+ Meer informatie

GEESTELIJKE VORMING VAN STUDENTEN IN APELDOORN

8 minuten leestijd

De redactie vroeg mij een impressie te geven van wat er aan de Universiteit van Apeldoorn gedaan wordt aan de geestelijke vorming en begeleiding van toekomstige predikanten. Een dergelijk onderwerp vraagt eigenlijk om een bredere toelichting dan ik in de beperkte ruimte die mij is toegemeten kan geven. Vandaar dat ik in dit artikel weinig meer kan doen dan de belangrijkste aspecten van dit thema aanduiden.

De beperktheid van Apeldoorn

Het is zeker waar dat de opleiding aan onze Universiteit de geestelijke vorming van studenten in belangrijke mate stempelt en dat ook wil doen! Toch heeft de invloed van Apeldoorn ook zijn beperkingen. Wanneer studenten zich laten inschrijven, hebben zij al een heel stuk (geestelijke) vorming achter de rug. Bovendien wonen zij tijdens hun studie in verschillende plaatsen, leven daar kerkelijk mee en vervullen daar soms ook taken in de gemeente. Het zal duidelijk zijn, dat ook deze factoren hun vorming in niet geringe mate beïnvloeden. Maar daarnaast gebeurt er ook in Apeldoorn het één en ander. Wat dan precies? Ik wil die vraag langs twee lijnen beantwoorden. Eerst wil ik iets zeggen over de geestelijke vorming die de studenten gezamenlijk krijgen, met name tijdens en rondom de colleges. Daarna wil ik duidelijk maken welke elementen van meer persoonlijke begeleiding en vorming er zijn.

1. Rondom de colleges

Al worden zeker niet al onze studenten predikant, onze opleiding is en blijft wel primair bedoeld om predikanten op te leiden. Daarom streven we er in de opbouw van de studie naar wetenschap te verbinden met vroomheid en de theologische bezinning te combineren met praktische vorming. De stelling is dan ook te verdedigen dat ieder vak dat in Apeldoorn gedoceerd wordt een praktische spits heeft en van belang is voor de geestelijke vorming van de studenten. Natuurlijk is er wel verschil. Zo zullen op een college godsdienstwijsbegeerte minder snel praktische vragen aan de orde komen dan tijdens een college waarin het gaat over ‘het pastorale gesprek.’ Daarom wil ik vooral wat ingaan op een drietal colleges waar deze thematiek het meest expliciet aan de orde komt, namelijk de praktische homiletiek, de poimeniek en de spiritualistiek.

Praktische homiletiek

Met het woord homiletiek bedoelen we de predikkunde oftewel de bezinning op de principes en de praktijk van de bediening van het Woord van God in de gemeente. In de colleges praktische homiletiek worden regelmatig preekvoorstellen van studenten besproken. Hierbij gaat het niet alleen om de ‘technische’ kant van het preken: wordt de tekst in de preek op de juiste wijze vertolkt, heeft de preek een goede, duidelijke opbouw en brengt de student de boodschap op een aansprekende manier? Ook de ‘geestelijke kant’ van de prediking krijgt hier aandacht. Zo wordt nagegaan of de student probeert vanuit de tekst geestelijke leiding te geven aan de gemeente en hoe hij dat doet. Bovendien komt ook aan de orde hoe de student zélf staat ten opzichte van de boodschap van de tekst en van de gemeente. Het zal duidelijk zijn dat dit alles aanleiding geeft tot levendige discussies, zowel in de collegezaal als - misschien nog wel meer - daarbuiten.

Poimeniek

Bij poimeniek gaat het om de theorie en de praktijk van het pastoraat of de zielszorg. Tijdens deze colleges wordt ingegaan op allerlei vragen en situaties uit het brede veld van het pastoraat. In dit kader besteden we ook - en dat in toenemende mate - aandacht aan de pastor zelf. We bezinnen ons op vragen als: wat is een bijbelse pastorale houding, welke grenzen zijn er aan pastoraat, hoe staat een pastor ten opzichte van zijn ambt en zijn gemeente, welke visie heeft hij op het ambtsgeheim etc. We proberen op dit terrein ook iets te doen aan de ontwikkeling van praktische vaardigheden. Hiertoe dienen onder meer de cursus ‘leidinggeven’ die vanuit de Christelijke Hogeschool Ede wordt verzorgd en de colleges pastorale psychologie die binnenkort voor het eerst worden gegeven.

Spiritualistiek

In de nieuwe opzet van de studie is ook plaats in geruimd voor colleges spiritualistiek. Hiermee gaat een wens van prof. Velema in vervulling die hij al een poos geleden heeft geuit. In deze colleges gaat het - kort gezegd - om de bestudering van en de bezinning op het geestelijke leven. Er zijn twee speerpunten. Enerzijds gaan we na welke vormen van spiritualiteit we binnen het christelijk geloof tegenkomen. Dat kan variëren van de spiritualiteit van Calvijn, het puritanisme, het gezelschapsleven in de 19e eeuw tot en met de spiritualiteit van de charismatische beweging. In een tweede blok colleges ligt het speerpunt anders. Hier denken we veel meer na over allerlei aspecten van spiritualiteit. Om slechts iets te noemen: de persoonlijke omgang met God, het gebed en de meditatie, spiritualiteit en levensweg, de spiritualiteit van de theoloog enz.

