOW-gerechtigde leeftijd ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas dat deze, tezamen met zijn AOW-uitkering, 70% van de uitkeringsgrondslag bedraagt. Ingaande het jaar 2005 geldt als AOW-uitkering voor zowel een gehuwde als een ongehuwde emerituspredikant van vijfenzestig jaar of ouder tweemaal de jaarlijkse uitkering voor een gehuwde ingevolge de AOW.

Voor ongehuwde emerituspredikanten van vijfenzestig jaar of ouder, die in 2004 al een uitkering uit de emeritikas ontvingen, geldt dat de bepalingen zoals die golden tot en met 2004 tot aan hun overlijden worden gerespecteerd. Een emerituspredikant die de leeftijd van vijfenzestig jaar nog niet heeft bereikt, ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas dat deze, tezamen met zijn eventuele WAZ-uitkering, 75% van de uitkeringsgrondslag bedraagt.

Bovendien worden aan emerituspredikanten beneden de AOW-gerechtigde leeftijd de hun opgelegde aanslagen in de premieheffing voor de volksverzekeringen gerestitueerd voor zover de aanslagen betrekking hebben op de tijd die valt na de datum waarop hun uitkering uit de emeritikas is ingegaan.

Art. 8. Op de uitkering ingevolge art. 7 voor emerituspredikanten met een AOW-gerechtigde leeftijd worden in mindering gebracht:

a. inkomsten die predikanten genieten uit hoofde van de vervulling van bijzondere arbeid, als bedoeld in art. 6 K.O., inclusief een hun als zodanig toegekend pensioen, voor zover die 15% van de uitkeringsgrondslag zoals vermeld in artikel 5 te boven gaan;

b. pensioenrechten die voortvloeien uit de vervulling van functies vóór en/of nevenfuncties tijdens de ambtsperiode, voor zover die 15% van de uitkeringsgrondslag zoals vermeld in artikel 5 te boven gaan;

c. de korting op de AOW-uitkering, die voortvloeit uit het niet-verzekerd zijn gedurende het verblijf buitenslands.

Art. 9. Op de uitkering ingevolge art. 7 aan emerituspredikanten beneden de AOW-gerechtigde leeftijd worden in mindering gebracht:

a. inkomsten als genoemd in art. 8 sub a;

b. inkomsten uit arbeid, van welke aard die ook moge zijn, voor zover deze 15% van de uitkeringsgrondslag zoals vermeld in art. 5 te boven gaan;

c. pensioenrechten als omschreven en beperkt in art. 8 sub b.

Art. 10. Wanneer deputaten art. 13 K.O. van een kerkenraad bericht ontvangen van het overlijden van een predikant, hetzij in actieve dienst of na reeds verleend emeritaat, die een weduwe en/of kinderen nalaat, zenden zij aan die kerkenraad een formulier met verzoek de daarop gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Art. 11. Een weduwe van een emerituspredikant ontvangt gedurende een periode van vijf maanden na de maand waarin haar echtgenoot is overleden, nog dezelfde uitkering die haar echtgenoot zou hebben genoten als hij niet zou zijn overleden. Daarna wordt aan de weduwe de weduwen- uitkering uit de kas betaald.

Art. 12. Een predikantsechtgenote die weduwe wordt en geen kinderen heeft te verzorgen, ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas dat deze tezamen met haar eventuele ANW- of AOW-uitkering 50% van de uitkeringsgrondslag bedraagt.

Indien zij één kind dan wel twee of meer kinderen heeft te verzorgen, ontvangt elk kind een zodanige uitkering uit de emeritikas dat deze tezamen met een eventuele halfwezenuitkering (ANW en/of wezenpensioen) gelijk is aan 10% van de uitkeringsgrondslag. In geval van twee of meer kinderen ontvangt de weduwe bovendien een toelage van 70% van de helft van het bedrag waarmee de door haar verschuldigde premie van de ziektekostenverzekering het bedrag van € 2.000,- overschrijdt. Weduwen die een ANW- uitkering genieten en op 31 december 2004 reeds in het genot daarvan waren, ontvangen een toeslag van € 1.410,- per jaar.

Dit artikel is van toepassing op kinderen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt en op studerende of invalide kinderen, zolang zij jonger zijn dan 27 jaar en niet over voldoende eigen inkomsten beschikken.

Bovendien worden aan de in dit artikel bedoelde weduwen, die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, alsmede aan de in dit artikel genoemde kinderen, de hun opgelegde aanslagen in de premieheffing voor de volksverzekeringen gerestitueerd voor zover de aanslagen betrekking hebben op de tijd die valt na de datum waarop hun uitkering uit de emeritikas is ingegaan.

Art. 13. Aan weduwen die recht hebben op een uitkering ingevolge de ANW, doch bij wie dit recht in verband met de inkomenstoets niet of niet geheel tot een uitkering leidt, wordt deze korting niet door de emeritikas gecompenseerd.

Art. 14. Op de weduwenuitkering ingevolge art. 12 en 13 van deze instructie wordt in mindering gebracht:

a. het weduwepensioen waarop de weduwe recht heeft op grond van pensioengerechtigde diensttijd die haar echtgenoot voor zijn overlijden heeft doorgebracht in functies voor en/of nevenfuncties tijdens zijn ambtsperiode. Bij een eerder huwelijk tevens het weduwepensioen waarop zij recht heeft uit dat huwelijk;

b. de korting op de AOW-uitkering, die voortvloeit uit het niet-verzekerd zijn gedurende het verblijf buitenslands;

c. voor weduwen beneden de AOW-gerechtigde leeftijd, die geen recht hebben op een uitkering ingevolge de ANW, de uit arbeid verkregen inkomsten, waaronder begrepen uitkeringen en eigen pensioen.

