+ Meer informatie

Kerkregering

6 minuten leestijd

Tafelwacht bij het Avondmaal 3

Ten aanzien van de tafelwacht bij de bediening van het avondmaal kunnen allerlei vragen gesteld worden. Vóór we echter enkele van deze vragen behandelen dient eerst iets gezegd te worden over de. bevoegdheid van de tafelwacht om personen van het sacrament te weren.

Voorop dient gesteld dat een ouderling die de tafelwacht oefent niet kan en, mag handelen krachtens eigen inzicht en bevoegdheid. Het weren van de avondmaalsdis is een tuchtmaatregel en nu is het een grondregel in het gereformeerde kerkrecht dat belangrijke beslissingen, en het weren van het avondmaal is immers een belangrijke beslissing, niet door één enkele ambtsdrager mogen worden genomen maar altijd alleen door meer ambtsdragers in een college verenigd, in casu dus door een kerkeraad. Dit is geheel in de lijn van Calvijn, die zegt: Aan de mensen kent Hij (dat is Christus, H.) niets anders toe, dan een gemeenschappelijke dienst, en een ieder afzonderlijk een bijzonder deel, Inst. IV, 6, 10. Op deze manier, die geheel naar de Schrift is, heeft men elke vorm van alleenheerschappij in de kerk en daarmee elke vorm van hiërarchie, trachten te voorkomen.

Gaat nu een ouderling als tafelwacht een gecensueerde weren van de heilige dis dan berust zijn bevoegdheid op de opdracht van de kerkeraad, die immers de betrokkene onder censuur heeft geplaatst en hem of haar de toegang tot het avondmaal heeft ontzegd. En weert hij een „dooplid” of een vreemde dan berust zijn bevoegdheid eveneens op de opdracht, zij het dan niet expressis verbis vermeld, dat artikel 61 van de Kerkorde gehandhaafd moet worden, welk artikel zegt: Niemand kan tot het avondmaal des Heren worden toegelaten, dan die overeenkomstig de regeling van de plaatselijke kerk belijdenis des geloofs heeft afgelegd en getuigenis heeft van een godvruchtige wandel, zonder welka ook zij, die uit andere kerken komen, niet kunnen worden toegelaten. Voor het afhouden van het avondmaal van „doopleden” en vreemden behoeft de dienstdoende ouderling geen aparte machtiging van de kerkeraad: deze afhouding of wering vloeit rechtstreeks uit art. 61 van de Kerkorde voort.

Maar hoe staat het dan, en dat is een vraag die in de praktijk wel eens voorkomt, met iemand die naar het oordeel van de tafelwacht onbehoorlijk gekleed ten avondmaal gaat? Heeft de dienstdoende ouderling dan de bevoegdheid om zo iemand te weren? Het antwoord moet beslist ontkennend luiden. Als iemand niet door de kerkeraad van het avondmaal is afgehouden mag de dienstdoende tafelwacht hem niet op eigen gezag weren. Dat zou ten eerste in strijd zijn met het zopas reeds genoemde gereformeerde grondbeginsel van de kerk-regering en dus ook van de tuchtoefening, dat de tucht niet door één persoon mag worden geoefend, zoals dat wel in de Roomse en Lutherse kerken het geval is, maar alleen door een gemeenschappelijk besluit van de dienaren des Woords en de ouderlingen. En voorts zou zulk een tuchtoefening op eigen houtje zeer subjectief zijn en groot gevaar voor willekeur opleveren, hetgeen niet nader aangetoond behoeft te worden. En tenslotte zou een weigering als boven bedoeld op verzet kunnen stuiten en tot grote opschudding en dus ontstichting aanleiding kunnen geven. Is er inderdaad gevaar dat leden der gemeente onbehoorlijk gekleed ten avondmaal gaan, dan dient daartegen gewaarschuwd te worden in de prediking en bij het huisbezoek. En dan is het m.i. volkomen juist wat prof. dr. H. H. Kuyper hierover schrijft: „Eerst daardoor zou de dienstdoende ouderling de opdracht krijgen om hierop bij het Avondmaal toezicht te houden, mits dan altoos de personen, die zich aan die onbehoorlijke kleding schuldig maken, vooraf gewaarschuwd en vermaand zijn. Aan het subjectieve oordeel van den dienstdoende ouderling late men dit toezicht echter liever niet over” (Het Ouderlingenblad, 16e jg., no. 189, januari 1938). Overigens blijven hier nog wel vragen over, want over wat behoorlijk of onbehoorlijk is zullen de meningen wel verdeeld zijn!

Een andere vraag is hoe de tafelwacht te handelen heeft indien iemand, van wie hij bijv. weet dat deze persoon zich vlak voor het avondmaal aan dronkenschap of een andere ergerlijke zonde heeft schuldig gemaakt, hoogstwaarschijnlijk van plan is deel te nemen aan het avondmaal. In zulk een geval zal de ouderling die voor de tafelwacht is aangewezen vóór de aanvang van de dienst aan de in de consistorie aanwezige kerkeraad moeten vragen hoe hij heeft te handelen — dit in geval hij geen tijd of gelegenheid heeft gehad met de betrokkene te spreken en hem te overreden niet ten avondmaal te gaan.

En als iemand die door de tafelwacht geweerd wordt, dat wil zeggen, indien hem door de dienstdoende ouderling gezegd is, dat hij niet aan het avondmaal mag deelnemen, toch tot de dis des Heren toetreedt? Hoe moet dan gehandeld worden? Wij geven hier het antwoord dat prof. dr. H. H. Kuyper gaf. Hij schrijft: „Zelfs wanneer een gecensureerde, niettegenstaande een waarschuwing van den toezicht houdende ouderling aan het Avondmaal wil deelnemen is dan toch altoos de raad gegeven hem niet met geweld te verwijderen maar dan op andere wijze zorg te dragen, dat de tekenen van brood en wijn hem niet gegeven worden bijv. doordat de Dienaar des Woords of de ouderlingen zelf rondgaan om de sacramentele tekenen aan ieder uit te reiken en de gecensureerde daarbij over te slaan. Terwijl eindelijk ook niet vergeten mag worden, dat de Kerkeraad wel schuldig staat voor God, wanneer hij het Avondmaal niet verbiedt aan degenen, die met hun belijdenis en leven, zich als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen, zoals onze Catechismus zegt, maar niet… wanneer iemand trots dit verbod toch aan de Avondmaalstafel aanzitten gaat, en zelf deze sacramentele tekenen zich toeeigent”, t.a.p.

Het is natuurlijk ondoenlijk hier alle mogelijke gevallen te noemen. Maar in het kort zij nog even herhaald, dat de tafelwacht niet op eigen gezag kan handelen doch alleen in opdracht van de kerkeraad, zoals we gezien hebben. In noodgevallen kan en moet hij uiteraard optreden, zo bijv. in het geval dat Paulus noemt in 1 Cor. 11 : 21 waar gesproken wordt van het dronken toetreden tot de heilige dis. Maar zulke gevallen zullen zich gelukkig in de praktijk wel bijna nimmer voor doen.

Tenslotte merken wij op dat met betrekking tot enkele punten uit het vorenstaande een er ander ontleend is aan het reeds genoemde artikel van prof. dr. H. H. Kuyper.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.