Onderling gesprek en ontmoeting

Tussen de colleges door ontmoeten de docenten en studenten elkaar ook regelmatig op een meer informele manier. Bovendien hebben de studenten op allerlei wijze contacten met elkaar. Het zal duidelijk zijn dat ook gesprekken die in dit kader plaatsvinden veel kunnen betekenen voor studenten, en niet alleen voor hen…!

2. Persoonlijke begeleiding en vorming

Door de jaren heen zijn ook steeds meer elementen in de opleiding ingebouwd die het karakter dragen van een meer persoonlijke vorming en begeleiding van studenten die zich voorbereiden op het ambt van dienaar van het Woord. Ik laat de belangrijkste de revue passeren.

Stages en voorgaan in de kerken

De mogelijkheid bestaat dat studenten al vrij vroeg in de opleiding via een korte stage kennismaken met enkele aspecten van het werk (de zgn. snuffelstage). Niet ieder maakt van deze mogelijkheid gebruik. Iedere student is wel verplicht om een stage catechese te volgen. Dit wil zeggen dat hij onder begeleiding van een predikant een aantal catechisatielessen bijwoont en vervolgens ook zelf catechisatie geeft, het liefst in groepen van verschillende leeftijden. In een latere fase van de studie (de zgn. Masters-fase) volgt iedere admissiaal-student verplicht een uitgebreide stage. Onder leiding van een (ervaren) predikant maakt hij kennis met zoveel mogelijk facetten van het ambtelijke werk en het gemeentelijke leven. Van deze stage wordt een uitvoerig verslag gemaakt dat door de begeleidende predikant én de rector met de student wordt besproken. In deze periode gaan admissiale studenten ook voor in de gemeenten. We verwachten van kerkenraden dat zij - zoveel mogelijk - na de diensten met de studenten doorspreken over de inhoud van de preek en van de dienst. In het algemeen stellen studenten dat ook erg op prijs. Het zal duidelijk zijn dat zij van dergelijke gesprekken heel veel kunnen leren.

Huisbezoeken en mentoraat

Alle admissiaal-studenten krijgen zowel van het curatorium als van het college van hoogleraren ook nog andere vormen van persoonlijke begeleiding. Ik denk aan regelmatig plaatsvindende huisbezoeken en het mentoraat. Wat de huisbezoeken betreft, kunnen we kort zijn. Iedere student die predikant wordt in onze kerken krijgt jaarlijks huisbezoek, zowel van een hoogleraar als van een curator. Tijdens dergelijke bezoeken gaat het over dingen als de voortgang van de studie en de gezinssituatie, maar zeker ook over de persoonlijke verhouding tot de Here en de roeping tot het ambt. Bovendien krijgt iedere admissiaal-student een mentor uit het college van hoogleraren toegewezen én een curator-begeleider. De mentor uit het college van hoogleraren is beschikbaar voor alle mogelijke vragen die verband houden met de studie. Het is tegenwoordig gebruikelijk dat iedere student minimaal twee keer per cursus met zijn mentor een gesprek heeft. Hierbij gaat het in eerste instantie over de voortgang van de studie. De praktijk wijst echter uit dat tijdens deze gesprekken ook regelmatig heel persoonlijke dingen aan de orde komen, zoals geestelijke vragen, zorgen van allerlei aard of strijd rond de roeping tot het ambt. Ook de curator-begeleider heeft regelmatig contact met de studenten die aan hem zijn toegewezen. Wat in deze gesprekken aan de orde kan komen, is in principe even breed als het (studenten-)leven zelf. Maar met name zou ik er op willen wijzen dat de curator de preekvoorstellen bespreekt die de student in het kader van zijn opleiding heeft ingediend of gehouden. Deze gesprekken kunnen voor de vorming van de betreffende student heel veel betekenen.

Gebeurt er genoeg?

Ik denk dat ik hiermee de belangrijkste elementen van persoonlijke begeleiding en geestelijke vorming heb genoemd. Wanneer we alles overzien, denk ik te mogen stellen dat er heel wat gebeurt. Gebeurt er ook genoeg? Het is niet gemakkelijk om die vraag met één woord te beantwoorden. We zijn er ons in Apeldoorn van bewust dat ook ons werk in de persoonlijke, geestelijke begeleiding van studenten niet volmaakt is. Aan de andere kant zijn we voortdurend met deze taak bezig en gaat de bezinning op de vraag hoe we het nog beter kunnen doen onverminderd voort! We weten hoe belangrijk dit werk is en verwachten dat er in de kerken voortdurend gebeden wordt voor studenten, maar ook voor curatoren en docenten aan wie het moeilijke, maar ook zo mooie werk van de geestelijke vorming van studenten is toevertrouwd.

Drs. A. Baars (1947) is sinds 1996 universitair hoofddocent in Apeldoorn voor de ambtelijke vakken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.