Alle in dit artikel genoemde inhoudingen worden slechts toegepast voor zover het pensioen en/of de uit arbeid verkregen inkomsten een bedrag van 15% van het uitkeringsgrondslag zoals vermeld in art. 5 te boven gaan.

Art. 15. Aan volle wezen beneden de leeftijd van 16 jaar en aan volle wezen in de leeftijd van 16 tot 27 jaar die studeren of invalide zijn en die niet over voldoende inkomsten beschikken, wordt een uitkering uit de kas verstrekt gelijk aan 50% van de door deze wezen genoten uitkering krachtens de ANW, onder aftrek van eigen inkomsten, anders dan de genoten ANW-uitkering.

Wordt de ANW-uitkering voor een volle wees beëindigd of ingetrokken omdat hij voor een uitkering krachtens de Wajong c.q. WAZ in aanmerking komt, dan blijft deze wees, indien zijn Wajong c.q. WAZ-uitkering en zijn eventuele overige inkomsten niet voldoende zijn om in zijn onderhoud te voorzien, tot het bereiken van de 27-jarige leeftijd een aanvullende uitkering uit de emeritikas genieten, zodanig dat zijn inkomen gelijk is aan 150% van de uitkering krachtens de ANW voor wezen van 16-20 jaar.

Art. 16. Aan een emerituspredikant-weduwnaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft en hertrouwt met een vrouw die ook de AOW-gerechtigde leeftijd heeft, wordt de uitkering uit de emeritikas verleend die geldt voor gehuwde emeritus predikanten.

Art. 17. Aangezien art. 13 K.O. beoogt in het levensonderhoud te voorzien, kan van de als norm geldende bedragen worden afgeweken in gevallen van bijzondere noden of slechts gedeeltelijke onbekwaamheid tot uitoefening van de dienst. Een en ander ter beoordeling van deputaten art. 13 K.O. gehoord de belanghebbende.

Art. 18. Aan alle belanghebbenden wordt jaarlijks, in de maand mei, een procentuele vakantietoelage uitbetaald. Het percentage van die toelage is gelijk aan het percentage dat jaarlijks door deputaten financiële zaken geadviseerd wordt voor de vakantietoelage voor de in actieve dienst zijnde predikanten.

Het percentage wordt berekend over het bedrag van de uitkering die voor de belanghebbende in het desbetreffende kalenderjaar is vastgesteld, en in evenredigheid aan het aantal maanden dat de belanghebbende over een periode van 12 maanden, voorafgaande aan 1 juni, in het genot van een uitkering is geweest.

Art. 19. Bij overlijden van een emerituspredikant, een predikantsweduwe of een volle wees van een predikant worden de uitkeringen aan de nabestaanden nog betaald over de twee maanden volgende op de maand van overlijden.

Art. 20. Eens per drie jaar stelt de generale synode de verplichte minimumbijdrage per lid en per dooplid vast ter dekking van de lopende uitkeringen en ter ondersteuning van een vermogen voor toekomstige verplichtingen.

Deputaten art 13 K.O. dienen hiertoe een begroting voor de betreffende jaren in.

Uitgangspunt in deze begroting is een beheerste ontwikkeling van de omslag: zowel wat betreft de mogelijkheden om compensatiemaatregelen te treffen als in te spelen op maatschappelijke en financiële ontwikkelingen.

Art. 21. Aan elke generale synode brengen deputaten rapport uit met overlegging van de financiële gegevens betreffende de inkomsten, de uitgaven en het kapitaal van de kas over de voorgaande drie jaren en van begrotingen voor de komende drie jaren.

Art. 22. Deputaten art. 13 K.O. zijn door de generale synode gemachtigd tot het in ontvangst nemen van de verplichte omslagen, giften, legaten en erflatingen. De juiste formulering voor legateringen en erflatingen ten gunste van de emeritikas luidt: ‘Aan de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland ten behoeve van de algemene kas tot steun aan de kerken voor de verzorging van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen’ of ‘Aan de Christelijke Gereformeerde Kerk te … ten behoeve van de algemene kas tot steun aan de kerken voor de verzorging van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen’.

Art. 23. Ter voorziening in bijzondere gevallen kennen deputaten, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van financiële middelen, aan plaatselijke kerken het recht op een uitkering toe ten behoeve van diegenen die de kerken in het ambt van predikant een tijdlang hebben gediend en hun weduwen en wezen; de uitkering wordt op dezelfde wijze bepaald als die van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen, evenwel met dien verstande dat rekening wordt gehouden met de tijd dat zij onze kerken als predikant hebben gediend, terwijl het tweede gedeelte van artikel 8 sub b van de instructie niet van toepassing is.

Art. 24. Bij de uitvoering van de in artikel 23 getroffen voorziening zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a. Onder uitkeringen worden uitsluitend verstaan die waarop aanspraak bestaat vanaf het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd en ingeval van eerder overlijden.

b. De aanvraag dient te geschieden bij de kerk waaraan de predikant het laatst was verbonden. Indien de betreffende kerk is opgeheven, dient de aanvraag te geschieden bij de door de classis waartoe de opgeheven kerk behoorde aangewezen rechtsopvolger. Deze kerk dient hiervan binnen 14 dagen kennis te geven aan deputaten.

c. De hoogte van de uitkering wordt bepaald door de van toepassing zijnde uitkering per jaar te vermenigvuldigen met een breuk met in de teller de diensttijd doorgebracht in onze kerken en in de noemer het aantal te behalen dienstjaren te stellen op 40.

d. Indien de uitkering tezamen met de aanspraken opgebouwd voor en tijdens de ambtsperiode en na het vertrek van de predikant, hoger is dan de van toepassing zijnde uitkering per jaar, dan komt het meerdere volledig in mindering op de in lid c. berekende uitkering van de emeritikas. De hoogte van de uitkering door PFZW wordt hierdoor niet beïnvloed.

e. De aan artikel 23 te ontlenen aanspraken komen na die welke kunnen worden ontleend aan regelingen die van toepassing zijn bij andere kerkgenootschappen c.q. instellingen.

f. Artikel 23 is van toepassing op de predikant, die in 1996 of later de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt of voor het bereiken van die leeftijd komt te overlijden.

Bijlage 7 B

Algemeen:

De bepalingen in deze bijlage 7B hebben betrekking op uitkeringen die vanaf 2014 ingaan. Met ingang van 1 januari 2013 worden de emeritaatverplichtingen ondergebracht bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Dit geldt alleen voor predikanten die op 1 januari 2013 verbonden waren aan een gemeente of dienstbaar aan een deputaatschap/Theologische Universiteit Apeldoorn.

Ook gelden deze bepalingen voor de in artikel 23 genoemde categorie predikanten.

De artikelen 1 tot en met 4 en 20 tot en met 23 betreffen algemene bepalingen.

In art. 5 tot en met 19 zijn de regels met betrekking tot de uitkeringen opgenomen.

Art. 1. De plaatselijke kerken zijn verplicht overeenkomstig Gods Woord in het levensonderhoud van hun emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen op een verantwoorde wijze te voorzien. De kerken hebben aan deze verplichting uitdrukking gegeven in art. 13 K.O.

Art. 2. Er bestaat een algemene kas, die gerechtigd is aan de plaatselijke kerken uitkeringen te doen om aan de in art. 1 bedoelde verplichtingen te helpen voldoen. In overleg met de desbetreffende kerkenraden kunnen de uitkeringen uit de kas ook rechtstreeks aan de belanghebbende emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen worden gedaan.

Art. 3. Het beheer van de kas is opgedragen aan zeven deputaten, die daartoe machtiging en instructie ontvangen van de generale synode. De voorzitter, de eerste en de tweede penningmeester en de vier deputaten worden benoemd door de generale synode voor de periode die ligt tussen de benoemende en de volgende generale synode. Zij zijn herbenoembaar. Voor de vier deputaten worden ook secundi benoemd.

Deputaten zijn verplicht op aanvraag van de desbetreffende kerkenraad steun te verlenen, overeenkomstig de in deze instructie gestelde regels.

Art. 4. Wanneer deputaten art. 13 K.O. van een classis bericht van emeritaatverlening hebben ontvangen, zenden zij aan de desbetreffende kerkenraad een formulier met verzoek de daarop gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Art. 5. De uitkeringen uit de kas aan de emerituspredikanten en de predikantsweduwen worden afgeleid van een door de generale synode vast te stellen ‘uitkeringsgrondslag’.Vanaf 2012 is dit 138% van het middelloon (gemiddelde van de aanvaarde minimumtraktementen gedurende 37 jaren), aangepast met een eventuele indexatie per 1 januari van elk jaar. De uitkering aan de predikant wordt bepaald door de formule, de ‘uitkeringsfactor’: {37 – [37 – (het verschil tussen het maximaal bereikbare aantal dienstjaren (minimaal 37 jaren) en de resterende diensttijd tot 65 jaar, gerekend vanaf 1 januari 2013)]}/37 Het maximum uit deze formule is bepaald op 100%.

Door deze factor te vermenigvuldigen met de uitkeringsgrondslag wordt de te betalen uitkering bepaald.

Voor de jaren vanaf 2013 vindt pensioenopbouw plaats via PFZW.

Aan deputaten is opdracht gegeven jaarlijks te onderzoeken of indexatie van de uitkering kan plaatsvinden.

Het beleid wordt getoetst aan de ontwikkelingen in de maatschappij, de financiële positie en de vermogensopbouw van de emeritikas.

Art. 6. De uitkeringen worden per kwartaal bij vooruitbetaling gedaan.

Art. 7. Een emerituspredikant met de AOW-gerechtigde leeftijd ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas dat deze, tezamen met zijn AOW-uitkering, 70% van de uitkeringsgrondslag 2012 bedraagt. Hierbij wordt rekening gehouden met de individuele uitkeringsfactor, genoemd in artikel 5. Als AOW-uitkering geldt voor zowel een gehuwde als een ongehuwde emerituspredikant met de AOW-gerechtigde leeftijd tweemaal de jaarlijkse uitkering voor een gehuwde ingevolge de AOW.

Een emerituspredikant die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas dat deze 75% van de uitkeringsgrondslag bedraagt.

Art. 8. Op de uitkering ingevolge art. 7 voor emerituspredikanten die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, worden in mindering gebracht:

a. inkomsten die predikanten genieten uit hoofde van de vervulling van bijzondere arbeid, als bedoeld in art. 6 K.O., inclusief een hun als zodanig toegekend pensioen, voor zover die 15% van de uitkeringsgrondslag maal de uitkeringsfactor zoals vermeld in artikel 5 te boven gaan;

b. pensioenrechten die voortvloeien uit de vervulling van functies vóór en/of nevenfuncties tijdens de ambtsperiode, voor zover die 15% van de uitkeringsgrondslag maal de uitkeringsfactor zoals vermeld in artikel 5 te boven gaan;

c. de korting op de AOW-uitkering die voortvloeit uit het niet-verzekerd zijn gedurende het verblijf buitenslands.

Art. 9. Op de uitkering ingevolge art. 7 aan emerituspredikanten beneden de AOW-gerechtigde leeftijd worden in mindering gebracht:

a. inkomsten als genoemd in art. 8 sub a;

b. inkomsten uit arbeid, van welke aard die ook moge zijn, voor zover deze 15% van de uitkeringsgrondslag zoals vermeld in art. 5 te boven gaan;

c. pensioenrechten als omschreven en beperkt in art. 8 sub b.

Art. 10. Wanneer deputaten art. 13 K.O. van een kerkenraad bericht ontvangen van het overlijden van een predikant, hetzij in actieve dienst of na reeds verleend emeritaat, die een weduwe en/of kinderen nalaat, zenden zij aan die kerkenraad een formulier met verzoek de daarop gevraagde inlichtingen te verstrekken.

Art. 11. Een weduwe van een emerituspredikant ontvangt gedurende een periode van vijf maanden na de maand waarin haar echtgenoot is overleden, nog dezelfde uitkering die haar echtgenoot zou hebben genoten als hij niet zou zijn overleden. Daarna wordt aan de weduwe de weduwen uitkering uit de kas betaald.

Art. 12. Een predikantsechtgenote die weduwe wordt en geen kinderen heeft te verzorgen ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas, dat deze tezamen met haar eventuele ANW- of AOW-uitkering 50% van de uitkerings-grondslag maal de uitkeringsfactor bedraagt.

Indien zij één kind dan wel twee of meer kinderen heeft te verzorgen, ontvangt elk kind een zodanige uitkering uit de emeritikas, dat deze tezamen met een eventuele halfwezenuitkering (ANW en/of wezenpensioen) gelijk is aan 10% van de uitkeringsgrondslag maal de uitkeringsfactor.

Dit artikel is van toepassing op kinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.

Art. 13. Aan weduwen die recht hebben op een uitkering ingevolge de ANW, doch bij wie dit recht in verband met de inkomenstoets niet of niet geheel tot een uitkering leidt, wordt deze korting niet door de emeritikas gecompenseerd.

Art. 14. Op de weduwenuitkering ingevolge art. 12 en 13 van deze instructie wordt in mindering gebracht:

a. het weduwepensioen waarop de weduwe recht heeft op grond van pensioengerechtigde diensttijd die haar echtgenoot voor zijn overlijden heeft doorgebracht in functies voor en/of nevenfuncties tijdens zijn ambtsperiode. Bij een eerder huwelijk tevens het weduwepensioen waarop zij recht heeft uit dat huwelijk;

b. de korting op de AOW-uitkering, die voortvloeit uit het niet-verzekerd zijn gedurende het verblijf buitenslands;

c. voor weduwen beneden de AOW-gerechtigde leeftijd, die geen recht hebben op een uitkering ingevolge de ANW, de uit arbeid verkregen inkomsten, waaronder begrepen uitkeringen en eigen pensioen.

Alle in dit artikel genoemde inhoudingen worden slechts toegepast voor zover het pensioen en/of de uit arbeid verkregen inkomsten een bedrag van 15% van de uitkeringsgrondslag maal de uitkeringsfactor zoals vermeld in art. 5 te boven gaan.

Art. 15. Aan volle wezen in de leeftijd tot 21 jaar wordt een uitkering uit de kas verstrekt gelijk aan 50% van de door deze wezen genoten uitkering krachtens de ANW, onder aftrek van eigen inkomsten, anders dan de genoten ANW-uitkering.

Wordt de ANW-uitkering voor een volle wees beëindigd of ingetrokken omdat hij voor een uitkering krachtens de Wajong in aanmerking komt, dan blijft deze wees, indien zijn Wajong-uitkering en zijn eventuele overige inkomsten niet voldoende zijn om in zijn onderhoud te voorzien, tot het bereiken van de 27-jarige leeftijd een aanvullende uitkering uit de emeritikas genieten, zodanig dat zijn inkomen gelijk is aan 150% van de uitkering krachtens de ANW voor wezen van 16-20 jaar.

Art. 16. Aan een emerituspredikant-weduwnaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft en hertrouwt met een vrouw die ook de AOW-gerechtigde leeftijd heeft, wordt de uitkering uit de emeritikas verleend die geldt voor gehuwde emeritus predikanten.

Art. 17. Aangezien art. 13 K.O. beoogt in het levensonderhoud te voorzien, kan van de als norm geldende bedragen worden afgeweken in gevallen van bijzondere noden of slechts gedeeltelijke onbekwaamheid tot uitoefening van de dienst. Een en ander ter beoordeling van deputaten art. 13 K.O. gehoord de belanghebbende.

Art. 18. Aan alle belanghebbenden wordt jaarlijks, in de maand mei, een procentuele vakantietoelage uitbetaald. Het percentage van die toelage is gelijk aan het percentage dat jaarlijks door deputaten financiële zaken geadviseerd wordt voor de vakantietoelage voor de in actieve dienst zijnde predikanten.

Het percentage wordt berekend over het bedrag van de uitkering die voor de belanghebbende in het desbetreffende kalenderjaar is vastgesteld, en in evenredigheid aan het aantal maanden dat de belanghebbende over een periode van 12 maanden, voorafgaande aan 1 juni, in het genot van een uitkering is geweest.

Art. 19. Bij overlijden van een emerituspredikant, een predikantsweduwe of een volle wees van een predikant worden de uitkeringen aan de nabestaanden nog betaald over de twee maanden volgende op de maand van overlijden.

Art. 20. Eens per drie jaar stelt de generale synode de verplichte minimumbijdrage per lid en per dooplid vast ter dekking van de lopende uitkeringen en ter ondersteuning van een vermogen voor toekomstige verplichtingen.

Deputaten dienen hiertoe een begroting voor de betreffende jaren in.

Uitgangspunt in deze begroting is een beheerste ontwikkeling van de omslag: zowel wat betreft de mogelijkheden om compensatiemaatregelen te treffen als in te spelen op maatschappelijke en financiële ontwikkelingen.

Art. 21. Aan elke generale synode brengen deputaten rapport uit met overlegging van de financiële gegevens betreffende de inkomsten, de uitgaven en het kapitaal van de kas over de voorgaande drie jaren en van begrotingen voor de komende drie jaren.

Art. 22. Deputaten art. 13 K.O. zijn door de generale synode gemachtigd tot het in ontvangst nemen van de verplichte omslagen, giften, legaten en erflatingen. De juiste formulering voor legateringen en erflatingen ten gunste van de emeritikas luidt: ‘Aan de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland ten behoeve van de algemene kas tot steun aan de kerken voor de verzorging van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen’ of ‘Aan de Christelijke Gereformeerde Kerk te… ten behoeve van de algemene kas tot steun aan de kerken voor de verzorging van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen’.

Art. 23. Ter voorziening in bijzondere gevallen kennen deputaten, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van financiële middelen, aan plaatselijke kerken het recht op een uitkering toe ten behoeve van diegenen die de kerken in het ambt van predikant een tijdlang hebben gediend en hun weduwen en wezen; de uitkering wordt op dezelfde wijze bepaald als die van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen, evenwel met dien verstande dat rekening wordt gehouden met de tijd dat zij onze kerken als predikant hebben gediend, terwijl het tweede gedeelte van artikel 8 sub b van de instructie niet van toepassing is.

Art. 24. Bij de uitvoering van de in artikel 23 getroffen voorziening zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a. Onder uitkeringen worden uitsluitend verstaan die waarop aanspraak bestaat vanaf het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd en ingeval van eerder overlijden.

b. De aanvraag dient te geschieden bij de kerk waaraan de predikant het laatst was verbonden. Indien de betreffende kerk is opgeheven, dient de aanvraag te geschieden bij de door de classis waartoe de opgeheven kerk behoorde aangewezen rechtsopvolger. Deze kerk dient hiervan binnen 14 dagen kennis te geven aan deputaten.

c. De hoogte van de uitkering wordt bepaald door de van toepassing zijnde uitkering per jaar te vermenigvuldigen met een breuk met in de teller de diensttijd doorgebracht in onze kerken en in de noemer het aantal te behalen dienstjaren te stellen op 40.

d. Indien de uitkering tezamen met de aanspraken opgebouwd voor en tijdens de ambtsperiode en na het vertrek van de predikant, hoger is dan de van toepassing zijnde uitkering per jaar, dan komt het meerdere volledig in mindering op de in lid c. berekende uitkering van de emeritikas. De hoogte van de uitkering door PFZW wordt hierdoor niet beïnvloed.

e. De aan artikel 23 te ontlenen aanspraken komen na die welke kunnen worden ontleend aan regelingen die van toepassing zijn bij andere kerkgenootschappen c.q. instellingen.

f. Artikel 23 is van toepassing op de predikant, die in 1996 of later de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt of voor het bereiken van die leeftijd komt te overlijden.

Bijlage 7 C

De bepalingen in deze bijlage 7C hebben betrekking op predikanten en hun nagelaten betrekkingen die vanaf 2013 voor het eerst hun ambt aanvaarden en verbonden zijn aan een gemeente of dienstbaar aan een deputaatschap/ Theologische Universiteit Apeldoorn. Met ingang van 1 januari 2013 worden de emeritaatverplichtingen ten aanzien van hen ondergebracht bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn.

Art. 1. De plaatselijke kerken zijn verplicht overeenkomstig Gods Woord in het levensonderhoud van hun emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen op een verantwoorde wijze te voorzien. De kerken hebben aan deze verplichting uitdrukking gegeven in art. 13 K.O.

Art. 2. Er bestaat een algemene kas, die gerechtigd is aan de plaatselijke kerken uitkeringen te doen om aan de in art. 1 bedoelde verplichtingen te helpen voldoen. In overleg met de desbetreffende kerkenraden kunnen de uitkeringen uit de kas ook rechtstreeks aan de belanghebbende emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen worden gedaan.

Art. 3. Het beheer van de kas is opgedragen aan zeven deputaten, die daartoe machtiging en instructie ontvangen van de generale synode. De voorzitter, de eerste en de tweede penningmeester en de vier deputaten worden benoemd door de generale synode voor de periode die ligt tussen de benoemende en de volgende generale synode. Zij zijn herbenoembaar. Voor de vier deputaten worden ook secundi benoemd.

Deputaten zijn verplicht op aanvraag van de desbetreffende kerkenraad steun te verlenen, overeenkomstig de in deze instructie gestelde regels.

Art. 4. De voorwaarden van deelname in het pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) zijn opgenomen in het pensioenreglement dat elke predikant ontvangt bij inschrijving.

Het pensioenreglement is ook te raadplegen via de website: http://www.pfzw.nl/Documents/brochures-werkgevers/statuten-en-reglementen-2013.pdf

Art. 5. Aangezien art. 13 K.O. beoogt in het levensonderhoud te voorzien, kan van de als norm geldende bedragen worden afgeweken in gevallen van bijzondere noden of slechts gedeeltelijke onbekwaamheid tot uitoefening van de dienst. Een en ander ter beoordeling van deputaten art. 13 K.O. gehoord de belanghebbende.

Art. 6. Eens per drie jaar stelt de generale synode de verplichte minimumbijdrage per lid en per dooplid vast ter dekking van de lopende uitkeringen en ter ondersteuning van een vermogen voor toekomstige verplichtingen.

Deputaten dienen hiertoe een begroting voor de betreffende jaren in.

Uitgangspunt in deze begroting is een beheerste ontwikkeling van de omslag: zowel wat betreft de mogelijkheden om compensatiemaatregelen te treffen als in te spelen op maatschappelijke en financiële ontwikkelingen.

Art. 7. Aan elke generale synode brengen deputaten rapport uit met overlegging van de financiële gegevens betreffende de inkomsten, de uitgaven en het kapitaal van de kas over de voorgaande drie jaren en van begrotingen voor de komende drie jaren.

Art. 8. Deputaten art. 13 K.O. zijn door de generale synode gemachtigd tot het in ontvangst nemen van de verplichte omslagen, giften, legaten en erflatingen. De juiste formulering voor legateringen en erflatingen ten gunste van de emeritikas luidt: ‘Aan de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland ten behoeve van de algemene kas tot steun aan de kerken voor de verzorging van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen’ of ‘Aan de Christelijke Gereformeerde Kerk te… ten behoeve van de algemene kas tot steun aan de kerken voor de verzorging van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen’.

Art. 9. Ter voorziening in bijzondere gevallen kennen deputaten, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van financiële middelen, aan plaatselijke kerken het recht op een uitkering toe ten behoeve van diegenen, die de kerken in het ambt van predikant een tijdlang hebben gediend en hun weduwen en wezen; de uitkering wordt op dezelfde wijze bepaald als die van emerituspredikanten, predikantsweduwen en -wezen, evenwel met dien verstande, dat rekening wordt gehouden met de tijd dat zij onze kerken als predikant hebben gediend.

Art. 10. Bij de uitvoering van de in artikel 9 getroffen voorziening zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a. Onder uitkeringen worden uitsluitend verstaan die waarop aanspraak bestaat vanaf het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd en ingeval van eerder overlijden.

b. De aanvraag dient te geschieden bij de kerk waaraan de predikant het laatst was verbonden. Indien de betreffende kerk is opgeheven, dient de aanvraag te geschieden bij de door de classis waartoe de opgeheven kerk behoorde aangewezen rechtsopvolger. Deze kerk dient hiervan binnen 14 dagen kennis te geven aan deputaten.

c. De hoogte van de uitkering wordt bepaald door de van toepassing zijnde uitkering per jaar te vermenigvuldigen met een breuk met in de teller de diensttijd doorgebracht in onze kerken en in de noemer het aantal te behalen dienstjaren te stellen op 40.

d. Indien de uitkering tezamen met de aanspraken opgebouwd voor en tijdens de ambtsperiode en na het vertrek van de predikant, hoger is dan de van toepassing zijnde uitkering per jaar, dan komt het meerdere volledig in mindering op de in lid c. berekende uitkering van de emeritikas. De hoogte van de uitkering door PFZW wordt hierdoor niet beïnvloed.

e. De aan artikel 9 te ontlenen aanspraken komen na die welke kunnen worden ontleend aan regelingen die van toepassing zijn bij andere kerkgenootschappen c.q. instellingen.

f. Artikel 9 is van toepassing op de predikant, die in 1996 of later de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt of voor het bereiken van die leeftijd komt te overlijden.

2. BIJLAGE 8A (art. 15, 37 en 64):

Regeling voor het gestalte geven aan plaatselijke eenheid en samenwerking met gemeenten van gereformeerd belijden binnen de Protestantse Kerk in Nederland.

1. Algemeen

In bijlage 8 van de K.O. wordt het nauwer samenleven gereguleerd met kerken die behoren tot een kerkverband waarvan de synode van de eigen kerken heeft geconstateerd dat het zich in alles wil stellen op de grondslag van Gods heilig Woord en de gereformeerde belijdenis en met welk kerkverband contacten worden onderhouden door wederzijdse deputaten. Door dit nauwer samenleven wordt aanvankelijk gestalte gegeven aan eenheid tussen plaatselijke kerken van gereformeerd belijden.

Plaatselijk kan echter ook eenheid gevonden worden in erkenning en beleving van het Woord Gods en de belijdenis der kerken, alsook van de regels die op grond daarvan voor het kerkelijk leven gelden, met kerken die niet tot een kerkverband behoren als bedoeld in bijlage 8.

Onderstaande regeling is bedoeld om de plaatselijke eenheid en samenwerking met gemeenten van gereformeerd belijden binnen de Protestantse Kerk in Nederland te reguleren en aan een aantal voorwaarden te binden.

Analoog aan bijlage 8.1d kunnen christelijke gereformeerde kerkenraden ook predikanten van de Protestantse Kerk in Nederland uitnodigen voor de bediening van Woord en sacramenten, de dienst der gebeden en de kerkelijke bevestiging van een huwelijk in de erediensten van de gemeente, mits kerkenraden zich ervan hebben vergewist dat deze predikanten in de uitoefening van hun ambt zich verbonden hebben aan de gereformeerde belijdenissen. Anderzijds zijn onze predikanten gerechtigd voor te gaan in een gemeente van gereformeerd belijden binnen de Protestantse Kerk in Nederland wanneer een kerkenraad hen daartoe uitnodigt.

2. De weg tot plaatselijk nauwer samenleven

a. De nauwere samenleving kan alleen tot stand komen na genoegzame samensprekingen tussen de betrokken kerkenraden, waarbij gebleken is dat er metterdaad een eenheid is in erkenning en beleving van het Woord Gods en de belijdenis der kerken, alsook van de regels die op grond daarvan voor het kerkelijk leven gelden. De kerkenraad van de christelijke gereformeerde kerk dient zich ervan te vergewissen dat plaatselijk met name artikel 29 van de Nederlandse geloofsbelijdenis voluit wordt nageleefd.

b. De kerkenraad van de christelijke gereformeerde kerk moet over de voorgenomen nauwere samenleving de gemeente horen en haar bewilliging vragen; slechts bij een naar het oordeel van de kerkenraad genoegzame eenparigheid van gevoelen in de gemeente kan de kerkenraad verdere stappen doen tot de voorgenomen nauwere samenleving.

c. De kerkenraad van de christelijke gereformeerde kerk moet vervolgens het oordeel van de classis vragen omtrent de voorgenomen nauwere samenleving.

d. De classis zal zich overtuigen van:

1. het feit of betreffende kerkenraden onderling gesproken hebben over de onder 2a genoemde punten;

2. de onder 2b bedoelde bewilliging van de gemeente.

e. De classis zal door middel van de rondvraag naar art. 41 K.O. en van de kerkvisitatie naar art. 44 K.O. voortdurend haar aandacht geven aan de tot stand gekomen nauwere samenleving.

3. De inhoud van het plaatselijk nauwer samenleven

a. Het nauwer samenleven kan uitkomen in gezamenlijke diaconale, missionaire en pastorale activiteiten, gezamenlijke toerusting ten behoeve van de opbouw van de gemeente, incidenteel gezamenlijke erediensten, de toelating van elkaars ongecensureerde leden tot elkaars avondmaalsviering en het van tijd tot tijd in de dienst des Woords laten voorgaan van elkaars plaatselijke predikanten.

b. I n het kader van deze regeling kunnen onze kerkenraden, die deze samenwerking kennen, ook predikanten van andere plaatselijke kerken van eigen kerkverband uitnodigen, die daartoe de bewilliging van hun eigen kerkenraad behoeven.

3. BIJLAGE 9 (art.19)

Regelingen deputaten studie- en stimuleringsfonds

Artikel 1 - Voorwaarde en duur

1.1. Deputaten studiefonds kunnen financiële steun verlenen aan studenten die via het admissie-examen zijn toegelaten tot de studie aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn en niet meer in aanmerking komen voor studiefinanciering ingevolge de Wet Studiefinanciering (WSF 2000).

1.2. De regeling geldt alleen voor voltijdstudenten.

1.3. De bijdrage uit het studiefonds wordt toegekend gedurende ten hoogste 6,5 jaar, gerekend vanaf het begin van de bachelor en wordt beëindigd aan het eind van de maand waarin de studie is afgerond.

1.4. Deputaten zullen geen ondersteuning toezeggen indien en zolang de daartoe ter beschikking gestelde middelen niet toereikend zijn.

Artikel 2 - Aanvraag

2.1. De aanvraag dient, met een toelichting van de financiële (gezins)situatie, drie maanden voor het begin van het studiejaar te worden ingediend bij de secretaris van het deputaatschap voor het studie- en stimuleringsfonds. De student is verplicht op verzoek van deputaten alle medewerking te verlenen om de noodzakelijk geachte gegevens betreffende zijn (hun) financiële draagkracht te verstrekken.

2.2. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de aanvraag worden ingediend op elk moment tijdens de studieperiode.

2.3. Deputaten zijn gehouden binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag en de aanvullende gegevens hun beslissing aan de (aankomende) student mee te delen. Een student kan schriftelijk en met redenen omkleed aan deputaten verzoeken om herziening van hun beslissing ten aanzien van de hem al of niet toegekende bijdrage.

2.4. Deputaten zijn gerechtigd om drie maanden voor de aanvang van het nieuwe studiejaar, aan de hand van een vragenformulier te toetsen of aan de voorwaarden voor verlenging van de bijdrage wordt voldaan. Indien blijkt dat sinds de laatste toekenning de financiële situatie of de persoonlijke omstandigheden van de student of zijn gezin aanmerkelijk zijn gewijzigd, kunnen deputaten de bijdrage herzien.

Artikel 3 - Voorwaarden toekenning

Er bestaat geen recht op een bijdrage uit het studiefonds indien:

3.1.1. de student in aanmerking komt voor studiefinanciering krachtens de Wet op de Studiefinanciering, of;

3.1.2. het vrij besteedbaar gezinsvermogen per 1 januari van het jaar van aanvraag hoger is dan € 25.000,- en op het moment van de aanvraag nog steeds beschikbaar is, of;

3.1.3. het totale gezinsvermogen hoger is dan € 50.000,- en op het moment van de aanvraag nog steeds beschikbaar is;

3.2. het brutogezinsinkomen meer bedraagt dan de WSF bijverdiengrens; dan is er slechts recht op een gedeeltelijke bijdrage. Het meerdere wordt in dat geval in mindering gebracht op de bijdrage uit het studiefonds;

3.3. de echtgenote van de student recht heeft op een WSF-bijdrage en haar recht daarop uitoefent; dan wordt de WSF-bijdrage (uitgezonderd de basisbeurs voor collegegeld en studiemiddelen) meegerekend bij het inkomen;

3.4. in de loop van een fiscaal jaar door de student wordt voorzien dat het gezinsinkomen resp. het verzamelinkomen aanmerkelijk (plus of min 10%) afwijkt van het verwachte inkomen op het moment van de aanvraag, dient de student daarvan tijdig bericht te geven aan deputaten zodat dienovereenkomstig eventueel aanpassing van de bijdrage zal kunnen plaatsvinden.

Voor definities: zie artikel 9

Artikel 4 - Studievorderingen

De steunverlening kan worden beëindigd resp. tijdelijk worden opgeschort indien, naar het oordeel van het curatorium, de studie onvoldoende vorderingen vertoont, alsook wanneer de student bij herhaling tekortschiet in het verstrekken van de door deputaten gevraagde informatie. Deputaten zijn bevoegd de studievorderingen op te vragen bij het college van hoogleraren.

Artikel 5 - Bijdragen

De bijdrage uit het studiefonds die aan de student kan worden verleend, kent de volgende componenten:

5.1.1. een bijdrage voor de kosten van het collegegeld of;

5.1.2. het instellingscollegegeld;

5.1.3. een bijdrage voor de kosten van studiemiddelen.

Deze bijdrage wordt verstrekt als schenking.

5.2. Voor de uitwonende student: een persoonsgebonden maandbudget voor levensonderhoud, zorgverzekering, reiskosten, enz. Het persoonsgebonden budget wordt als lening verstrekt. De lening is rentevrij.

5.3. In bijzondere gevallen, zulks ter beoordeling van deputaten, kan een gezinstoeslag worden toegekend ten behoeve van de verzorging van kinderen. De gezinstoeslag wordt als lening verstrekt.

5.4. Als richtlijn voor de bepaling van de bedragen geldt in principe de WSF-norm. Het toegekende bedrag wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald.

Voor de bedragen: zie bijlage.

Artikel 6 - Aflossing lening

Van de totaal bij het studiefonds opgebouwde lening wordt 50% kwijtgescholden in gelijke delen over 15 jaar, te beginnen drie jaar na het afsluiten van de studie. De overige 50% van de lening dient in maximaal 15 jaar te worden afgelost, eveneens te beginnen drie jaar na beëindiging van de studie. Deze aflossing geschiedt in maandelijkse termijnen; Dit geldt voor nieuwe aanmeldingen m.i.v. januari 2014. Voor de lopende toezeggingen blijft de regeling 2010 van kracht.

Artikel 7 - Overige bepalingen

7.1. Indien de student de studie tussentijds afbreekt dan wel de admissiale status verliest, dient het totale bedrag van de reeds verstrekte lening binnen zes maanden te worden terugbetaald. In bijzondere omstandigheden kunnen deputaten, na overleg met het curatorium, een afwijkende regeling treffen.

7.2. Indien de student resp. predikant bij overlijden nog een restant schuld heeft, vervalt deze.

7.3. I ndien de predikant met vervroegd emeritaat gaat, kunnen deputaten overwegen om, afhankelijk van de financiële situatie van de predikant, het eventuele restant van de af te lossen lening geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

7.4. Indien de student na beëindiging van de studie geen predikant wordt of als predikant overgaat tot een andere staat des levens (art. 12 K.O.) of het verband van onze kerken verlaat, dient hij naast het verplicht af te lossen deel van de lening ook het nog resterende deel van het oorspronkelijk kwijt te schelden bedrag af te lossen in nader overeen te komen termijnen.

7.5. Acceptatie van de bijdragen uit het studiefonds houdt per definitie in dat de ontvanger zich akkoord verklaart met de voorwaarden en bepalingen van het reglement en zich daaraan conformeert.

Artikel 8 - Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen waarin de regeling niet voorziet of leidt tot een onredelijke uitwerking, beslissen deputaten. Dit is mede afhankelijk van de hun ter beschikking staande financiële middelen.

Artikel 9 - Definities

ad 3.1.1. Onder het vrij besteedbaar gezinsvermogen wordt verstaan het saldo van contant geld, bank- en girotegoeden plus de waarde van aandelen en overige beleggingen minus schulden per 1 januari van het jaar van aanvraag. Een eigen woning met daarop rustende hypotheek is daarbij niet inbegrepen.

ad 3.1.2. Onder het totale gezinsvermogen wordt verstaan het totaal van het vrij besteedbaar gezinsvermogen inclusief alle overige bezittingen en schulden. Voor de waardebepaling van de eigen woning wordt uitgegaan van de WOZ-waarde.

ad 3.2. Onder het brutogezinsinkomen wordt verstaan de som van:

• bruto-inkomen uit arbeid en/of uit vroegere arbeid;

• resultaat uit overige werkzaamheden;

• winst uit onderneming;

• voordeel uit sparen en beleggen;

• periodieke uitkeringen; daarvan worden niet meegerekend: kinderbijslag, toeslag vanwege kindgebondenbudget, huurtoeslag, zorgverzekering, heffingskorting;

• terug ontvangen inkomstenbelasting.

Bijlage bij de regeling 2013 studiefonds TUA

* Hangt af van het bedrag dat de student is verschuldigd.

Inkomensgrens (2013) bruto € 13.365, -

4. BIJLAGE 19 (art. 21 K.O.)

Regeling voor deputaten Kerk en Israël

Algemeen deel

Art. 1.

Teneinde gestalte te geven aan de roeping van de kerken om luisterend, dienend en getuigend de ontmoeting te zoeken met Israël worden door zowel de particuliere synoden als door de generale synode deputaten benoemd, onder de naam ‘deputaten Kerk en Israël’.

Art. 2.

Door iedere particuliere synode wordt een tweetal deputaten met hun secundi aangewezen. Zij hebben zitting voor de tijd van twee jaar, tenzij zij in die tijd het ressort van hun particuliere synode verlaten. De generale synode benoemt een eerste secretaris en een tweede secretaris, alsmede een eerste en een tweede penningmeester. Dezen treden op elke generale synode af en zijn opnieuw herkiesbaar, zulks binnen de bepalingen van de maximale zittingstijd, door de generale synode vastgesteld. De generale synode kan adviseurs aan het deputaatschap toevoegen. De deputaten worden door de generale synode gemachtigd en geïnstrueerd. Zij zijn gehouden een verslag van hun werkzaamheden te geven aan elke particuliere en generale synode.

Art. 3.

Het is de taak van de deputaten om de geestelijke en stoffelijke belangen van de roeping ten aanzien van Israël te behartigen. Zij zijn gemachtigd om bij de uitvoering van hun opdracht als participant in de stichting Centrum voor Israëlstudies samen te werken met de medeparticipanten. Zij weten zich daarbij gebonden aan de met het oog daarop vastgestelde statuten.

Art. 4.

De zorg voor het archief ten behoeve van het werk van Kerk en Israël is aan de

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.